Week 1: inleiding, DSM-5 en hybride model
Artikel DSM-5, pp. 645-685
DSM-5 Persoonlijkheidsstoornissen
1. Algemene Diagnostiek en Modellen
De DSM-5 hanteert een overgang van een categorische benadering (je hebt een stoornis
wel of niet) naar een dimensionele benadering (mate van beperking op een continuüm).
Algemene criteria voor een PS:
Een PS is een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedrag dat duidelijk afwijkt
van de cultuur. Dit patroon uit zich op minstens twee van de volgende gebieden:
- Cognitie: Wijze van waarnemen en interpreteren.
- Affectiviteit: Bereik, intensiteit en labiliteit van emoties.
- Interpersoonlijk functioneren.
- Impulsbeheersing.
Kenmerken (De 3 P’s):
- Pervasief: Het patroon is inflexibel en komt tot uiting in persoonlijke en sociale
situaties.
- Persistent: Het patroon is stabiel, van lange duur en begon uiterlijk in de vroege
volwassenheid.
- Pathologisch: Het leidt tot klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het
functioneren.
2. Cluster A: Het "Vreemde/Excentrieke" Cluster
Dit cluster wordt gekenmerkt door sociaal isolement en achterdocht.
- Paranoïde PS: Gekenmerkt door een diep wantrouwen en achterdocht jegens
anderen. Men interpreteert motieven van anderen als kwaadwillend, is snel
beledigd en koestert wrok.
- Schizoïde PS: Gekenmerkt door afstandelijkheid in sociale relaties en een
beperkt bereik in emotionele expressie. Deze personen hebben geen behoefte
aan hechte relaties en kiezen voor solitaire activiteiten
- Schizotypische PS: Gekenmerkt door acute belemmeringen in sociale relaties,
gepaard met cognitieve of perceptuele vervormingen en excentriek gedrag. Denk
aan magisch denken, ongewone zintuiglijke ervaringen en bizarre taal.
,3. Cluster B: Het "Dramatische/Emotionele/ grillige" Cluster
Dit cluster kenmerkt zich door impulsiviteit en moeite met emotieregulatie.
- Antisociale PS: Een patroon van gebrek aan achting voor en schending van de
rechten van anderen. Kenmerken zijn illegaliteit, bedrog, impulsiviteit,
prikkelbaarheid (agressie) en een gebrek aan berouw. De diagnose wordt pas
gesteld vanaf 18 jaar.
- Borderline PS: Gekenmerkt door instabiliteit in interpersoonlijke relaties,
zelfbeeld en affecten, en duidelijke impulsiviteit. Vaak sprake van
verlatingsangst, chronische gevoelens van leegte, suïcidaal gedrag of
zelfbeschadiging.
- Histrionische (Theatrale) PS: Een patroon van excessieve emotionaliteit en
aandacht vragend gedrag. Men voelt zich ongemakkelijk als men niet het
middelpunt van de aandacht is en gebruikt het fysieke uiterlijk om de aandacht
op te eisen
- Narcistische PS: Gekenmerkt door grootheidswaan (in fantasie of gedrag),
behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie. Men is overtuigd van de
eigen superioriteit en is vaak arrogant.
4. Cluster C: Het "Angstige/Vreesachtige" Cluster
Dit cluster kenmerkt zich door angstgevoelens en een sterke behoefte aan controle.
- Vermijdende PS: Gekenmerkt door sociale geremdheid, gevoelens van
tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel. Men vermijdt
contact uit angst voor afwijzing of bespotting.
- Afhankelijke PS: Een overmatige behoefte om verzorgd te worden, wat leidt tot
submissief en aanklampend gedrag en verlatingsangst. Men heeft grote moeite
met het nemen van alledaagse beslissingen zonder hulp.
- Obsessieve-compulsieve (Dwangmatige) PS: Gekenmerkt door een
preoccupatie met ordelijkheid, perfectionisme en controle, ten koste van
flexibiliteit en efficiëntie. Men is vaak overmatig consciëntieus en star in morele
opvattingen. Let op: dit is niet hetzelfde als de dwangstoornis (OCD).
5. Differentiële Diagnostiek en Belangrijke Nuances
Bij het diagnosticeren van een PS moet rekening worden gehouden met:
, - Substantiemisbruik: Symptomen mogen niet louter het gevolg zijn van drugs of
medicatie.
