Leerdoelen Beginselen bestuursrecht
Week 1: INTRODUCTIE IN HET BESTUURSRECHT EN HET SYSTEEM VAN
DE AWB
1. Studenten hebben een globaal beeld van wat bestuursrecht is, wat het regelt
en in welk opzicht het verschilt van andere rechtsgebieden.
Het bestuursrecht regelt de verhouding tussen de overheid (het
openbaar bestuur) en de burger. Het bevat enerzijds de regels die
het openbaar bestuur bevoegdheid geven om in het algemeen belang
op te treden (instrumentele en legitimerende functie), en anderzijds
de waarborgen voor de burger tegen dat overheidsoptreden
(waarborgfunctie). Het verschilt bijvoorbeeld van het strafrecht,
waar het legaliteitsbeginsel strikter geldt, terwijl het in het
bestuursrecht vooral draait om het vereiste van een wettelijke
grondslag voor bestuursbevoegdheden.
2. Studenten kunnen de relevantie van het bestuursrecht in een gegeven
nieuwsbericht aanwijzen.
In de casus “De kapsalon van Annemarie” is de relevantie van het
bestuursrecht op meerdere punten duidelijk:
Het legaliteitsbeginsel: de gemeente moet een wettelijke
grondslag hebben om in te grijpen (bijv. de Omgevingswet voor de
vergunningplicht).
Het specialiteitsbeginsel: de gemeente mag alleen die belangen
laten meewegen die horen binnen de grenzen van de gebruikte
wettelijke bevoegdheid (dus niet het economische belang van de
concurrent).
Rechtsbescherming: Annemarie heeft recht op inzage en kan
bezwaar en beroep instellen tegen het besluit.
Bestuurshandelingen: zowel de last onder dwangsom als de hoge
belastingaanslag zijn typisch bestuursrechtelijke handelingen
waarvoor de Awb en andere bijzondere bestuurs-rechtelijke
wetgeving regels stellen.
3. Studenten kennen de structuur van de Awb en begrijpen wat bedoeld wordt
met een gelaagd systeem.
De Awb heeft een gelaagde structuur. Het begint met algemene
bepalingen (zoals definities, algemene beginselen van behoorlijk
bestuur en algemene procedures voor bezwaar en beroep). Latere
hoofdstukken bevatten specifieke regels voor bepaalde soorten
besluiten (zoals subsidies of handhaving), die aanvullend zijn op de
algemene regels. Deze hoofdstukken bestaan uit titels, die zijn
onderverdeeld in afdelingen, die weer zijn onderverdeeld in
paragrafen. Dit maakt het een gelaagd systeem: om de volledige
regelgeving te kennen, moet men eerst de algemene delen
raadplegen en vervolgens de specifieke delen controleren op
eventuele aanvullende of afwijkende regels.
4. Studenten begrijpen de verhouding tussen de Awb en de bijzondere
bestuursrechtelijke wetgeving en wat in dit verband de betekenis is van het
legaliteitsvereiste.
De Awb is de algemene wet met vooral procedurele regels. De
bijzondere wetten (zoals de Omgevingswet) bevatten de
inhoudelijke, materiële bevoegdheden voor specifieke terreinen. Het
legaliteitsvereiste (alleen de overheid mag ingrijpen in rechten en
vrijheden van burgers op basis van een wet) is de fundamentele
, Leerdoelen Beginselen bestuursrecht
reden waarom bijzondere wetten nodig zijn: zij vormen de concrete
wettelijke grondslag voor bestuursbevoegdheden. De Awb dient
daarom als het algemene kader; zij voorziet in de standaardregels
voor bestuurlijk handelen. Als een bijzondere wet op een bepaald
punt niets regelt, geldt de Awb. Op deze manier zorgt de Awb voor
eenheid en rechtsbescherming.
5. Studenten kunnen uitleggen wat gelede normstelling is en kunnen dit
verschijnsel illustreren aan de hand van regelgeving.
Gelede normstelling betekent dat voor een bepaalde situatie regels
uit verschillende niveaus tegelijk van toepassing kunnen zijn. Er zijn
twee vormen:
Verticale gelede normstelling: hierbij komt de norm uit
verschillende niveaus van de normenhiërarchie. Voorbeeld: een
ondernemer die een café wil beginnen, moet voldoen aan de
Drank- en Horecawet (wet in formele zin), een AMvB, een
gemeentelijke horecaverordening, en specifieke voorschriften in
zijn vergunning.
