Inhoudsopgave
Hoorcollege 1................................................................................................. 1
Stof overzicht.............................................................................................................. 1
Statistische basisbegrippen.........................................................................................4
Meetniveaus................................................................................................................ 4
Centrum maten........................................................................................................... 4
Standaarddeviatie (s)..................................................................................................4
Z-scores....................................................................................................................... 5
Empirical Rule............................................................................................................. 6
Associatie vs causaliteit.............................................................................................. 7
Linear verband en correlatie.......................................................................................7
Hoorcollege 2................................................................................................. 9
Verband tussen twee categorische variabelen............................................................9
Relatief en absoluut risico......................................................................................... 10
Odds ratio.................................................................................................................. 10
Statistische controle.................................................................................................. 11
Cronbach’s alfa......................................................................................................... 11
Ompolen (hercoderen).............................................................................................. 13
Frequenties................................................................................................................ 13
Proporties (Probabilities)........................................................................................... 13
Hoorcollege 3............................................................................................... 14
Verschillende verdelingen......................................................................................... 14
Normale verdeling..................................................................................................... 14
Empirical rule ||......................................................................................................... 14
Appendix A................................................................................................................ 15
P-waarde................................................................................................................... 15
Centrale limiet stelling.............................................................................................. 17
Standaardfout........................................................................................................... 18
Practicum 2.................................................................................................. 19
Functies om informatie over de afmetingen van een dataset te krijgen:...................19
Beschrijvende statistieken in R..................................................................................19
Het maken van grafieken in R...................................................................................19
Betrouwbaarheid (interne consistentie) van een schaal............................................20
Hercoderen................................................................................................................ 20
Variabelen toevoegen in R......................................................................................... 20
Cronbach's alfa.......................................................................................................... 20
Hoorcollege 1
Stof overzicht
Type variabelen (meetniveaus)
, Categorisch:
o Nominaal: Variabelen zonder volgorde, zoals oogkleur of geslacht. Je kunt de
volgorde niet rangschikken.
o Ordinaal: Variabelen met een volgorde, maar de afstand tussen de waarden is
niet altijd gelijk, zoals opleidingsniveau (bijv. middelbaar, hbo, universiteit).
Kwantitatief:
o Discreet: Variabelen met specifieke, telbare waarden, zoals het aantal kinderen
in een gezin (je kunt geen halve kinderen hebben).
o Continu: Variabelen die elk mogelijk getal kunnen aannemen binnen een
bereik, zoals gewicht of lengte (je kunt bijv. 1,75 meter zijn).
Centrummaten
Gemiddelde: Het gemiddelde van alle waarden. Je telt alles op en deelt het door het
aantal waarden.
o Formule: (Waarde 1 + Waarde 2 + ... + Waarde n) ÷ n
Mediaan: De middelste waarde als je alle waarden op volgorde zet. Bij een even
aantal waarden, neem je het gemiddelde van de twee middelste.
Modus: De waarde die het vaakst voorkomt in je dataset.
!Wanneer er een klokvormige lijn is zijn de mean, mediaan en modus allemaal de
zelfde waarde/score!
Verdeling van de data
Uni/bimodaal:
o Unimodaal: Één piek in de grafiek.
o Bimodaal: Twee pieken in de grafiek.
Scheefheid: Hoe asymmetrisch de verdeling is.
o Rechtsscheef (positief): De rechterkant van de grafiek is langer.
o Linksscheef (negatief): De linkerkant van de grafiek is langer.
Normaalverdeling: Een symmetrische, klokvormige verdeling waar de meeste
waarden rond het gemiddelde liggen
Grafiek, grafische weergave
Categorisch:
o Pie chart (taartdiagram): Verdeelt gegevens in een cirkel en toont de
verhouding tussen categorieën.
o Staafdiagram: Geeft categorieën weer als balken, waarbij de lengte van de
balk aangeeft hoe vaak de categorie voorkomt.
Kwantitatief:
o Histogram: Laat zien hoe vaak bepaalde waarden voorkomen in een continue
variabele. Het lijkt op een staafdiagram, maar gebruikt groepen van getallen
(bijv. 0-10, 10-20, enz.).
o Boxplot: Toont de spreiding van data, inclusief het minimum, maximum en de
mediaan, en geeft eventuele uitschieters (outliers) weer.
Spreiding
, Standaarddeviatie: Hoeveel de waarden gemiddeld afwijken van het gemiddelde.
Hoe groter de standaarddeviatie, hoe meer variatie er is.
