Opdracht 1: naamgeving
Medicijnen hebben vaak verschillende namen. Dat kan verwarrend zijn, maar daar is wel een
reden voor. Zoek op wat het verschil is tussen de volgende soorten naamgeving van medicijnen,
en geef bij elk minimaal één voorbeeld: het verschil zit in de functie: de chemische naam is de
lange, wetenschappelijke beschrijving van de moleculaire structuur, de generieke/stofnaam is de
niet-beschermde naam van de werkzame stof (zoals ibuprofen), en de merknaam is de
beschermde, vaak makkelijker te onthouden naam die een specifieke fabrikant aan een product
geeft (zoals Advil). De termen soortnaam en generieke naam overlappen vaak; een soortnaam
kan (ook) een generieke naam zijn die zo ingeburgerd is dat het symbool staat voor een hele
groep producten (bijvoorbeeld Aspirine).
a. chemische naam
(RS)-2-(4-(2-methylpropyl)fenyl)propaanzuur.
b. generieke naam / soortnaam / stofnaam
Ibuprofen, paracetamol, simvastatine.
c. merknaam
Advil.
Opdracht 2: medicijnen grijpen aan op eiwitten
Bestudeer onderstaande figuur:
Figuur: Organisatieniveaus in het menselijk lichaam + voorbeeld. (Bewerking van: McFadden, R.
(2011). Farmacologie. Amsterdam: Pearson Education Benelux)
De meeste geneesmiddelen werken door in te grijpen op de werking van eiwitten in je lichaam,
bijvoorbeeld door deze te stimuleren of juist te remmen.
a. Wat doen eiwitten in je lichaam? Noem een paar voorbeelden.
- Bouwsteen: eiwitten zijn de bouwstenen voor al je lichaamscellen, waaronder spieren,
organen, botten, huid en bloed.
- Spieropbouw en -herstel: ze zijn cruciaal voor de opbouw en het behoud van je
spiermassa. Na trainingen helpen eiwitten je spieren te herstellen en sterker te worden.
, b. Waarom werken medicijnen vaak in op het functioneren van eiwitten in ons lichaam?
Omdat die een cruciale rol spelen bij bijna alle functies in het lichaam. Veel eiwitten zijn
moleculen die specifieke eiwitten kunnen beïnvloeden om hun werking te activeren of te
remmen, waardoor het lichaam wordt “gestuurd” om een ziekte te bestrijden of symptomen te
verlichten. Het medicijn ‘grijpt aan’ op een specifiek punt van het eiwit, net zoals een sleutel in
een slot past. Ze hebben hele specifieke functies die je kunt stimuleren of remmen.
c. Veel eiwitten komen alleen voor op een bepaald type cel of in een bepaald orgaan. Wat is
hiervan het voordeel als je een medicijn hebt dat inwerkt op zo’n orgaanspecifiek eiwit?
Het medicijn grijpt alleen daar aan waar het moet> meer effect, minder schade.
Opdracht 3: receptoren
a. Voor de aansturing van veel fysiologische processen wordt in je lichaam gebruik gemaakt van
receptoren. Er zijn drie soorten stoffen die gebruik maken van receptoren. Één daarvan zijn
de ‘mediatoren’: stoffen zoals histamine die vrijkomen bij afweerreacties. De twee andere
soorten stoffen die gebruik maken van receptoren heb je bij de vorige thema's van dit vak
leren kennen. Welke waren dit? Neurotransmitters en hormonen.
b. Een stofje dat aan een receptor bindt noem je ook wel een ‘ligand’. Dit kan een stof zijn uit
het eigen lichaam, waar de receptor voor bedoeld is, maar ook een andere stof (bijv. een
medicijn) kan binden aan diezelfde receptor. Wanneer kan een ligand aan een receptor
binden? Wanneer het de juiste vorm en chemische eigenschappen heeft en zich in de buurt
bevindt van de specifieke bindingsplaats van de receptor.
c. Hieronder zie je de chemische structuur van adrenaline en van het medicijn salbutamol. Leg
uit waarom adrenaline en salbutamol allebei een ligand zijn voor de adrenerge receptoren in
je lichaam. Vanwege hun vergelijkbare moleculaire structuur, waardoor ze aan deze
receptoren kunnen binden en een effect kunnen veroorzaken.
d. Salbutamol is een medicijn dat gebruikt wordt bij astma. Denk na over de functie van
adrenaline in je lichaam, en de gevolgen van astma, en probeer vanuit deze kennis zelf te
beschrijven wat het effect van salbutamol is bij astmapatiënten.
Adrenaline zorgt voor vasodilatatie zodat er een betere doorbloeding is. Bij salbutamol gebeurt
dat ook in de luchtwegen zodat die wijder worden en een patiënt weer makkelijker adem kan
halen.
e. Zoek op wat de woorden ‘agonist’ en ‘antagonist’ betekenen.
Een agonist is een signaalmolecuul dat bindt aan een receptor en een biologische respons
teweegbrengt. Een antagonist is een stof die zich aan een receptor bindt, maar de receptor
blokkeert zodat een agonist geen reactie kan veroorzaken.
f. Is salbutamol een agonist of een antagonist? Agonist.
g. Atenolol is een voorbeeld van een antagonist. Bij welke aandoeningen wordt dit medicijn
gebruikt? Hoge bloeddruk, angina pectoris (pijn en drukkend gevoel op de borst),
hartritmestoornissen en (voorkomen van) een hartinfarct (hartaanval).
h. Op welke receptoren grijpt atenolol in? Verklaar vanuit deze kennis de werking van het
medicijn. Beta1-adrenerge receptoren (dit zijn de hartreceptoren voor adrenaline &
noradrenaline). Atenolol remt de stress-signalen op het hart> rustiger hart> lagere
bloeddruk> minder zuurstofvraag. Blokkeert receptoren in het hart, blokkeert daardoor