1. Geef het verschil aan in het onderscheid tussen:
a. meerzijdige en eenzijdige rechtshandelingen, en
b. wederkerige en eenzijdige overeenkomsten.
Het onderscheid tussen de eenzijdige en meerzijdige rechtshandeling ziet op het tot stand komen van de
overeenkomst, waartoe bij de meerzijdige rechtshandeling altijd de wilsverklaringen van minstens twee partijen
nodig zijn en bij de eenzijdige rechtshandeling de wilsverklaring van één partij voldoende is.
Het onderscheid tussen eenzijdige en wederkerige overeenkomsten heeft betrekking op de verbintenissen (het
aantal verbintenissen) die uit de overeenkomst voortvloeien. Terwijl het onderscheid tussen eenzijdige en
meerzijdige rechtshandelingen ziet op het tot stand komen van de overeenkomst.
2. Jans de Boer wil haar dochter Karlijn voor haar tiende verjaardag (op 11 juli) een paard cadeau geven. Karlijn
is al jaren gek op paarden en heeft al geruime tijd paardrijles. Jans heeft in het geheel geen verstand van
paarden, is daar zelfs bang voor. Jans heeft een goede vriendin, Gertruud, die wel verstand van paarden heeft.
Jans besluit haar (Gertruud) in te schakelen bij de koop.
Welke van de volgende rechtsfiguren komen hiervoor in beginsel in aanmerking?
vertegenwoordiging op basis van volmacht
lastgeving
wettelijke vertegenwoordiging
vertegenwoordiging bij zaakwaarneming
vertegenwoordiging op basis van volmacht: Ja, van vertegenwoordiging krachtens volmacht is sprake indien
de volmachtgever (dat is Jans) aan een ander (dat is in dit geval Gertruud; de gevolmachtigde) de bevoegdheid
verleent om in zijn of haar naam rechtshandelingen te verrichten (zie art. 3:60 BW).
lastgeving: Ja, lastgeving is een overeenkomst van opdracht waarbij de lasthebber (dat is Gertruud) zich
verplicht om jegens de lastgever (dat is Jans) voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te
verrichten.
wettelijke vertegenwoordiging: Nee, in geval van wettelijke vertegenwoordiging is de vertegenwoordigde zelf
onbekwaam om rechtshandelingen te verrichten. Denk aan de minderjarige en de onder curatele gestelde. Zij
worden vertegenwoordigd door hun ouders/voogd (zie de art. 1:247 en 1:337 BW); de curator (art. 1:386 BW).
Deze rechtsfiguur komt niet in aanmerking. Jans is handelingsbekwaam (het tegendeel blijkt immers niet).
vertegenwoordiging bij zaakwaarneming: Nee, in geval van zaakwaarneming (zie hiervoor art. 6:198 e.v. BW)
kan de belangenbehartiging door de zaakwaarnemer plaatsvinden in de vorm van een rechtshandeling
(bijvoorbeeld het sluiten van een reparatieovereenkomst). In een dergelijk geval is de zaakwaarnemer bevoegd
de betreffende overeenkomst in naam van de belanghebbende met de wederpartij aan te gaan, zie art. 6:201
BW. Deze rechtsfiguur komt niet in aanmerking. In het geval dat Jans haar vriendin Gertruud inschakelt voor de
aankoop van een paard, kan er geen sprake zijn van zaakwaarneming (zie nogmaals art. 6:198 BW). Het
kenmerkende van zaakwaarneming is juist dat iemand handelt zonder de bevoegdheid daaraan aan een
rechtshandeling of andere rechtsverhouding te ontlenen.
3. Jan woonde tot voor kort in Griekenland. Hij is recentelijk weer in Nederland komen wonen. Jan wilde, toen
hij nog in Griekenland woonde, een nieuwe racefiets kopen om in Nederland op te fietsen. Hij vraagt zijn
vriendin Asul, een fervent fietsster, om als zijn vertegenwoordiger op te treden en verleent Asul daartoe een
volmacht. Asul koopt namens Jan een fiets bij Fietsgigant BV en stalt de fiets in haar garage totdat Jan in
Nederland arriveert en de fiets komt ophalen.