Variantie: De standaarddeviatie in het kwadraat. Het meet ook de spreiding, maar is
minder intuïtief dan de standaarddeviatie.
Spreiding: Het verschil tussen de grootste en kleinste waarde.
Interkwartielafstand (IQR): Het verschil tussen het eerste en derde kwartiel. Het
toont de spreiding van de middelste 50% van de gegevens.
Positie van een bepaalde observatie
Deviatie: Hoe ver een specifieke waarde afwijkt van het gemiddelde.
o Formule: Waarde - gemiddelde
Percentiel: Geeft aan welk percentage van de gegevens lager is dan een bepaalde
waarde. Als je bijvoorbeeld in het 90e percentiel zit, is 90% van de waarden lager dan
jouw waarde.
Outlier (uitschieter): Een waarde die veel groter of kleiner is dan de rest van de
gegevens. Het valt ver buiten de rest van de data.
Z-score: Geeft aan hoeveel standaarddeviaties een waarde van het gemiddelde
afwijkt.
o Formule: (Waarde - gemiddelde) ÷ standaarddeviatie
Variabelen
Afhankelijke variabele: Dit is de variabele die je meet in een experiment. Het is
afhankelijk van de onafhankelijke variabele. Bijvoorbeeld, in een studie over hoeveel
slaap de prestaties beïnvloedt, zijn de prestaties de afhankelijke variabele.
Onafhankelijke variabele: Dit is de variabele die je aanpast of manipuleert om te
kijken welk effect het heeft op de afhankelijke variabele. Bijvoorbeeld, in het
slaapvoorbeelden, is de hoeveelheid slaap de onafhankelijke variabele.
Kwantitatieve data
Scatterplot: Een grafiek die de relatie tussen twee kwantitatieve variabelen laat zien
door punten te plotten op een grafiek. Elke punt vertegenwoordigt een paar waarden
(x, y).
Associatie: Dit geeft aan of er een patroon of relatie is tussen twee variabelen, maar
het zegt niet per se dat de ene de andere veroorzaakt.
Correlatie: Dit meet de sterkte en richting van een lineaire relatie tussen twee
variabelen. Dit wordt vaak weergegeven door een correlatiecoëfficiënt, een getal
Hoorcollege 1................................................................................................. 1
Stof overzicht.............................................................................................................. 1
Statistische basisbegrippen.........................................................................................4
Meetniveaus................................................................................................................ 4
Centrum maten........................................................................................................... 4
Standaarddeviatie (s)..................................................................................................4
Z-scores....................................................................................................................... 5
Empirical Rule............................................................................................................. 6
Associatie vs causaliteit.............................................................................................. 7
Linear verband en correlatie.......................................................................................7
Hoorcollege 2................................................................................................. 9
Verband tussen twee categorische variabelen............................................................9
Relatief en absoluut risico......................................................................................... 10
Odds ratio.................................................................................................................. 10
Statistische controle.................................................................................................. 11
Cronbach’s alfa......................................................................................................... 11
Ompolen (hercoderen).............................................................................................. 13
Frequenties................................................................................................................ 13
Proporties (Probabilities)........................................................................................... 13
Hoorcollege 3............................................................................................... 14
Verschillende verdelingen......................................................................................... 14
Normale verdeling..................................................................................................... 14
Empirical rule ||......................................................................................................... 14
Appendix A................................................................................................................ 15
P-waarde................................................................................................................... 15
Centrale limiet stelling.............................................................................................. 17
Standaardfout........................................................................................................... 18
Practicum 2.................................................................................................. 19
Functies om informatie over de afmetingen van een dataset te krijgen:...................19
Beschrijvende statistieken in R..................................................................................19
Het maken van grafieken in R...................................................................................19
Betrouwbaarheid (interne consistentie) van een schaal............................................20
Hercoderen................................................................................................................ 20
Variabelen toevoegen in R......................................................................................... 20
Cronbach's alfa.......................................................................................................... 20
Hoorcollege 1
Stof overzicht
Type variabelen (meetniveaus)
, Categorisch:
o Nominaal: Variabelen zonder volgorde, zoals oogkleur of geslacht. Je kunt de
volgorde niet rangschikken.
o Ordinaal: Variabelen met een volgorde, maar de afstand tussen de waarden is
niet altijd gelijk, zoals opleidingsniveau (bijv. middelbaar, hbo, universiteit).
