Het materieelstrafrechtelijk legaliteitsbeginsel
In het strafrecht heeft het legaliteitsbeginsel de volgende betekenis: een gedraging is pas strafbaar als die ten
tijde van het begaan van het strafbare feit in een wettelijke bepaling strafbaar is gesteld. Het materiële
strafrechtelijk legaliteitsbeginsel (ook wel het nulla poena-beginsel genoemd) vereist onder andere dat
omschrijvingen van wettelijke strafbepalingen duidelijk dienen te zijn, zodat de burger kan weten onder welke
voorwaarden een bepaalde gedraging strafbaar is. Hierbij dient de rechter in bepaalde gevallen de wet te
interpreteren. Het materiële strafrechtelijk legaliteitsbeginsel staat zowel beschreven in artikel 1 lid 1 van het
Wetboek van Strafrecht (Sr) als in artikel 16 van de Grondwet (Gw).
De voorwaarden voor strafbaarheid
Strafbare feiten of delicten zijn menselijke gedragingen (1) die vallen binnen de grenzen van de wettelijke
delictsomschrijving (2) en wederrechtelijk (3) en verwijtbaar (4) zijn.
Om te leiden tot het opleggen van een straf of maatregel moet een strafbaar feit aan vier voorwaarden
voldoen. Het moet gaan om:
- Een menselijke gedraging kan zowel een handelen (commissiedelict) als een nalaten (omissiedelict) zijn. Er
moet een zekere mate van wilsgestuurd handelen achter de gedraging zitten: een element van willen. Wanneer
het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, volgt er vrijspraak.
- Wettelijk: het strafbare feit moet omschreven zijn in een geldige wettelijke bepaling. Dit volgt uit
het legaliteitsbeginsel dat vastgelegd is in art. 1 Sr. Meestal expliciet soms impliciet opzet of schuld
(onachtzaamheid). Is het feit wel bewezen maar valt het niet binnen een delictsomschrijving, dan volgt ontslag
van alle rechtsvervolging.
- Wederrechtelijk: wanneer er formele of materiële wederrechtelijkheid ontbreekt, dan is er een
rechtvaardigingsgrond en volgt ontslag van alle rechtsvervolging. Tenzij wederrechtelijkheid bestanddeel is van
de delictsomschrijving, dan volgt vrijspraak. Er wordt dan immers niet voldaan aan een bestanddeel uit de
delictsomschrijving.
- Aan schuld zijn te wijten: indien schuld en verwijtbaarheid ontbreekt, is er een schulduitsluitingsgrond en
volgt ontslag van alle rechtsvervolging. Tenzij schuld bestanddeel is van de delictsomschrijving, dan volgt
vrijspraak. Er wordt dan immers niet voldaan aan een bestanddeel uit de delictsomschrijving.
De opbouw van het strafbare feit
Delictsomschrijving (2), die wederrechtelijk is (3) en aan schuld te wijten (4).
De opbouw van een strafbaar feit in het vierlagenmode. Een strafbaar feit bestaat uit vier componenten. Die
staan in art. 350 Sv. Een strafbaar feit is een menselijke gedraging (1) die valt binnen de grenzen van een
wettelijk delictsomschrijving (2), die wederrechtelijk is (3) en aan schuld te wijten (4).
Begrippen
- Gronddelict: het basis-strafbare feit, zonder extra omstandigheden, bijvoorbeeld diefstal.
- Gekwalificeerd delict: ernstiger delict dan het gronddelict, bijvoorbeeld diefstal + geweld.
- Geprivilegieerd delict: lichtere variant van het gronddelict met een lagere strafbedreiging.
- Geobjectiveerde bestanddelen: de zichtbare, feitelijke onderdelen van een strafbaar feit.
Commissiedelict: een strafbaar feit wat is ontstaan door actief handelen, bijvoorbeeld vermoorden.
- Omissiedelict: een strafbaar feit wat plaats vindt door het nalaten van handelen, bijvoorbeeld
wanneer iemand in nood is.
- Krenkingsdelicten: misdrijven die iemands eer of goede naam kwetsen.
- Concrete gevaarzettingsdelicten: strafbare feiten waarbij er daadwerkelijk gevaar is ontstaan,
bijvoorbeeld dronken rijden en bijna een ongeluk veroorzaken..
