Y: Als een tweede variabele wordt gebruikt, staat Y voor de scores
N: wordt gebruikt als symbool voor het aantal scores in een populatie
n: is het symbool voor een aantal scores in een steekproef.
Σ: wordt gebruikt om te staan voor somming.
ΣX: "de som van de scores".
ΣXY: X en Y bij elkaar optellen.
M: steekproefgemiddelde
µ: populatiegemiddelde
SS: som van kwadraten, is de som van de kwadraatafwijkingsscores.
df: n – 1
σ: populatie standaard deviatie
n!: n faculteit. Als n 3 zou zijn is n!, 3x2x1
σM: steekproeferror. Standaarddeviatie bij steekproefgemiddelde.
α: alpha niveau
Δ: verschilscore
SP: Sum of product
Syx: covariantie
rS: sprearman correlatie
,1
Statistiek: de wetenschap van het verzamelen, analyseren, presenteren
en interpreteren van data.
Beschrijvende statistiek: samenvatten en vereenvoudigen van data.
Infertiele statistiek: data analyseren om antwoord te kunnen geven op
hypotheses. Die we gebruiken om de patronen in de steekproef te
generaliseren naar de populatie.
Variabele: iets wat kan variëren. Alles wat verschillende waardes kan
hebben voor verschillende mensen.
Data: de verzameling van metingen of observaties van scores van
mensen.
Correlationele methode: onderzoekt relaties tussen variabelen door
voor elk individu twee verschillende variabelen te meten. Deze methode
stelt onderzoekers in staat om relaties te meten en te beschrijven, maar
kan geen oorzaak-gevolgverklaring voor de relatie produceren.
Experimentele methode: onderzoekt relaties tussen variabelen door
een onafhankelijke variabele te manipuleren om verschillende
behandelingsomstandigheden te creëren en vervolgens een afhankelijke
variabele te meten om een groep scores in elke aandoening te verkrijgen.
De bedoeling van de experimentele methode is om een oorzaak-
gevolgrelatie tussen variabelen aan te tonen.
Niet-experimentele studies: onderzoeken ook relaties tussen
variabelen door groepen scores te vergelijken, maar ze hebben niet de
nauwkeurigheid van echte experimenten en kunnen geen oorzaak-en-
gevolgverklaringen produceren. In plaats van een variabele te
manipuleren om verschillende groepen te creëren, gebruikt een niet-
experimenteel onderzoek een reeds bestaand deelnemerskenmerk (zoals
man/vrouw) of het verstrijken van de tijd (voor/na) om de groepen te
maken die worden vergeleken.
Quasi-onafhankelijke variabele: de "onafhankelijke variabele" in een
niet-experimenteel onderzoek die wordt gebruikt om de verschillende
groepen scores te maken.
Parameter: een waarde die een samenvatting geeft van een populatie,
een kenmerk dat een populatie beschrijft. Bijvoorbeeld gemiddeldes,
meest gekozen namen.
Statistieken: het steekproef broertje/zusje van een parameter. Een
kenmerk dat een steekproef beschrijft. Bijvoorbeeld
steekproefgemiddelde.
Is nooit helemaal gelijk aan de populatie waardes, maar door infertiele
,statistiek is het wel generaliseerbaar.
Steekproeffout (sampling error): het natuurlijk voorkomende verschil
tussen een statistiek en een parameter.
Twee verschillende soorten onderzoeksvragen:
1. Vragen over gemiddelde
- Bijv: is de populatiegemiddelde hoger dan 10?
2. Vragen over variabele
- Bijv: presteer je beter door veel oefening?
Constructie van een variabele:
- Structuur kiezen (categorisch/discreet of continu)
- Wat is de kern van het construct en hoe zie je het in gedrag?
- Hoe kan je een waarde kennen aan het gedrag?
Operationaliseren: het proces om een theoretisch construct “meetbaar”
of “concreet” te maken. Dit is nooit het construct.
Er zijn altijd meerdere operationalisaties mogelijk en er is niet maar één de
beste.
Discrete variabele kan ook nummer zoals 0,5 en 1,5 zijn.
Nominale variabele: verschillen in score geven kwalitatieve verschillen
in mensen aan, één categorie is niet meer dan de ander (bijv, haarkleur).
Bestaat uit categorieën die alleen in naam verschillen en niet
gedifferentieerd zijn in termen van grootte of richting.
Ordinale variabele: verschillen in score geven kwalitatieve verschillen in
mensen aan, maar hogere scores geven aan dat iemand iets meer heeft
dan een ander. Hoe veel dat ‘’meer’’ dan is, is niet duidelijk. In een
ordinale schaal zijn de categorieën gedifferentieerd in termen van richting,
waardoor een geordende reeks wordt gevormd. (sociaaleconomische
status).
Interval variabele: hogere scores betekenen “meer” van iets en de
scores geven aan hoeveel meer (verschillen kunnen worden
geïnterpreteerd). Het verschil tussen 10 en 15 is hetzelfde als het verschil
tussen 95 en 100. Je kunt echter niet zeggen dat 50 twee keer zoveel is als
25, omdat er geen natuurlijke “0-score (een waarde die een totale
afwezigheid van iets laat zien)” is (temperatuur).
Ratio variabele: hogere scores betekenen "meer" van iets en de scores
geven aan hoeveel meer (verschillen kunnen worden geïnterpreteerd).
, Heeft ook een echte of natuurlijke 0, dus verhoudingen kunnen worden
geïnterpreteerd. Hier is 50 twee keer zoveel als 25 (lengte).
Frequentieverdeling: Wordt gepresenteerd als tabel of grafiek.
Presenteert twee elementen van informatie:
- De set categorieën op de variabele.
- Hoe vaak elke categorie voorkomt.
Frequentieverdelingstabel: geeft een overzicht van de categorieën
waaruit de meetschaal bestaat (de X-waarden) in één kolom. Naast elke X-
waarde, in een tweede kolom, staat de frequentie of het aantal individuen
in die categorie.
Gegroepeerde frequentieverdelingstabel: groepen scores
presenteren in plaats van individuele waarden. De groepen, of intervallen,
worden klasse-intervallen genoemd.
Richtlijnen voor een gegroepeerde frequentieverdelingstabel:
1. Er moeten ongeveer 10 intervallen zijn.
2. De breedte van elk interval moet een eenvoudig getal zijn (bijv. 2, 5 of
10).
3. De laagste score in elk interval moet een veelvoud van de breedte zijn.
4. Alle intervallen moeten even breed zijn en ze moeten het bereik van
scores bestrijken zonder hiaten.
Proportie (p): een relatieve frequentie. Hoe vaak een bepaalde score
voorkomt en hoe dat aantal zich verhoudt tot het totaal aantal
observaties.
Percentage:
Variabele weergeven:
- Een frequentietabel is alleen handig met discrete variabele. Met continue
variabele kan dit namelijk heel lang en onoverzichtelijk worden.
- Een frequentietabel is max 10 tot 15 rijen.
- Dan moet je het grafisch visueel maken en dat wordt het meestal gedaan
met Frequency distributions, of Stem-and-leaf plots.
- Voor een interval of ratio variabele gebruik je een histogram of een
polygoon.