Biologie 6VWO samenvatting (Nectar H19
Sport, H20 Planten en H21 Afweer)
Inhoud
Biologie 6VWO samenvatting (Nectar H19 Sport, H20 Planten en H21 Afweer).....1
Biologie H19 Sport............................................................................................... 2
19.1 Bouw van pezen en spieren.....................................................................2
19.2 Beweging in spiervezels...........................................................................2
19.3 Energieproductie zonder zuurstof............................................................3
19.4 Energieproductie met zuurstof.................................................................4
19.5 Controle.................................................................................................... 4
Biologie H20 Planten........................................................................................... 6
20.1 Veredelen................................................................................................. 6
20.2 Opname en transport van water..............................................................6
20.3 Fotosynthese............................................................................................ 7
20.4 Glucose als grondstof............................................................................... 9
20.5 Groei en levenscyclus.............................................................................. 9
Hoofdstuk 21 Afweer......................................................................................... 12
Paragraaf 21.1 Geen indringers.....................................................................12
Paragraaf 21.2 Niet-specifieke afweer............................................................12
Paragraaf 21.3 Specifieke afweer en antistoffen............................................14
Paragraaf 21.4 Immuniteit, allergieën en medicijnen.....................................15
Paragraaf 21.5 Lichaamsvreemde eiwitten wel/niet accepteren....................16
,Biologie H19 Sport
19.1 Bouw van pezen en spieren
Pezen bestaan uit bindweefsel, daarin zit tussencelstof.
Pezen verbinden skeletspieren met botten.
Banden verbinden botten.
De vezels in pezen zijn opgebouwd uit het eiwit collageen. In de tussencelstof
draaien 3 collageenketens met H-bruggen tot een collageenmolecuul met
drievoudige helix. Een aantal van deze moleculen vormt een collageenfibril.
Veel collageenfibrillen vormen een collageenvezel. Veel collageenvezels
vormen collageenbundel.
Pees is nauwelijks uitrekbaar. Een pees geeft de kracht van een spier door aan
een bot.
De achillespees drukt in als je je voet op de grond zet. De gedraaide
collageenstrengen slaan veerenergie op in de pees. Als je je hiel optrekt komt de
opgeslagen veerenergie vrij en komt de hiel makkelijker omhoog.
Cellen van bindweefsel zijn door de tussencelstof ver van elkaar verwijderd. Ze
houden contact via dunne uitlopers. In het celmembraan van de uitlopers
bevinden zich connexon-eiwitten. Op de plek waar het celmembraan van de
binweefselcel het celmembraan van de buren raakt, ontstaat door de connexon-
eiwitten een kleine opening in het membraan, gap-junction. Daardoorheen
bewegen ionen en kleine moleculen. De gap-junctions zijn niet permanent en
wisselen voortduren van plek.
Spiervezels ontstaan door samensmelting van honderden spiercellen, hierdoor
hebben ze ook meerdere ketenen.
Spiervezels bevatten bundels langgerekte eiwitfilamenten (myofibrillen).
Hierdoor kan de spier samentrekken.
Dunne filamenten bestaan uit 2 in elkaar gedraaide eiwitten actine.
Dikke filamenten bestaan uit ketens van het eiwit myosine.
Deze filamenten zijn gerangschikt met lichte (I) en donkere (A) banden, het
spierweefsel is daardoor dwarsgestreept. In het midden van elke I band zit een
membraan, de Z-lijn. Het deel tussen de 2 Z-lijnen heet het sarcomeer en dat is
de kleinste spiervezel die nog samentrekt.
Axonen van motorneuronen vertakken in neuromusculaire synapsen. Hier
komt acetylcholine vrij dat spiervezels activeert. De bundels myosine en actine
schuiven in elkaar en het sarcomeer verkort. De groep spiervezels die op
impulsen van 1 axon reageren heet een motorische eenheid.
Glad spierweefsel= kan je niet bewust aansturen
Dwarsgestreept spierweefsel= kan je bewust aansturen
19.2 Beweging in spiervezels
Rond elke bundel myofibrillen van een spiervezel bevindt zich het
sarcoplasmatisch reticulum. Dit is een netwerk van membranen. In de
, spiervezel bevat het veel Ca2+ atomen. Het sarcolemma is het membraan rond
de spiervezels. Tegen het SR aan liggen T-buisjes, deze bevatten veel
ionkanalen. Als een impuls de neuromusculaire synaps bereikt, komt
acetylcholine vrij. De neurotransmitter depolariseert het sarcolemma met de T-
buisjes en dit brengt de impuls in de spier. Hierdoor gaan de Ca2+ poorten open
en stroomt het de spiervezel in. De myosinemoleculen schuiven verder tussen de
actine moleculen, waardoor de lengte van de sarcomeren verkort.