Kwantitatief:
o Discreet: Variabelen met specifieke, telbare waarden, zoals het aantal kinderen
in een gezin (je kunt geen halve kinderen hebben).
o Continu: Variabelen die elk mogelijk getal kunnen aannemen binnen een
bereik, zoals gewicht of lengte (je kunt bijv. 1,75 meter zijn).
Centrummaten
Gemiddelde: Het gemiddelde van alle waarden. Je telt alles op en deelt het door het
aantal waarden.
o Formule: (Waarde 1 + Waarde 2 + ... + Waarde n) ÷ n
Mediaan: De middelste waarde als je alle waarden op volgorde zet. Bij een even
aantal waarden, neem je het gemiddelde van de twee middelste.
Modus: De waarde die het vaakst voorkomt in je dataset.
!Wanneer er een klokvormige lijn is zijn de mean, mediaan en modus allemaal de
zelfde waarde/score!
Verdeling van de data
Uni/bimodaal:
o Unimodaal: Één piek in de grafiek.
o Bimodaal: Twee pieken in de grafiek.
Scheefheid: Hoe asymmetrisch de verdeling is.
o Rechtsscheef (positief): De rechterkant van de grafiek is langer.
o Linksscheef (negatief): De linkerkant van de grafiek is langer.
Normaalverdeling: Een symmetrische, klokvormige verdeling waar de meeste
waarden rond het gemiddelde liggen
Grafiek, grafische weergave
Categorisch:
o Pie chart (taartdiagram): Verdeelt gegevens in een cirkel en toont de
verhouding tussen categorieën.
o Staafdiagram: Geeft categorieën weer als balken, waarbij de lengte van de
balk aangeeft hoe vaak de categorie voorkomt.
Kwantitatief:
o Histogram: Laat zien hoe vaak bepaalde waarden voorkomen in een continue
variabele. Het lijkt op een staafdiagram, maar gebruikt groepen van getallen
(bijv. 0-10, 10-20, enz.).
o Boxplot: Toont de spreiding van data, inclusief het minimum, maximum en de
mediaan, en geeft eventuele uitschieters (outliers) weer.
Spreiding
, Standaarddeviatie: Hoeveel de waarden gemiddeld afwijken van het gemiddelde.
Hoe groter de standaarddeviatie, hoe meer variatie er is.
Variantie: De standaarddeviatie in het kwadraat. Het meet ook de spreiding, maar is
minder intuïtief dan de standaarddeviatie.
Spreiding: Het verschil tussen de grootste en kleinste waarde.
Interkwartielafstand (IQR): Het verschil tussen het eerste en derde kwartiel. Het
toont de spreiding van de middelste 50% van de gegevens.
Positie van een bepaalde observatie
Deviatie: Hoe ver een specifieke waarde afwijkt van het gemiddelde.
o Formule: Waarde - gemiddelde
Percentiel: Geeft aan welk percentage van de gegevens lager is dan een bepaalde
waarde. Als je bijvoorbeeld in het 90e percentiel zit, is 90% van de waarden lager dan
jouw waarde.
Outlier (uitschieter): Een waarde die veel groter of kleiner is dan de rest van de
gegevens. Het valt ver buiten de rest van de data.
Z-score: Geeft aan hoeveel standaarddeviaties een waarde van het gemiddelde
afwijkt.
o Formule: (Waarde - gemiddelde) ÷ standaarddeviatie
Variabelen
Afhankelijke variabele: Dit is de variabele die je meet in een experiment. Het is
afhankelijk van de onafhankelijke variabele. Bijvoorbeeld, in een studie over hoeveel
slaap de prestaties beïnvloedt, zijn de prestaties de afhankelijke variabele.
Onafhankelijke variabele: Dit is de variabele die je aanpast of manipuleert om te
kijken welk effect het heeft op de afhankelijke variabele. Bijvoorbeeld, in het
slaapvoorbeelden, is de hoeveelheid slaap de onafhankelijke variabele.
Kwantitatieve data
Scatterplot: Een grafiek die de relatie tussen twee kwantitatieve variabelen laat zien
door punten te plotten op een grafiek. Elke punt vertegenwoordigt een paar waarden
(x, y).
Associatie: Dit geeft aan of er een patroon of relatie is tussen twee variabelen, maar
het zegt niet per se dat de ene de andere veroorzaakt.
Correlatie: Dit meet de sterkte en richting van een lineaire relatie tussen twee
variabelen. Dit wordt vaak weergegeven door een correlatiecoëfficiënt, een getal