- Medische aandoeningen: Gedragsveranderingen door bijvoorbeeld hersenletsel
vallen niet onder een PS.
- Culturele context: Gedrag moet worden beoordeeld binnen de culturele normen
van het individu.
- Andere psychische stoornissen: Veel PS-kenmerken overlappen met
stemmingsstoornissen (zoals depressie of bipolair) of angststoornissen. Een PS
wordt pas gediagnosticeerd als de patronen persistent zijn, ook wanneer er geen
sprake is van een acute episode van een andere stoornis.
Geslachtsverschillen:
- Mannen: Vaker gediagnosticeerd met Antisociale, narcistische, schizoide,
schizotypisch en paranoide
- Vrouwen: Vaker gediagnosticeerd met Borderline, Histrionische en Afhankelijke
PS.
- Gelijk: vermijdende en obsessieve-compulsieve
Artikel: DSM-5, pp 761-781
Samenvatting: Alternatief DSM-5-model voor Persoonlijkheidsstoornissen
Het alternatieve model is ontwikkeld om de tekortkomingen van het klassieke model
(Sectie II) op te vangen. Het richt zich op twee kernaspekten:
Persoonlijkheidsfunctioneren (hoe iemand functioneert) en Pathologische trekken
(welke specifieke trekken iemand heeft).
1. Criterium A: Niveau van Persoonlijkheidsfunctioneren
Dit criterium meet de ernst van de stoornis op een schaal van 0 (geen beperking) tot 4
(extreme beperking). Een diagnose vereist meestal een score van minstens niveau 2
(matig). Het functioneren wordt verdeeld in twee gebieden:
- Zelf (Intrapsychisch)
o Identiteit: Ervaring van het zelf als uniek, met duidelijke grenzen tussen
zelf en anderen; stabiliteit van zelfgevoel en nauwkeurigheid van
zelfbeoordeling.
o Zelfsturing: Het kunnen stellen van constructieve doelen op korte en
lange termijn; het hanteren van constructieve interne gedragsnormen; het
vermogen tot zelfreflectie.
- Interpersoonlijk
Artikel DSM-5, pp. 645-685
DSM-5 Persoonlijkheidsstoornissen
1. Algemene Diagnostiek en Modellen
De DSM-5 hanteert een overgang van een categorische benadering (je hebt een stoornis
wel of niet) naar een dimensionele benadering (mate van beperking op een continuüm).
Algemene criteria voor een PS:
Een PS is een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedrag dat duidelijk afwijkt
van de cultuur. Dit patroon uit zich op minstens twee van de volgende gebieden:
- Cognitie: Wijze van waarnemen en interpreteren.
- Affectiviteit: Bereik, intensiteit en labiliteit van emoties.
- Interpersoonlijk functioneren.
- Impulsbeheersing.
Kenmerken (De 3 P’s):
- Pervasief: Het patroon is inflexibel en komt tot uiting in persoonlijke en sociale
situaties.
- Persistent: Het patroon is stabiel, van lange duur en begon uiterlijk in de vroege
volwassenheid.
- Pathologisch: Het leidt tot klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het
functioneren.
2. Cluster A: Het "Vreemde/Excentrieke" Cluster
Dit cluster wordt gekenmerkt door sociaal isolement en achterdocht.
- Paranoïde PS: Gekenmerkt door een diep wantrouwen en achterdocht jegens
anderen. Men interpreteert motieven van anderen als kwaadwillend, is snel
beledigd en koestert wrok.
- Schizoïde PS: Gekenmerkt door afstandelijkheid in sociale relaties en een
beperkt bereik in emotionele expressie. Deze personen hebben geen behoefte
aan hechte relaties en kiezen voor solitaire activiteiten
- Schizotypische PS: Gekenmerkt door acute belemmeringen in sociale relaties,
gepaard met cognitieve of perceptuele vervormingen en excentriek gedrag. Denk
aan magisch denken, ongewone zintuiglijke ervaringen en bizarre taal.
,3. Cluster B: Het "Dramatische/Emotionele/ grillige" Cluster
Dit cluster kenmerkt zich door impulsiviteit en moeite met emotieregulatie.
