Literatuur
Bosmans G., Claes L., Bijttebier P. & Noens I. (2014). Diagnostiek bij kinderen,
jongeren en
gezinnen. Deel 1: Een theoretisch kader voor de praktijk. Leuven: Acco; ISBN
9789 0334
93195. Hoofdstuk 1, 2, 3, 6. (90 pagina’s).
Drost, J. Y., Poolman, B., & Rottgers, M., (2020). Handleiding Integrale
Casusbeschrijving.
Rijksuniversiteit Groningen. Document beschikbaar op Brightspace. (30 pagina’s).
Koomen, H. & Pameijer, N. (2016). Diagnostisch proces in het onderwijs: de rol
van
contextfactoren, veranderbaarheid en positieve elementen. In K. Verschueren &
H. Koomen
(red.), Handboek Diagnostiek in de leerlingenbegeleiding: Kind en context,
Antwerpen:
Garant. ISBN 9789 0441 34438. Hoofdstuk 1 (pp 15-47). (32 pagina’s).
Luteijn, A., Jaspers-van der Maten, M., Vercouteren, J., Deckers, S. en Van der
Rijken, R.
(2025). Kwaliteitscriteria voor de Verklarende Analyse in de Jeugdzorg: Een
Delphi-
Studie,Jeugd in Ontwikkeling5, DOI: 10.54447/JiO.21663; (23 pagina’s)
(https://jeugdinontwikkeling.nl/article/view/21663/25822
Lang, G. & Van der Molen, H.T. (2020). Psychologische gespreksvoering: Een basis
voor
hulpverlening. Amsterdam: Uitgeverij Boom. ISBN 9789024427635. Hoofdstuk 2
t/m 5 (100
pagina’s).
Pameijer, N. & Beukering, T. van (2015). Handelingsgerichte diagnostiek in het
onderwijs.
Leuven: Acco; ISBN 9789 0334 97933. Hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 10. (252
pagina’s).
Van Yperen, T. & Van der Steege, M. (2011). Voor het goede doel. Werken met
hulpverleningsdoelen in de jeugdzorg. SWP Uitgeverij B.V. ISBN 9789085600343.
(100
pagina’s).
Van Yperen, T., M. van der Steege, A. Addink en L. Boendermaker (2010).
Algemeen en
specifiek werkzame factoren in de jeugdzorg. Stand van de discussie. Utrecht:
NJI. Te
downloaden via: https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Publicatie-NJi/Rapport-
AlgemeenWerkzameFactoren.pdf (23 pagina’s).
Karver, M. S., De Nadai, A. S., Monahan, M., & Shirk, S. R. (2018). Meta-analysis of
the
prospective relation between alliance and outcome in child and adolescent
psychotherapy.
,Psychotherapy, 55(4), 341.
https://web.s.ebscohost.com/ehost/pdfviewer/pdfviewer?
vid=0&sid=70894761-b1d9-4ebd-9981-367425f2fb5e%40redis (11 pagina’s).
Audiofragment
Podcast van de Correspondent: Lex Bohlmeijer - in gesprek met Paul
Verhaeghe.Normaliteit.
Te beluisteren via https://decorrespondent.nl/11634/de-maatschappij-bepaalt-
wat-normaal-is-
maar-vraagt-psycholoog-paul-verhaeghe-worden-we-niet-juist-ziek-van-die-
normen/
48c36021-be04-059d-3a99-1e7bc04c1e4
, Bosmans G., Claes L., Bijttebier P. & Noens I. (2014). Diagnostiek bij kinderen,
jongeren en gezinnen. Deel 1: Een theoretisch kader voor de praktijk.
Hoofdstuk 1, 2, 3, 6. (90 pagina’s).
Hoofdstuk 1 – De empirische cyclus als formeel model van diagnostisch
handelen
1.1Inleiding
Een diagnosticus moet systematisch te werk gaan, zo wordt voorkomen dat er teveel
vanuit eigen referentiekader gekeken wordt en dat er oordeelsfouten gemaakt worden.
1.2De empirische cyclus als basis van formele modellen van diagnostisch handelen
Vanuit de empirische cyclus wordt het diagnostisch proces gezien als een
wetenschappelijk onderzoek. De stappen zijn: observatie, inductie, deductie, toetsing en
evaluatie.
