NB: Termen met een * zijn al eerder aan de orde geweest
Medische term NLse term Engelse term Omschrijving (bijv. functie); definitie; synoniem
Centraal zenuwstelsel. Central Nervous System. Het controlecentrum van je lichaam, bestaande uit de hersenen
en het ruggenmerg. CZS.
Perifeer zenuwstelsel. Peripheral Nervous Het deel van het zenuwstelsel dat buiten het centrale
System. zenuwstelsel (de hersenen en het ruggenmerg) ligt en bestaat uit
alle zenuwen, zenuwknopen en zenuwplexussen die het centrale
zenuwstelsel verbinden met de rest van het lichaam. PZS.
Somatisch/Animaal Somatic Nervous System. Het deel van het perifere zenuwstelsel dat verantwoordelijk is
zenuwstelsel. voor bewuste, willekeurige bewegingen en de waarneming van
zintuiglijke prikkels zoals pijn, temperatuur en aanraking. Animale
zenuwstelsel.
Autonoom/ Autonomic Nervous Een deel van het zenuwstelsel dat automatisch vitale
Visceromotorisch System. lichaamsfuncties regelt zonder dat je er bewust bij stilstaat.
Zenuwstelsel. Vegetatieve zenuwstelsel.
(Ortho)Sympathisch Sympathetic nervous Het deel van het autonome zenuwstelsel dat het lichaam
zenuwstelsel. system. voorbereidt op actie en stress, ook wel de ‘vecht-of-vlucht’-reactie
genoemd. Orthosympathisch zenuwstelsel.
Parasympathisch Parasympathetic nervous Het deel van het autonome zenuwstelsel dat zorgt voor rust,
zenuwstelsel. system. herstel en ontspanning, het tegenovergestelde van het
sympathische/’vecht-of-vlucht’-systeem. Craniosacrale
zenuwstelsel.
Zintuig. Sense. Een gespecialiseerd orgaan of lichaamsdeel, zoals de ogen, oren,
neus, huid of tong, dat prikkels uit de omgeving kan waarnemen
en omzet in signalen (impulsen) die via zenuwbanen naar de
hersenen worden gestuurd. Sensoriën.
Effector. Effector. Een deel van het lichaam, zoals een spier of klier, dat een
, specifieke reactie uitvoert op een prikkel van buitenaf of vanuit
het lichaam zelf. Uitvoerder.
Neuron. Zenuwcel. Neuron. Een gespecialiseerde cel die de bouwsteen vormt van het
zenuwstelsel en de taak heeft om informatie via elektrische en
chemische signalen te ontvangen en door te geven. Zenuwcel.
Nucleus*. Kern. Nucleus. Een zenuwknoop, een cluster van neuronen met een vergelijkbare
functie in het centrale zenuwstelsel. Celkern.
Dendriet. Dendrite. Een vertakte uitloper van een zenuwcel (neuron), die elektrische
signalen van andere zenuwcellen ontvangt en doorstuurt naar het
cellichaam. Zenuwuitloper.
Axon. Axon. Een lange uitloper van een zenuwcel (neuron) die elektrische
impulsen van het cellichaam weggeleidt om informatie door te
geven aan andere zenuwcellen, spieren of klieren. Neuriet.
Synapsknop. Synaptic terminal. Het verdikte uiteinde van de uitloper (axon) van een zenuwcel
(neuron) waar de chemische signaaloverdracht plaatsvindt naar
een andere zenuwcel. Axonuiteinde.
Synapsspleet. Synaptic cleft. Een smalle ruimte tussen twee zenuwcellen (neuronen) waar de
overdracht van een signaal plaatsvindt. Synaptische spleet.
Neurotransmitter. Neurotransmitter. Chemische ‘boodschappers’ die signalen overdragen tussen
zenuwcellen (neuronen) en andere cellen, zoals spiercellen en
kliercellen, om processen in het lichaam en de hersenen te
regelen. Signaalstof.
Stimulerende Stimulating Een stof die de activiteit van een andere zenuwcel verhoogt,
neurotransmitter (+ neurotransmitter. waardoor het zenuwstelsel wordt geactiveerd. Voorbeelden:
voorbeelden). glutamaat, noradrenaline en dopamine. Excitatoire
neurotransmitter.
Remmende Inhibiting. Een chemische stof die de activiteit van een andere zenuwcel