Tussen wie is de overeenkomst ter zake van de racefiets tot stand gekomen?
,Jan en Asul
Asul en Fietsgigant BV
Jan en Fietsgigant BV
Jan, Asul en Fietsgigant BV
Asul trad op als vertegenwoordiger van Jan. Zij sloot de overeenkomst met Fietsgigant BV namens Jan. Asul valt
er als het ware tussen uit. Zie art. 3:66 lid 1 BW.
4. Lot heeft haast. Zij rijdt met een hoge snelheid een smalle landelijke weg in en passeert daarbij het bord 'Let
op: overstekend wild'. Vlak na het passeren van dit bord steekt een ree over. Lot geeft een ruk aan het stuur. Zij
komt op de linkerrijbaan en botst frontaal op de auto van Hans, die nietsvermoedend van de andere kant komt
aanrijden. Hans wordt afgevoerd met de ambulance. Hij heeft een gebroken arm, gekneusde ribben en een
zware whiplash. De daaraan verbonden kosten bedragen ruim €7.000,-. Zijn auto is total loss.
Hans wil deze schade verhalen op Lot. Hij stelt dat Lot onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat die
onrechtmatige handeling aan Lot kan worden toegerekend. Lot stelt dat zij hier niets aan kon doen; het
gebeurde gewoon.
Kan de onrechtmatige daad aan Lot worden toegerekend? Zo ja, op welke grond?
Ja, op grond van schuld.
Ja, op grond van de wet.
Ja, op grond van de verkeersopvattingen.
Nee. De onrechtmatige daad kan niet aan Lot worden toegerekend. Er is sprake van een schulduitsluitingsgrond
(error in extremis).
Zie: Art. 6:162 lid 1 en 3 BW en HR 11 november 1983, NJ 1984/331 (Meppelse ree). De Hoge Raad hecht hier
veel belang aan de omstandigheid dat Lot net was gewaarschuwd door een verkeersbord en daar blijkbaar
onvoldoende op heeft gereageerd. Zij is bijvoorbeeld niet langzamer gaan rijden.
5. Het onderscheid tussen nietigheid (van rechtswege) en vernietigbaarheid van rechtshandelingen heeft geen
vaststaande juridische betekenis.
Is deze stelling juist?
Juist
Onjuist
Sinds de invoering van het huidig BW in 1992 hebben de termen nietigheid/vernietigbaarheid een vaststaande
betekenis. Rechtshandelingen worden van rechtswege nietig verklaard wanneer het algemeen belang of de
belangen van derden in het geding zijn. De rechtshandeling wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden.
Vernietigbaarheid is gereserveerd voor die rechtshandelingen die de strekking hebben om de belangen van een
der partijen te beschermen. Alleen de beschermde partij (of zijn wettelijk vertegenwoordiger) kan een beroep
doen op de vernietigbaarheid. Totdat de vernietiging is ingeroepen is de rechtshandeling geldig, vernietiging
heeft wel terugwerkende kracht (artikel 3:53 BW).
6. Werknemer Willem staat al sinds jaar en dag achter de tap van grandcafé De vergulde kroon, dat wordt
geëxploiteerd door C BV. Op een bepaald moment raakt de arbeidsverhouding tussen C BV en Willem verstoord
en wordt de arbeidsovereenkomst tussen hen met wederzijds goedvinden beëindigd en wordt een
vaststellingsovereenkomst opgesteld. In deze vaststellingsovereenkomst wordt een bepaling opgenomen,
inhoudende dat aan Willem ten laste van C BV een transitievergoeding wordt betaald in twaalf maandelijkse
,termijnen van elk € 3.000,-, welke maandelijkse betalingen voortijdig eindigen in de maand waarin Willem bij
een andere werkgever in dienst treedt en meer verdient dan het loon dat hij bij C BV verdiende.