Myosine en actine kunnen in rust niet koppelen door de blokkade van
tropomyosine. Door Ca2+ komt de bindingsplaats wel vrij.
Myosine is een motoreiwit.
1) Ca2+ ionen komen vrij in de spiervezel. Hierdoor schuift tropomyosine
opzij, waardoor de geactiveerde myosinekop in een hoek van 90 graden
komt en aan actine bindt.
2) Door het contact met actine laat het ADP van de myosinekop los en veert
de myosinekop terug. Het actinefilament trekt hij daarbij mee.
3) Er bindt een ATP-molecuul aan de myosinekop waardoor de kop het
actinefilament loslaat.
4) Het ATP splitst aan ADP + Pi. De Pi koppelt af en de energie die vrijkomt
trekt de myosinekop weer in actieve stand.
Antagonist= spier waarvan de werking tegengesteld is aan de samengetrokken
spier.
Sprinters= veel snelle spiervezels= het ATP-ase op de myosinekoppen splitst
het ATP sneller dan bij langzame spiervezels. Hierdoor zijn er meer bindingen
tussen actine en myosine.
Marathonlopers= langzame spiervezels= het ATP-ase splitst het ATP langzamer
dan bij snelle. De langzame spiervezels zijn rood door de grote hoeveelheid
myoglobine en haarvaten.
19.3 Energieproductie zonder zuurstof
Als een fosfaatgroep van ATP afgaat ontstaat ADP en Pi.
Creatinefosfaat kan een fosfaatgroep overdragen aan ADP waarbij ATP en
creatine ontstaan. De voorraad ATP en creatinefosfaat in je spieren vormen
samen de fosfaataccu.
Glycolyse= afbreken glucose. Er worden 2 ATP moleculen gebruikt en 4
gevormd. Er wordt pyrodruivenzuur gemaakt.
Melkzuurgisting:
Bij de glycolyse ontstaan 2 protonen en 2 elektronen, die worden gekoppeld aan
NAD+. Er ontstaat NADH,H+. Melkzuur ontstaat doordat NADH,H+ de
opgenomen elektronen en protonen afgeeft aan pyrodruivenzuur. Naast melkzuur
ontstaat ook een C3-molecuul en NAD+. Als de afbraak van glucose met
melkzuur eindigt, is het de melkzuurgisting.
Sport, H20 Planten en H21 Afweer)
Inhoud
Biologie 6VWO samenvatting (Nectar H19 Sport, H20 Planten en H21 Afweer).....1
Biologie H19 Sport............................................................................................... 2
19.1 Bouw van pezen en spieren.....................................................................2
19.2 Beweging in spiervezels...........................................................................2
19.3 Energieproductie zonder zuurstof............................................................3
19.4 Energieproductie met zuurstof.................................................................4
19.5 Controle.................................................................................................... 4
Biologie H20 Planten........................................................................................... 6
20.1 Veredelen................................................................................................. 6
20.2 Opname en transport van water..............................................................6
20.3 Fotosynthese............................................................................................ 7
20.4 Glucose als grondstof............................................................................... 9
20.5 Groei en levenscyclus.............................................................................. 9
Hoofdstuk 21 Afweer......................................................................................... 12
Paragraaf 21.1 Geen indringers.....................................................................12
Paragraaf 21.2 Niet-specifieke afweer............................................................12
Paragraaf 21.3 Specifieke afweer en antistoffen............................................14
Paragraaf 21.4 Immuniteit, allergieën en medicijnen.....................................15
Paragraaf 21.5 Lichaamsvreemde eiwitten wel/niet accepteren....................16
,Biologie H19 Sport
19.1 Bouw van pezen en spieren
Pezen bestaan uit bindweefsel, daarin zit tussencelstof.
Pezen verbinden skeletspieren met botten.
Banden verbinden botten.
De vezels in pezen zijn opgebouwd uit het eiwit collageen. In de tussencelstof
draaien 3 collageenketens met H-bruggen tot een collageenmolecuul met
drievoudige helix. Een aantal van deze moleculen vormt een collageenfibril.
Veel collageenfibrillen vormen een collageenvezel. Veel collageenvezels
vormen collageenbundel.
Pees is nauwelijks uitrekbaar. Een pees geeft de kracht van een spier door aan
een bot.
De achillespees drukt in als je je voet op de grond zet. De gedraaide
collageenstrengen slaan veerenergie op in de pees. Als je je hiel optrekt komt de
opgeslagen veerenergie vrij en komt de hiel makkelijker omhoog.