1.3Verschillen en gelijkenissen tussen verschillende bestaande formele modellen
van diagnostisch handelen
Handelingsgerichte
diagnostiek Pameijer en
Van Beukering
Model van diagnostische cyclus heeft verschillende soorten hypothesen; verklarings,
onderkennings en indicatiestellingshypothesen. Diagnostiek is een middel, geen doel op
zich.
1.4Conclusie
Een diagnosticus kan op verschillende manieren te werk gaan bij het uitvoeren van het
diagnostisch onderzoek maar heeft een theoretisch kader met concrete handelsadviezen.
, Hoofdstuk 2 – Het universele noden model: een theoretisch model als
inhoudelijke leidraad tijdens het formuleren van diagnostische hypothesen
2.1 De noodzaak van theoretisch model als leidraad tijdens het formuleren van
hypothesen
Diagnostiek onderzoek moet vertrekken vanuit een aantal (impliciete) premissen over het
gedrag van kinderen, jongeren, ouders en gezinnen, zodat we niet enkel vanuit ons eigen
referentiekader beoordelen, dit kan namelijk het hulpverleningsproces bemoeilijken.
Theoretische modellen van menselijk gedrag sluiten aan bij visies ontwikkeld binnen
therapeutische scholen: gedragstherapie vertrekt vanuit de premisse dat alle gedrag
betekenisvol is; systeemtherapie stelt dat elk gedrag voortkomt uit de bijdrage die leden
van een systeem willen leveren aan het in stand houden van een evenwicht; de
psychodynamische benadering gaat ervan uit dat gedrag het resultaat is van een
samenspel tussen verlangens en de druk van regels.
2.2 Niveaus van diagnostiek
De diagnostische act bestaat uit het in kaart brengen van bepaalde problemen en
sterktes, en het formuleren van hypothesen over deze problemen in termen van
onderkenningshypothesen, verklaringshypothesen, en predictie en
indicatiestellingshypothesen. Mensen verbinden vaak een enge associatie aan de term
‘diagnostiek’, namelijk het onderkennen van stoornissen, maar onderkennende
diagnostiek kan ook gericht zijn op andere vragen. Daarnaast eindigt diagnostiek niet na
de toewijzing door de consulent en ook niet als de behandeling start.
2.3 Analyse van de diagnostische vraag
Voor het diagnostische onderzoek moet worden nagevraagd wie de hulpverlening wenst
en waarom. Ook moet de hulpverleningsvoorgeschiedenis in kaart gebracht worden en
moeten cliënt en hulpverlener inzicht hebben in het nut van het diagnostisch proces.
Specifiek bij nadenken over mogelijke hypothesen is het handig te beschikken over een
theoretisch model van menselijk gedrag-->
2.4 Het universele noden model
In dit model worden verschillende factoren die een rol spelen in de ontwikkeling van
mensen haast serieel besproken, de werkelijkheid is natuurlijk complexer.
2.4.1 Een universele noden model?
De Zelfdeterminatietheorie beschrijft drie aangeboren, psychologische noden, namelijk
verbondenheid, competentie en autonomie. Er zijn mensen wiens gedrag hier tegenin
gaat, dan moeten we ons afvragen welke factoren dit ontwikkelingsproces verstoord
hebben of nog steeds verstoren.
2.4.2 Beïnvloedende factoren
Interacties tussen individuele en sociale factoren kunnen aanleiding geven tot een
frustratie van de universele noden, dan ontwikkelen mensen bepaalde
verwachtingspatronen of cognitieve schema’s > Een biologisch model: verschillende
biologisch gewortelde factoren hebben een impact op de succesvolle bevrediging van de
universele noden. > Een interactioneel model: Disfunctionele relaties hebben een invloed
op de bevrediging van de basale noden en heeft invloed op de cognitieve schema’s van
ouder en kind. Veel verschillende bronnen van stress kunnen ervoor zorgen dat noden
niet bevredigd raken en mensen gedragsproblemen ontwikkelen. > Een cognitief model:
Een cognitief schema is een geheel van betekenissen die worden opgeslagen tijdens de
volledige leergeschiedenis van een persoon en die een invloed hebben op
aandachtsverwerking, herinnering, interpretatie. Maladaptieve schema’s worden
geactiveerd door stresserende gebeurtenissen en lokken vaak negatieve gevoelens uit. >
Een leertheoretisch model: Gedrag is het resultaat van een dubbel leerproces. Eerst leert
de mens over de betekenissen van de context, daarna leert de mens over bepaalde
effecten van zijn gedrag in die context.
2.4.3 De motivatie tot verandering