- Antisociale PS: Een patroon van gebrek aan achting voor en schending van de
rechten van anderen. Kenmerken zijn illegaliteit, bedrog, impulsiviteit,
prikkelbaarheid (agressie) en een gebrek aan berouw. De diagnose wordt pas
gesteld vanaf 18 jaar.
- Borderline PS: Gekenmerkt door instabiliteit in interpersoonlijke relaties,
zelfbeeld en affecten, en duidelijke impulsiviteit. Vaak sprake van
verlatingsangst, chronische gevoelens van leegte, suïcidaal gedrag of
zelfbeschadiging.
- Histrionische (Theatrale) PS: Een patroon van excessieve emotionaliteit en
aandacht vragend gedrag. Men voelt zich ongemakkelijk als men niet het
middelpunt van de aandacht is en gebruikt het fysieke uiterlijk om de aandacht
op te eisen
- Narcistische PS: Gekenmerkt door grootheidswaan (in fantasie of gedrag),
behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie. Men is overtuigd van de
eigen superioriteit en is vaak arrogant.
4. Cluster C: Het "Angstige/Vreesachtige" Cluster
Dit cluster kenmerkt zich door angstgevoelens en een sterke behoefte aan controle.
- Vermijdende PS: Gekenmerkt door sociale geremdheid, gevoelens van
tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel. Men vermijdt
contact uit angst voor afwijzing of bespotting.
- Afhankelijke PS: Een overmatige behoefte om verzorgd te worden, wat leidt tot
submissief en aanklampend gedrag en verlatingsangst. Men heeft grote moeite
met het nemen van alledaagse beslissingen zonder hulp.
- Obsessieve-compulsieve (Dwangmatige) PS: Gekenmerkt door een
preoccupatie met ordelijkheid, perfectionisme en controle, ten koste van
flexibiliteit en efficiëntie. Men is vaak overmatig consciëntieus en star in morele
opvattingen. Let op: dit is niet hetzelfde als de dwangstoornis (OCD).
5. Differentiële Diagnostiek en Belangrijke Nuances
Bij het diagnosticeren van een PS moet rekening worden gehouden met:
, - Substantiemisbruik: Symptomen mogen niet louter het gevolg zijn van drugs of
medicatie.
- Medische aandoeningen: Gedragsveranderingen door bijvoorbeeld hersenletsel
vallen niet onder een PS.
- Culturele context: Gedrag moet worden beoordeeld binnen de culturele normen
van het individu.
- Andere psychische stoornissen: Veel PS-kenmerken overlappen met
stemmingsstoornissen (zoals depressie of bipolair) of angststoornissen. Een PS
wordt pas gediagnosticeerd als de patronen persistent zijn, ook wanneer er geen
sprake is van een acute episode van een andere stoornis.
Geslachtsverschillen:
- Mannen: Vaker gediagnosticeerd met Antisociale, narcistische, schizoide,
schizotypisch en paranoide
- Vrouwen: Vaker gediagnosticeerd met Borderline, Histrionische en Afhankelijke
PS.
- Gelijk: vermijdende en obsessieve-compulsieve
Artikel: DSM-5, pp 761-781
Samenvatting: Alternatief DSM-5-model voor Persoonlijkheidsstoornissen
Het alternatieve model is ontwikkeld om de tekortkomingen van het klassieke model
(Sectie II) op te vangen. Het richt zich op twee kernaspekten:
Persoonlijkheidsfunctioneren (hoe iemand functioneert) en Pathologische trekken
(welke specifieke trekken iemand heeft).
1. Criterium A: Niveau van Persoonlijkheidsfunctioneren
Dit criterium meet de ernst van de stoornis op een schaal van 0 (geen beperking) tot 4
(extreme beperking). Een diagnose vereist meestal een score van minstens niveau 2
(matig). Het functioneren wordt verdeeld in twee gebieden:
- Zelf (Intrapsychisch)
o Identiteit: Ervaring van het zelf als uniek, met duidelijke grenzen tussen
zelf en anderen; stabiliteit van zelfgevoel en nauwkeurigheid van
zelfbeoordeling.
o Zelfsturing: Het kunnen stellen van constructieve doelen op korte en
lange termijn; het hanteren van constructieve interne gedragsnormen; het
vermogen tot zelfreflectie.
- Interpersoonlijk