- Abstracte gevaarzettingsdelicten: strafbare feiten waarbij de wet zegt:
dit gedrag is altijd gevaarlijk, ook al is er geen zichtbaar gevaar ontstaan. bijvoorbeeld dronken rijden,
ook als er niemand in de buurt is.
, - Formele delicten: staan in de wet omschreven als handelingen die strafbaar zijn, je doet dus iets wat
strafbaar is.
- Materiële delicten: gaan niet zo zeer over de handeling die je uitvoert, maar juist over de gevolgen die
deze handeling met zich meebrengt (gevolgsdelicten).
- Voortdurende delicten: strafbare feiten die niet in één moment klaar zijn, maar blijven voortduren
zolang de situatie voortduurt, bijvoorbeeld vrijheidsberoving, zolang iemand vastgehouden wordt,
duurt het delict voort (art. 282 Sr).
Het verschil tussen bestanddelen en elementen en het belang van dit onderscheid voor het
beslissingsmodel van de rechter
Een belangrijk onderscheid in het materiële strafrecht is dat tussen bestanddelen en elementen van het
strafbare feit.
Bestanddelen zijn de woorden die letterlijk in de delictsomschrijving staan. Deze moeten altijd door de
rechter worden bewezen om tot een veroordeling te kunnen komen. Als ook maar één bestanddeel niet
kan worden bewezen, moet de verdachte worden vrijgesproken. Voorbeelden zijn: ‘enig goed’, ‘dat aan een
ander toebehoort’ en ‘wegneemt’ in de delictsomschrijving van diefstal (art. 310 Sr).
Elementen daarentegen staan niet in de delictsomschrijving, maar worden wel verondersteld aanwezig te
zijn bij ieder strafbaar feit. Het gaat om de algemene vereisten van wederrechtelijkheid en
schuld/verwijtbaarheid. De rechter hoeft deze elementen niet zelfstandig te bewijzen, tenzij de verdachte
een beroep doet op een rechtvaardigingsgrond (waardoor wederrechtelijkheid vervalt) of een
schulduitsluitingsgrond (waardoor schuld vervalt).
Het onderscheid is van belang voor het beslissingsmodel van de rechter (art. 350 Sv). In de eerste stap
moet de rechter nagaan of alle bestanddelen bewezen zijn: ontbreekt bewijs, dan volgt vrijspraak. Pas
daarna komt de toets aan de elementen. Als er een geslaagd beroep is op een rechtvaardigings- of
schulduitsluitingsgrond, dan leidt dat tot ontslag van alle rechtsvervolging.
De objectieve zijde van het delict en de daartoe behorende leerstukken (causaliteit, wederrechtelijkheid)
De objectieve zijde = de daad
Heeft betrekking op het rechtsbelang dat door het strafbare feit wordt geschaad en andere aspecten die
niet persoons- maar delict gebonden zijn. De beoordeling van de wederrechtelijkheid van de gedraging
hangt samen met de objectieve beoordeling van de gang van zaken, zonder aanzien van de persoon van de
dader.
De subjectieve zijde van het delict en de daartoe behorende leerstukken (schuld en opzet)
De subjectieve zijde = de dader
Wederrechtelijkheid en causaliteit hebben meer betrekking op de objectieve zijde van het strafbare feit.
Formele wederrechtelijkheid wil zeggen dat er sprake is van een menselijke gedraging die valt onder een
wettelijke delictsomschrijving. De toets van materiële wederrechtelijkheid komt aan bod op het moment
dat er gekeken wordt naar de wederrechtelijkheid als bestanddeel of element. Voorbeeld: art. 138 Sr - 'bij
een ander in gebruik' - HR spreekt over 'FEITELIJK bij een ander in gebruik', kraken van leegstaande panden
valt dan niet onder de delictsomschrijving. Kraken is dan onder omstandigheden niet strafbaar. Beperking
van het bestanddeel.
De inhoud en betekenis van culpa en dolus
Dolus is het Latijnse woord voor opzet. Opzet houdt in dat er willens en wetens gehandeld is. Ook valt het
willens en wetens nalaten van iets onder opzet. Er bestaan drie vormen van opzet: oogmerk, opzet met
bewustzijn en voorwaardelijke opzet.