Horizontale gelede normstelling: hierbij zijn meerdere regelingen
op hetzelfde niveau van de normenhiërarchie van toepassing.
Voorbeeld: voor een café-exploitant gelden de Drank- en
Horecawet en de Wet milieubeheer tegelijk (beide wetten in
formele zin).
6. Studenten kunnen vaststellen of een bepaling in de Awb van dwingend,
regelend, aanvullend of facultatief recht is en weten welke gevolgen dit heeft
voor afwijkende bijzondere wetten in formele zin en bijzondere lagere
wetgeving.
De Awb kent vier typen bepalingen, elk met eigen gevolgen voor
afwijking:
Dwingend recht: de regel is verplicht. Alleen een wet in formele
zin kan hier van afwijken. Lagere regelgeving (bijv. een AMvB,
ministeriële regeling of verordening) mag dat niet.
o Herkennen: het artikel kan verplichtende taal gebruiken
zoals “is verplicht”, “mag niet”, “moet”. Dit is echter niet altijd
expliciet zo geformuleerd.
o Voorbeeld: art. 4:27 Awb (subsidiebesluit moet schriftelijk) en
art. 6:7 Awb.
Regelend recht: de Awb stelt een hoofdregel, maar staat afwijking
door lagere regelgeving uitdrukkelijk toe. Een wet in formele zin
kan uiteraard ook afwijken.
o Herkennen: het artikel formuleert een hoofdregel, maar
koppelt daar direct een uitzondering aan vast met woorden als:
“tenzij bij of krachtens... is bepaald”, “behoudens afwijking
bij...” of “indien niet anders is bepaald”.
o Voorbeeld: art. 4:1 Awb (schriftelijke aanvraag, tenzij...).
Aanvullend recht: de Awb-regel geldt alleen als de bijzondere wet
(wetten in formele zin en lagere wetgeving) over dat
onderwerp geen regeling bevat. Zodra de bijzondere wet zelf iets
regelt, is de Awb-regel niet van toepassing. De bijzondere regeling
heeft dan voorrang.
o Herkennen: het artikel treedt slechts in werking bij gebrek aan
een specifieke regeling. Woorden als “indien niet... is
bepaald”, “voor zover niet anders is geregeld”, “in afwijking
Week 1: INTRODUCTIE IN HET BESTUURSRECHT EN HET SYSTEEM VAN
DE AWB
1. Studenten hebben een globaal beeld van wat bestuursrecht is, wat het regelt
en in welk opzicht het verschilt van andere rechtsgebieden.
Het bestuursrecht regelt de verhouding tussen de overheid (het
openbaar bestuur) en de burger. Het bevat enerzijds de regels die
het openbaar bestuur bevoegdheid geven om in het algemeen belang
op te treden (instrumentele en legitimerende functie), en anderzijds
de waarborgen voor de burger tegen dat overheidsoptreden
(waarborgfunctie). Het verschilt bijvoorbeeld van het strafrecht,
waar het legaliteitsbeginsel strikter geldt, terwijl het in het
bestuursrecht vooral draait om het vereiste van een wettelijke
grondslag voor bestuursbevoegdheden.
2. Studenten kunnen de relevantie van het bestuursrecht in een gegeven
nieuwsbericht aanwijzen.
In de casus “De kapsalon van Annemarie” is de relevantie van het
bestuursrecht op meerdere punten duidelijk:
Het legaliteitsbeginsel: de gemeente moet een wettelijke
grondslag hebben om in te grijpen (bijv. de Omgevingswet voor de
vergunningplicht).
Het specialiteitsbeginsel: de gemeente mag alleen die belangen
laten meewegen die horen binnen de grenzen van de gebruikte
wettelijke bevoegdheid (dus niet het economische belang van de
concurrent).
Rechtsbescherming: Annemarie heeft recht op inzage en kan
bezwaar en beroep instellen tegen het besluit.
Bestuurshandelingen: zowel de last onder dwangsom als de hoge
belastingaanslag zijn typisch bestuursrechtelijke handelingen
waarvoor de Awb en andere bijzondere bestuurs-rechtelijke
wetgeving regels stellen.
3. Studenten kennen de structuur van de Awb en begrijpen wat bedoeld wordt
met een gelaagd systeem.
