Bevat alle leerstof én voorzien van heel veel voorbeelden
Geschreven aan de hand van:
De leerdoelen
De hoofdstukken uit OpenMens
De stof op Brightspace (de opdrachten)
Extra duidelijk gemaakt met afbeeldingen en tussendoor herhaling van
de stof
Als je deze samenvatting goed leert haal je minimaal een 9!
Inhoudsopgave
Thema 1 - Experimenten.................................................................................2
1.2 Experimentele designs.............................................................................................. 6
1.3 Validiteit bij experimenten......................................................................................11
1.4 - Ethiek van experimenteel onderzoek....................................................................14
1.5 - Power van experimentele designs........................................................................15
Thema 2 - T-toets.........................................................................................18
2.1 - t-toets................................................................................................................... 18
Thema 3 - Variantieanalyse...........................................................................23
3.1 One-way ANOVA..................................................................................................... 23
Thema 4 - Experimentele controle.................................................................27
4.1 Factoriële ANOVA.................................................................................................... 28
Thema 5 - Statistische controle.....................................................................32
5.1 - Covariantieanalyse............................................................................................... 32
Thema 6 - Herhaalde metingen....................................................................36
6.1 - Single-case designs.............................................................................................. 36
6.2 - Herhaalde metingen ANOVA.................................................................................39
Onderzoekspracticum experimenteel onderzoek
,Thema 1 - Experimenten
1. Volledig gerandomiseerd design
Randomisatie op individueel niveau.
Sterk voor causaliteit
2. Quasi-experimenteel design
Bij een quasi-experiment worden groepen niet willekeurig verdeeld.
De groepen bestaan in dit geval al.
Probleem: groepen kunnen verschillen
Zwak voor causaliteit (kan ook door groepsverschillen)
Maar wel realistischer (hogere ecologische validiteit)
3. Gedeeltelijke gerandomiseerd design (cluster randomisatie)
Dit design zit tussen de twee designs in.
Hier worden groepen (clusters) random verdeeld, maar niet de
individuele personen (bv. hele klassen random verdelen, maar de
leerlingen zitten niet random in een klas).
De randomisatie gebeurt op groepsniveau en niet op individueel niveau
Middel sterk voor causaliteit
Binnen proefpersoon-, tussenproefpersoon- en mixed design
1. Binnen proefpersoon design (within-subjects)
Je vergelijkt iemand met zichzelf
Dezelfde deelnemers doen alle condities
Bv. lachen meten na pizza eten en lachen meten na hutspot eten
Voordeel: minder last van verschillen tussen personen en minder
deelnemers nodig
Nadeel: volgorde-effecten (wat je eerst doet beïnvloedt wat je daarna
doet)
Oplossing = counterbalancing (volgorde wisselen)
2. Tussenproefpersoon design (between-subjects)
Je vergelijkt verschillende groepen mensen met elkaar.
Iedere deelnemers doet maar één conditie
Bv. groep 1: wel therapie en groep 2: geen therapie
Voordeel: geen last van volgorde-effecten
Nadeel: groepen kunnen van elkaar verschillen
3. Mixed design
Een combinatie van beide
2
,Bv:
Je meet 40 mensen in twee groepen (therapie vs. geen therapie). Je
vergelijkt vervolgens deze twee groepen (tussenproefpersoon)
En je meet de angst bij iedereen op drie momenten: voor de start,
halverwege en aan het eind. Je meet dan dus de persoon over tijd
(binnenproefpersoon)
Je kijkt dus naar de verschillen tussen groepen én naar de individuele
veranderingen binnen die groepen Dus: verschillende groepen met meerdere
metingen per persoon
Overzicht:
3 manieren van experimentele controle bij gedeeltelijke randomisatie
Als volledige randomisatie niet kan, kun je andere manieren gebruiken om
groepen zo gelijk mogelijk te maken
Dit heet experimentele controle: storende variabelen proberen te
beheersen
Een storende variabele is iets dat invloed kan hebben op de uitkomst. Bv: leeftijd,
geslacht, opleidingsniveau
1. Blokontwerp (gerandomiseerd blokontwerp)
Identificeer de stoorzender: Je kijkt welke variabele je resultaten kan
beïnvloeden, maar waar je eigenlijk niet in geïnteresseerd bent
(bijvoorbeeld leeftijd, geslacht).
Vorm blokken: Je deelt je onderzoeksgroep op in blokken waarin deze
variabele constant is. Bijvoorbeeld: een blok met mannen en een blok met
vrouwen.
Randomiseer binnen het blok: Binnen elk blok worden de deelnemers
daarna random verdeeld onder controle/experimentele conditie
3
, Het resultaat: Eventuele verschillen tussen mannen en vrouwen worden
"geïsoleerd". Je kunt nu met veel meer zekerheid zeggen wat het effect van het
medicijn zélf is.
Dus:
Eerst indelen in jongeren, middelbaren, ouderen
Of in mannen/vrouwen
Binnen elk blok worden de proefpersonen daarna willekeurig (random)
verdeeld over de experimentele conditie (bijvoorbeeld medicijn) en de
controlegroep (placebo).
Bij een experiment met:
2 condities (medicijn en placebo)
En 2 blokken (bv. mannen en vrouwen)
Ontstaan er 2x2 = 4 onderzoeksgroepen
Dit ontwerp zorgt voor meer precisie en haalt de "ruis" uit je data. Het is
geschikt wanneer er een beperkt aantal verstorende variabelen zijn. Wel
zijn er meestal meer proefpersonen nodig, omdat elke combinatie voldoende
deelnemers moet bevatten.
2. Matchen
Dit is de "extreme" vorm van blokken.
Je macht hierbij identieke koppeltjes van 2/3 personen.
Van dit koppel wordt dan 1 de controlegroep en de ander de
experimentele groep (random)
Bij matchen wordt geprobeerd om de experimentele groep en de controlegroep
zo gelijk mogelijk te maken op belangrijke achtergrondkenmerken.
Bij blokken gaat het dus om groepen en bij matchen om enkele paren.
4