Oogmerk is een vorm van opzet waarbij het willen van iets vooraan staat. Vaak speelt de intentie dan ook
een rol. Bij oogmerk gaat het om het primaire doel, de dader heeft een doel bij zijn handelen en zal
proberen dit doel te behalen.
,Bij opzet met bewustzijn is de dader wel bewust van de situatie en van wat hij deed, maar er was geen
intentie om het te doen. Het gaat niet om het primaire doel, maar de zekerheid dat dit gevolg zal intreden
is van belang. Hierbij wordt uitgegaan van een volgens de wet normaal mens, die met logisch denkwerk
moet kunnen inzien dat er een bepaald gevolg aan een bepaalde actie zit verbonden. Een voorbeeld
hiervan is vergiftiging. Wanneer een barman iemand om het leven wil brengen, en daarvoor in een aantal
drankjes een giftige, dodelijke stof toevoegt, aanvaart hij de kans dat ook een ander van het drankje kan
drinken. Dit is niet meteen zijn doel, maar hij zou moeten weten dat de kans bestaat dat hij iemand anders
ook kan vergiftigen.
De inhoud en betekenis van voorwaardelijk opzet
Bij voorwaardelijke opzet is de kans dat iets gebeurt hoog en een normaal mens zou in moeten kunnen
schatten wat het gevolg van de actie zou zijn. Deze vorm van opzet wordt ook wel kansopzet genoemd.
Hierbij valt te denken aan het bewust iemand in het ijskoude water laten liggen, terwijl de dader weet dat
het slachtoffer zichzelf nooit op eigen kracht in veiligheid zal kunnen brengen. De dader aanvaart dus als
het ware het risico van zijn of haar daad.
- Opzettelijk: de basis van opzet. Alles wat niet onder onderstaande vormen valt, valt onder deze
vorm.
- Ingeblikt opzet: bepaalde vorm van opzet die door bepaalde woorden in de wet al duidelijk wordt,
bijvoorbeeld wanneer iemand wordt gedwongen om iemand om het leven te brengen. Dat valt
onder opzet, maar het woord 'gedwongen' of dwang impliceert al dat het gaat om opzet. Een
ander voorbeeld is het mishandelen van een politieagent. Wanneer iemand een agent mishandelt,
gaat dit met opzet. Maar omdat er een wetgeving is rond mishandeling, is het opzet dus van
minder belang. Een ander woord voor deze vorm van opzet is ingebakken opzet.
- Oogmerk: bij deze vorm van opzet staat het willen van iets vooraan. Vaak speelt de intentie dan
ook een rol. Bij oogmerk gaat het om het primaire doel, de dader heeft een doel bij zijn handelen
en zal proberen dit doel te behalen.
- Wetende dat: handelen volgens wetens.
De wettelijke en buitenwettelijke rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden
Overzicht strafuitsluitingsgronden.
Binnen het strafrecht kennen we de volgende wettelijke en buitenwettelijke strafuitsluitingsgronden.
Wettelijke rechtvaardigingsgronden
- Overmacht in noodtoestand (art. 40 Sr)
- Noodweer (art. 41 lid 1 Sr)
- Uitvoering van een wettelijk voorschrift (art. 42 Sr)
- Uitvoering van een bevoegd gegeven ambtelijk bevel (art. 43 lid 1 Sr)
Buitenwettelijke rechtvaardigingsgronden
- Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid (arrest Veearts)
Wettelijke schulduitsluitingsgronden
- Ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr)
- Psychische overmacht (art. 40 Sr)
- Noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr)
- Uitvoering van een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel (art. 43 lid 2 Sr)
Buitenwettelijke schulduitsluitingsgronden
- Afwezigheid van alle schuld (arrest Melk en water)
- Putatief noodweer
Strafbare poging en strafbare voorbereiding, inclusief het leerstuk van de vrijwillige terugtred
Niet alleen voltooide delicten zijn strafbaar, maar ook in de fase voor de voltooiing van het feit kunnen de
handelingen vallen onder de strafbaarstellingen in het Wetboek van strafrecht. Dat is bijvoorbeeld bij de
poging en voorbereiding van een strafbaar feit.
, Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering
heeft geopenbaard (art. 45 Sr).
