2026 / vwo
,INHOUD
M- Molecuul- en celniveau .................................................................................................. 4
M1 Eiwitsynthese, subdomein B1 ....................................................................................4
B1.1 DNA ........................................................................................................................4
B1.2 EIwitsynthese ..........................................................................................................5
M2 stofwisseling in de cel, subdomein B2 ......................................................................6
B2.1 homeostase ............................................................................................................6
B2.2 transport..................................................................................................................7
B2.3 Assimilatie en Dissimilatie .......................................................................................9
M3 zelforganisatie van cellen subdomein C1 ............................................................... 13
C1.1Genexpressie......................................................................................................... 13
C1.2 Celdifferentiatie ..................................................................................................... 14
M4 Moleculaire en Cellulaire interacties Subdomeinen D1 en D2 ............................... 16
D1.1 Genregulatie en interactie met (a)biotische factoren ............................................. 16
D2.1 Celcommunicatie en interactie met (a)biotische factoren ...................................... 17
M7 reproductie van het organisme Subdomein E3 ...................................................... 18
E3.2 Erfelijke eigenschappen ........................................................................................ 18
M8 Selectie Subdomein F1 ............................................................................................. 20
F1.1 DNA ...................................................................................................................... 20
F1.2 Mutatie .................................................................................................................. 20
F1.3 Recombinatie ........................................................................................................ 21
F1.4 Genetische variatie................................................................................................ 22
O- orgaan en organismeniveau .........................................................................................24
O1 stofwisseling van het organisme subdomein B3 .................................................... 24
B3.1 Orgaan .................................................................................................................. 24
B3.2 Fotosynthese ........................................................................................................ 25
B3.3 Ademhaling ........................................................................................................... 26
B3.4 Vertering ............................................................................................................... 28
B3.5 Uitscheiding .......................................................................................................... 30
B3.6 TRansport ............................................................................................................. 31
O2 Zelfregulatie van het organisme Subdomein B4 ..................................................... 34
B4.1 Homeostase .......................................................................................................... 34
B4.2 Hormonale Regulatie ............................................................................................ 36
B4.3 Neurale Regulatie ................................................................................................. 37
O3 Afweer van het organisme Subdomein B5 .............................................................. 40
, B5.1 Afweer................................................................................................................... 40
O9 reproductie van het organisme subdomein E3 ....................................................... 45
E3.1 Voortplanting ......................................................................................................... 45
P populatie en ecosysteemniveau ....................................................................................48
P1 regulatie van ecosystemen subdomein B8.............................................................. 48
B8.1 Energiestroom ....................................................................................................... 48
B8.2 Kringloop ............................................................................................................... 50
B8.3 Dynamiek en evenwicht ........................................................................................ 53
P2 Zelforganisatie van ecosystemen Subdomein C3 ................................................... 56
C3.1 Dynamiek en evenwicht ........................................................................................ 56
P3 interactie in ecosystemen subdomein D5................................................................ 58
D5.1 Voedselrelatie ....................................................................................................... 58
D5.2 Duurzame ontwikkeling ......................................................................................... 59
P4 soortvorming subdomein F2 .................................................................................... 61
F2.1 Populatie ............................................................................................................... 61
F2.2 Variatie .................................................................................................................. 62
F2.3 Selectie ................................................................................................................. 63
F2.4 Soortvorming ......................................................................................................... 65
, M- MOLECUUL- EN CELNIVEAU
M1 EIWITSYNTHESE, SUBDOMEIN B1
B1.1 DNA
Bouw van DNA en RNA, en de verschillen hierin.
Het geheel aan erfelijke informatie noem je het genoom. DNA bevat de genetische
informatie. DNA is een nucleïnezuur en bestaat uit twee strengen (dubbelstrengs). Elke
streng is opgebouwd uit nucleotiden. Een nucleotide bestaat uit: desoxyribose (suiker),
fosfaatgroep, stikstofbase (A, T, C, G). Nucleotiden zijn verbonden via suiker-
fosfaatbindingen → vormt een keten. Twee ketens vormen samen een dubbele helix
(spiraal). Strengen lopen antiparallel (3’–5’ en 5’–3’). Basenparing: A ↔ T, C ↔ G.
Verbonden door waterstofbruggen. Strengen zijn complementair. DNA zit in
chromosomen. Gewikkeld rond histonen → vormt nucleosomen.
Bouw van RNA: RNA is ook een nucleïnezuur, Bestaat uit één streng (enkelstrengs).
Opgebouwd uit nucleotiden met: ribose (suiker), fosfaatgroep en stikstofbasen (A, U, C, G).
De verschillen tussen de bouw van DNA en RNA : DNA is dubbelstrengs en RNA
enkelstrengs. DNA bestaat uit desoxyribose, RNA uit ribose. Daarnaast heeft DNA de
nucleotide thymine (T), RNA heeft in de plek voor thymine, Uracil (U). De structuren
verschillen ook van elkaar, dna heeft een dubbele helix structuur, RNA heeft meestal losse
strengen.
Functies DNA, mRNA, tRNA en rRNA:
DNA bevat de erfelijke informatie van een organisme en vormt de basis voor alle processen
in de cel, doordat het de code bevat voor de opbouw van eiwitten. Tijdens transcriptie wordt
een deel van het DNA overgeschreven in mRNA, dat fungeert als een boodschapper die
deze genetische informatie van de celkern naar de ribosomen in het cytoplasma brengt.
Daar wordt de informatie gebruikt voor de eiwitsynthese. tRNA speelt hierbij een belangrijke
rol door specifieke aminozuren uit het cytoplasma te binden en naar het ribosoom te
vervoeren. Met behulp van een anticodon herkent tRNA de juiste codons op het mRNA,
zodat de aminozuren in de juiste volgorde worden gekoppeld. rRNA vormt een essentieel
onderdeel van het ribosoom en zorgt ervoor dat de aminozuren aan elkaar worden
verbonden tot een polypeptideketen. Samen zorgen DNA, mRNA, tRNA en rRNA ervoor dat
de genetische informatie wordt omgezet in functionele eiwitten, die uiteindelijk de
eigenschappen en functies van een cel bepalen.
Toelichten wat het verband is tussen molecuulstructuur en functie van DNA, mRNA, tRNA en
rRNA;
De functie van DNA en RNA hangt samen met hun structuur. DNA is dubbelstrengs en
stabiel, waardoor het geschikt is voor het opslaan van erfelijke informatie. mRNA is
enkelstrengs en kan zich verplaatsen als boodschapper. tRNA heeft een specifieke vorm om
aminozuren te vervoeren en codons te herkennen, en rRNA vormt het ribosoom en helpt bij
de vorming van eiwitten. Kern-DNA bevat de meeste informatie, terwijl mitochondriaal DNA
en chloroplast-DNA betrokken zijn bij energieproductie en fotosynthese.