HET MODERNE KUNSTBEGRIP
Kunst -> begrip bestaat al veel langer dan de 18de eeuw -> ver terug in de menselijke geschiedenis
- Moderne begrip ‘kunst’ -> ontstaan in de late 18e eeuw
o Product van Verlichting, industriële revolutie (economische en sociale deel), kapitalisme
o Kunst als onderdeel van de moderniteit
Voordien: andere betekenissen, ander gebruik
- Kunst als een “autonoom” fenomeen, los van andere zaken
o Kunst was daarvoor ingebed in bepaalde zaken; godsdienst
o Artistieke disciplines waren afkomstig van religieuze zaken
Museum ontstaat doordat kunst los staat van de samenleving
Ontstaan van kunstgeschiedenis (met architectuurgeschiedenis)
Ontstaan van archeologie -> periode van ontdekkingen, vb. Pompeii
Ontstaan van filosofische discipline van de esthetica
ONTSTAAN VAN FILOSOFISCHE DISCIPLINE VAN DE ESTHETICA
BELANGRIJKE PERSONEN
1. Friedrich Wilhelm
2. Joseph Schelling
3. Friedrich Schiller
4. Immanuel Kant
ALEXANDER GOTTLIEB BAUMGARTER
1ste die de term esthetica gebruikte zoals wij hem kennen
Reserveerde de term esthetiek voor reflectie over schoonheid -> filosofische reflectie daarover
Vroegere term esthetica = de leer van waarneming (in het algemeen)
Ontwikkeling van de term esthetica als een filosofische discipline
IMMANUEL KANT
Geassocieerd met verlichting
o “verlichting is het ontkomen van de mens aan de onmondigheid waaraan hij zelf schuldig
is”
Grondlegger van het Duits idealisme en romantiek
o Romantiek; antiverlichtingselementen
Maker van 3 boeken/ kritieken
1. Kritik der reinen Vernunft; epistemologie, onderzoek naar de grotslagen van kennis
2. Kritik der praktischen Vernunft; moraal filosofie
3. Kritik der Urteilskraft (1790); oordeelsvermogen
a. Esthetica = belangrijk domein
b. Aanzet tot cirkelredenering (Kant)
c. Theoretisch + autonoom => zuiver denken
Modern
o Esthetische wordt ingeroepen vanuit bewustzijn van een crisis
o Breuk van de mens en de wereld, de mens en zichzelf
Opening tot hoe we onszelf tot de wereld kunnen verhouden
, Het schone
o Waarneming ervan -> gevoel van genieten
o We voelen het vlug aan, sensibiliteit = globale synthese
o Verhouding schone en goede (relatie + verschil beklemtonen)
Verschil: goede hangt af van het doel/ functionaliteit
Schone: belangeloosheid
Verschilt van behaaglijk
Universaliteit en algemeen geldigheid van ethische oordeel
o Ethische gevoel: meer dan louter zintuigelijke waarneming
o Belangeloosheid => universaliteit
o Verbeelding en verstand
Verstand: rationeel element, er kan over gediscuteerd worden
o Paradox van doelmatigheid zonder doel
Zweckmässigkeit ohne Zweck
o Het schone lijkt ons als iets opgedrongen -> iedereen moet iets schoon vinden
Kunstschoon en natuurschoon
o Verschil: ervaarder beseft dat kunst door de mens is gemaakt
o Bij Kant wordt dit verschil geminimaliseerd
o Creatief principe aanwezig in de natuur
o Goede kunstwerken geven de illusie dat ze niet gemaakt zijn
o Moderne kunst = fragmentarisch
Schone vs sublieme, erhabene
o Schoonheid heeft te maken met een zintuigelijke vorm -> kan een boven zintuigelijk idee
opwekken
o Sublieme; vormeloosheid, overstijgt de vorm, verwoestende kracht…
Natuurverwoestende fenomenen
Late 18de eeuw (industriële revolutie) er is iets
moois in het verwoestende idee van de natuur
Landschappen waar gevaar in zit -> gevaar dat
op afstand blijft
Caspar David Friedrich
Romantische schilder
‘wandelaar boven de
wolkenzee’
Eenzame persoon langs de rug
, Visualisering van de eindeloosheid
o Weinig detail/ geen opstapeling
o Machteloosheid van de figuur tov het machtig landschap
GEORG WILHELM FREIDRICH HEGEL
(1770-1831)
Kunst en het schone verbinden aan de geschiedenis
o Verbonden aan een historisch concept
Visie kunst en geschiedenis zijn aan elkaar verbonden
Geschiedenis: neerslag van ontwikkeling van de Geist/ Geest
o Christelijke, spirituele connotaties
o Beschrijven als het denken/ het mentale
Steeds verder gaande abstrahering
Vooruitgangsfilosofie
Kunst is de zintuigelijke waarneembare verschijning van Geist
o Kunst: oppervlakteverschijnsel
Zintuigelijke kennis (zoals Kant en Baumgarten) wordt gedevalueerd
Voortuig van het denken
o Kunst: niet meer dan vehikel van het denken/Geist
o Kunst: eerder representatie van bepaalde cultuur dan bijdrage tot die cultuur
o Kunst: symbolisch
o Belangrijkste functie kunst: representeren en articuleren van Goddelijke in materiële
vorm -> gestalte geven aan de geest
3 STADIA VEN KUNST = 3 STADIA VAN GEIST
Onderscheiding in de stappen van de kunst = in de stappen van de geschiedenis
1. Symbolisch ~ architectuur -> visualiseren de zwaarte van de materialen perfect
2. Klassiek ~ beeldhouwkunst -> menselijk lichaam staat centraal, beantwoord aan het denken
3. Romantisch/modern ~ schilderkunst -> abstractie
Ontwikkeling van de cultuurgeschiedenis
IDEE: KUNST ZAL OOK EEN EINDE HEBBEN
Opeenvolging van stadia: weerspiegelt steeds individueler wordende mens -> subjectieve indrukken
worden belangrijker dan objectieve vorm
- Uiteindelijk einde van de kunst: immaterialisering
o Kunst wordt filosofie of religie
o Kunst wordt getransformeerd tot een soort spiritualiteit
- Geschiedenis van de kunst: geen cyclisch proces maar lineair met doel
- Kunstwerken uit het verleden -> enkel begrepen worden vanuit standpunt van heden (Hegel)
o Wij hebben beter begrip van kunstwerken dan tijdsgenoten