Voorbereidingshandelen: ook het voorbereiden van een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld, is strafbaar gesteld in art. 46 Sr.
Vrijwillige terugtred: alleen wanneer de verdachte uit zichzelf stopt met de voorbereiding of de poging om
het strafbare feit te plegen, is hij niet strafbaar. De verdachte dient dan te worden ontslagen van alle
rechtsvervolging.
Het daderschap, en de deelnemingsvormen medeplegen, doen-plegen, uitlokken en medeplichtigheid
In het strafrecht moet eerst worden vastgesteld wie als dader kan worden aangemerkt. Een dader is
degene die een strafbaar feit heeft gepleegd, of daarvoor juridisch verantwoordelijk kan worden gehouden.
Dat kan zowel een natuurlijk persoon zijn als een rechtspersoon (arrest Drijfmest). Voor rechtspersonen
geldt dat de gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend wanneer deze in de sfeer van de
rechtspersoon is verricht (bijvoorbeeld door werknemers in de normale bedrijfsvoering).
Naast het eigen daderschap kent het Wetboek van Strafrecht verschillende deelnemingsvormen, die de
strafbaarheid uitbreiden naar personen die niet zelf het feit hebben uitgevoerd, maar wel een wezenlijke
bijdrage hebben geleverd:
- Medeplegen (art. 47 Sr): hierbij is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen daders.
Het gaat om een gelijkwaardige bijdrage aan de uitvoering van het feit. Voorbeeld: twee personen
die samen een overval plannen en uitvoeren.
- Doen-plegen (art. 47 Sr): dit betekent dat iemand een ander gebruikt als ‘werktuig’ om een
strafbaar feit te plegen. De feitelijke uitvoerder is dan niet strafbaar (bijvoorbeeld omdat die
minderjarig of ontoerekeningsvatbaar is), terwijl de opdrachtgever als doen-pleger wordt gezien.
- Uitlokken (art. 47 Sr): hierbij brengt de uitlokker een ander tot het plegen van een strafbaar feit
door middel van giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of listige kunstgrepen. De
uitgelokte persoon is de feitelijke pleger; de uitlokker wordt als dader aangemerkt.
- Medeplichtigheid (art. 48 Sr): de medeplichtige levert een ondergeschikte bijdrage aan het delict,
bijvoorbeeld door op de uitkijk te staan of wapens te leveren. Medeplichtigheid wordt lichter
bestraft dan medeplegen, omdat de bijdrage niet gelijkwaardig is aan die van de dader.
Het onderscheid tussen deze vormen is vooral belangrijk voor de strafmaat en de bewijslast. Bij
medeplegen en doen-plegen wordt men als volwaardig dader gezien, terwijl medeplichtigheid slechts een
ondersteunende rol betreft.
De grondslagleer en de opbouw van een tenlastelegging (waaronder
primair/subsidiair/cumulatieve/alternatieve tenlasteleggingen)
De grondslagleer houdt in dat de rechter bij de beoordeling van een strafzaak uitsluitend mag oordelen
over het feit zoals dit in de tenlastelegging is opgenomen. Dit vloeit voort uit art. 348 en 350 Sv: de
tenlastelegging bepaalt de grenzen van het onderzoek ter terechtzitting. Alles wat buiten de tenlastelegging
valt, mag de rechter niet betrekken in zijn oordeel (het beginsel van ‘ne eat iudex ultra petita partium’). Dit
waarborgt rechtszekerheid voor de verdachte, omdat hij precies weet waarvan hij wordt beschuldigd.
De tenlastelegging is het onderdeel van de dagvaarding waarin het feit zo concreet mogelijk wordt
omschreven. Het moet de gedraging, tijd, plaats en omstandigheden bevatten zodat de verdachte zich kan
verdedigen. De formulering van de tenlastelegging bepaalt dus de speelruimte van de rechter.
Er bestaan verschillende manieren om een tenlastelegging op te bouwen:
- Primair/subsidiair: de officier van justitie legt meerdere delicten op hiërarchische wijze voor. Als het
primaire feit niet bewezen wordt, kan de rechter nog wel tot een bewezenverklaring van het
subsidiaire feit komen (bijvoorbeeld primair doodslag, subsidiair mishandeling met de dood tot
gevolg).