Willem begint twee maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met C BV voor zichzelf als
kroegbaas en verdient zo meer dan ooit.
Stelling 1: Wanneer C BV hiervan lucht krijgt, zet deze na twee maanden de maandelijkse betaling van het
bedrag ad € 3.000,- aan Willem onmiddellijk stop met het argument dat Willem thans meer verdient dan bij C
BV.
Willem repliceert dat hij onverkort aanspraak heeft op nog tien maandelijkse betalingen van elk € 3.000,-,
aangezien is overeengekomen dat de maandelijkse betalingen eindigen in de maand waarin Willem bij een
andere werkgever in dienst treedt en meer verdient dan het loon dat hij bij C BV verdiende. Zijn huidige
inkomsten geniet hij buiten dienstbetrekking, zodat hij onverkort recht blijft houden op de resterende
maandelijkse betalingen.
Stelling 2: C BV stelt dat partijen nimmer bedoeld hebben dat inkomsten buiten dienstbetrekking niet ter zake
zouden doen, maar dat zij dit geval ongeregeld hebben gelaten.
Geef aan in welk van beide stellingen een beroep wordt gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid
en billijkheid.
In stelling 1: Wanneer inderdaad bedoeld was slechts inkomsten uit dienstbetrekking in mindering te brengen,
is denkbaar dat toepassing van deze als gevolg van de overeenkomst tussen partijen geldende regel in de
gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 'onaanvaardbaar' is (art. 6:248 lid 2
BW). In stelling 2 ontbreekt een als gevolg van de overeenkomst geldende regel (C BV doet derhalve in stelling 2
een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, art. 6:248 lid 1 BW).
7. Kan een gedraging, die neerkomt op een schending van een contractuele verplichting van A ten opzichte van
B, tevens een onrechtmatige daad van A ten opzichte van B opleveren? Geef uitleg aan de hand van een kort
voorbeeld.
Ja
Nee
Antwoord:
- Schending van een contractuele verplichting, d.w.z. het niet nakomen van een uit overeenkomst
voortvloeiende verbintenis, staat ook bekend als wanprestatie (art. 6:74 BW).
- Samenloop van wanprestatie (art. 6:74 BW) en onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) is mogelijk indien de
(schadeveroorzakende) gedraging onafhankelijk van de schending van een contractuele verplichting
onrechtmatig is.
Voorbeeld:
- A heeft een boek van B in bruikleen gekregen en heeft dat vervolgens opzettelijk beschadigd. B kan dan stellen
dat een contractuele verplichting is geschonden door niet als een goed huisvader voor het boek te zorgen (art.
7A:1781 BW) en op grond daarvan schade vorderen.
- B kan echter ook stellen dat A ten opzichte van hem ex art. 6:162 BW een onrechtmatige daad heeft gepleegd
door zijn boek te beschadigen, hetgeen onafhankelijk is van de schending van de contractuele verplichting.
8. Arunja wenst te verhuizen van Maastricht naar Heerenveen. Arunja verkoopt bij schriftelijke overeenkomst
haar huis in Maastricht aan Els voor een bedrag van € 410.000,-. Zij spreken af dat levering van het huis over 4
weken zal plaatsvinden.
a. Wie is thans eigenaar van het huis?
b. Hoe dient de levering plaats te vinden?
, a. De vereisten voor een geldige eigendomsoverdracht zijn neergelegd in art. 3:84 lid 1 BW en zijn:
een geldige titel,
beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder,
de leveringshandeling.
Nu nog geen geldige leveringshandeling heeft plaatsgevonden, heeft de overdracht van de eigendom nog niet
plaatsgevonden en is Arunja nog steeds eigenaar van het huis.
b. De voor overdracht benodigde levering van een onroerende zaak geschiedt ingevolge art. 3:84 jo. 3:89 BW
door:
een daartoe tussen partijen opgemaakte notariële akte,
die moet worden ingeschreven in de daartoe bestemde registers (het Kadaster).