Cellen van bindweefsel zijn door de tussencelstof ver van elkaar verwijderd. Ze
houden contact via dunne uitlopers. In het celmembraan van de uitlopers
bevinden zich connexon-eiwitten. Op de plek waar het celmembraan van de
binweefselcel het celmembraan van de buren raakt, ontstaat door de connexon-
eiwitten een kleine opening in het membraan, gap-junction. Daardoorheen
bewegen ionen en kleine moleculen. De gap-junctions zijn niet permanent en
wisselen voortduren van plek.
Spiervezels ontstaan door samensmelting van honderden spiercellen, hierdoor
hebben ze ook meerdere ketenen.
Spiervezels bevatten bundels langgerekte eiwitfilamenten (myofibrillen).
Hierdoor kan de spier samentrekken.
Dunne filamenten bestaan uit 2 in elkaar gedraaide eiwitten actine.
Dikke filamenten bestaan uit ketens van het eiwit myosine.
Deze filamenten zijn gerangschikt met lichte (I) en donkere (A) banden, het
spierweefsel is daardoor dwarsgestreept. In het midden van elke I band zit een
membraan, de Z-lijn. Het deel tussen de 2 Z-lijnen heet het sarcomeer en dat is
de kleinste spiervezel die nog samentrekt.
Axonen van motorneuronen vertakken in neuromusculaire synapsen. Hier
komt acetylcholine vrij dat spiervezels activeert. De bundels myosine en actine
schuiven in elkaar en het sarcomeer verkort. De groep spiervezels die op
impulsen van 1 axon reageren heet een motorische eenheid.
Glad spierweefsel= kan je niet bewust aansturen
Dwarsgestreept spierweefsel= kan je bewust aansturen
19.2 Beweging in spiervezels
Rond elke bundel myofibrillen van een spiervezel bevindt zich het
sarcoplasmatisch reticulum. Dit is een netwerk van membranen. In de
, spiervezel bevat het veel Ca2+ atomen. Het sarcolemma is het membraan rond
de spiervezels. Tegen het SR aan liggen T-buisjes, deze bevatten veel
ionkanalen. Als een impuls de neuromusculaire synaps bereikt, komt
acetylcholine vrij. De neurotransmitter depolariseert het sarcolemma met de T-
buisjes en dit brengt de impuls in de spier. Hierdoor gaan de Ca2+ poorten open
en stroomt het de spiervezel in. De myosinemoleculen schuiven verder tussen de
actine moleculen, waardoor de lengte van de sarcomeren verkort.
Myosine en actine kunnen in rust niet koppelen door de blokkade van
tropomyosine. Door Ca2+ komt de bindingsplaats wel vrij.
Myosine is een motoreiwit.
1) Ca2+ ionen komen vrij in de spiervezel. Hierdoor schuift tropomyosine
opzij, waardoor de geactiveerde myosinekop in een hoek van 90 graden
komt en aan actine bindt.
2) Door het contact met actine laat het ADP van de myosinekop los en veert
de myosinekop terug. Het actinefilament trekt hij daarbij mee.
3) Er bindt een ATP-molecuul aan de myosinekop waardoor de kop het
actinefilament loslaat.
4) Het ATP splitst aan ADP + Pi. De Pi koppelt af en de energie die vrijkomt
trekt de myosinekop weer in actieve stand.
Antagonist= spier waarvan de werking tegengesteld is aan de samengetrokken
spier.
Sprinters= veel snelle spiervezels= het ATP-ase op de myosinekoppen splitst
het ATP sneller dan bij langzame spiervezels. Hierdoor zijn er meer bindingen
tussen actine en myosine.
Marathonlopers= langzame spiervezels= het ATP-ase splitst het ATP langzamer
dan bij snelle. De langzame spiervezels zijn rood door de grote hoeveelheid
myoglobine en haarvaten.
19.3 Energieproductie zonder zuurstof
Als een fosfaatgroep van ATP afgaat ontstaat ADP en Pi.
Creatinefosfaat kan een fosfaatgroep overdragen aan ADP waarbij ATP en
creatine ontstaan. De voorraad ATP en creatinefosfaat in je spieren vormen
samen de fosfaataccu.
Glycolyse= afbreken glucose. Er worden 2 ATP moleculen gebruikt en 4
gevormd. Er wordt pyrodruivenzuur gemaakt.
Melkzuurgisting:
Bij de glycolyse ontstaan 2 protonen en 2 elektronen, die worden gekoppeld aan
NAD+. Er ontstaat NADH,H+. Melkzuur ontstaat doordat NADH,H+ de
opgenomen elektronen en protonen afgeeft aan pyrodruivenzuur. Naast melkzuur
ontstaat ook een C3-molecuul en NAD+. Als de afbraak van glucose met
melkzuur eindigt, is het de melkzuurgisting.