De Awb heeft een gelaagde structuur. Het begint met algemene
bepalingen (zoals definities, algemene beginselen van behoorlijk
bestuur en algemene procedures voor bezwaar en beroep). Latere
hoofdstukken bevatten specifieke regels voor bepaalde soorten
besluiten (zoals subsidies of handhaving), die aanvullend zijn op de
algemene regels. Deze hoofdstukken bestaan uit titels, die zijn
onderverdeeld in afdelingen, die weer zijn onderverdeeld in
paragrafen. Dit maakt het een gelaagd systeem: om de volledige
regelgeving te kennen, moet men eerst de algemene delen
raadplegen en vervolgens de specifieke delen controleren op
eventuele aanvullende of afwijkende regels.
4. Studenten begrijpen de verhouding tussen de Awb en de bijzondere
bestuursrechtelijke wetgeving en wat in dit verband de betekenis is van het
legaliteitsvereiste.
De Awb is de algemene wet met vooral procedurele regels. De
bijzondere wetten (zoals de Omgevingswet) bevatten de
inhoudelijke, materiële bevoegdheden voor specifieke terreinen. Het
legaliteitsvereiste (alleen de overheid mag ingrijpen in rechten en
vrijheden van burgers op basis van een wet) is de fundamentele
, Leerdoelen Beginselen bestuursrecht
reden waarom bijzondere wetten nodig zijn: zij vormen de concrete
wettelijke grondslag voor bestuursbevoegdheden. De Awb dient
daarom als het algemene kader; zij voorziet in de standaardregels
voor bestuurlijk handelen. Als een bijzondere wet op een bepaald
punt niets regelt, geldt de Awb. Op deze manier zorgt de Awb voor
eenheid en rechtsbescherming.
5. Studenten kunnen uitleggen wat gelede normstelling is en kunnen dit
verschijnsel illustreren aan de hand van regelgeving.
Gelede normstelling betekent dat voor een bepaalde situatie regels
uit verschillende niveaus tegelijk van toepassing kunnen zijn. Er zijn
twee vormen:
Verticale gelede normstelling: hierbij komt de norm uit
verschillende niveaus van de normenhiërarchie. Voorbeeld: een
ondernemer die een café wil beginnen, moet voldoen aan de
Drank- en Horecawet (wet in formele zin), een AMvB, een
gemeentelijke horecaverordening, en specifieke voorschriften in
zijn vergunning.
Horizontale gelede normstelling: hierbij zijn meerdere regelingen
op hetzelfde niveau van de normenhiërarchie van toepassing.
Voorbeeld: voor een café-exploitant gelden de Drank- en
Horecawet en de Wet milieubeheer tegelijk (beide wetten in
formele zin).
6. Studenten kunnen vaststellen of een bepaling in de Awb van dwingend,
regelend, aanvullend of facultatief recht is en weten welke gevolgen dit heeft
voor afwijkende bijzondere wetten in formele zin en bijzondere lagere
wetgeving.
De Awb kent vier typen bepalingen, elk met eigen gevolgen voor
afwijking:
Dwingend recht: de regel is verplicht. Alleen een wet in formele
zin kan hier van afwijken. Lagere regelgeving (bijv. een AMvB,
ministeriële regeling of verordening) mag dat niet.
o Herkennen: het artikel kan verplichtende taal gebruiken
zoals “is verplicht”, “mag niet”, “moet”. Dit is echter niet altijd
expliciet zo geformuleerd.
o Voorbeeld: art. 4:27 Awb (subsidiebesluit moet schriftelijk) en
art. 6:7 Awb.
Regelend recht: de Awb stelt een hoofdregel, maar staat afwijking
door lagere regelgeving uitdrukkelijk toe. Een wet in formele zin
kan uiteraard ook afwijken.
o Herkennen: het artikel formuleert een hoofdregel, maar
koppelt daar direct een uitzondering aan vast met woorden als:
“tenzij bij of krachtens... is bepaald”, “behoudens afwijking
bij...” of “indien niet anders is bepaald”.
o Voorbeeld: art. 4:1 Awb (schriftelijke aanvraag, tenzij...).
Aanvullend recht: de Awb-regel geldt alleen als de bijzondere wet
(wetten in formele zin en lagere wetgeving) over dat
onderwerp geen regeling bevat. Zodra de bijzondere wet zelf iets
regelt, is de Awb-regel niet van toepassing. De bijzondere regeling
heeft dan voorrang.
o Herkennen: het artikel treedt slechts in werking bij gebrek aan
een specifieke regeling. Woorden als “indien niet... is
bepaald”, “voor zover niet anders is geregeld”, “in afwijking