DSM-5 algemene criteria persoonlijkheidsstoornissen
A. Een blijvend patroon van innerlijke ervaring en gedrag dat duidelijk
afwijkt van de verwachtingen van de cultuur van het individu
Dit patroon manifesteert zich op twee (of meer) van de volgende
gebieden:
1. Cognitie (manieren om zichzelf, andere mensen en
gebeurtenissen waar te nemen en te interpreteren)
2. Affectiviteit (het bereik, de intensiteit, aansprakelijkheid en de
gepastheid van emotionele respons)
3. Interpersoonlijk functioneren
4. Impulscontrole
B. Het blijvende patroon is star en aanwezig in een breed scala van
persoonlijke en sociale situaties
C. Het blijvende patroon leidt tot klinisch significante lijden of
beperkingen in sociale, beroepsmatige of andere belangrijke
gebieden van functioneren (functionele beperkingen en distress)
D. Het patroon is stabiel en van lange duur, en het begin kan op zijn
minst worden teruggevoerd naar de adolescentie of vroege
volwassenheid
E. Het blijvende patroon is niet beter te verklaren als een manifestatie
en gevolg van een andere psychische stoornis
F. Het aanhoudende patroon is niet te wijten aan de directe
fysiologische effecten van een substantie of een algemene medische
aandoening
3 P’s: Om een diagnose te kunnen stellen volgens dit model, moet het
gedragspatroon voldoen aan de zogenaamde 3 P's
- Pervasief: het patroon is star en aanwezig in een breed scala aan
persoonlijke en sociale situaties
- Pathologisch: het leidt tot klinisch significant lijden of beperkingen
in het sociaal of beroepsmatig functioneren
- Persistent: het patroon is stabiel en van lange duur, waarbij het
begin kan worden teruggevoerd naar de adolescentie of vroege
volwassenheid.
1
,Alternatief model:
In het originele alternatieve model missen de volgende
persoonlijkheidsstoornissen:
Paranoïde, Schizoïde, Histrionisch en Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis.
Dit is door een gebrek aan empirisch bewijs voor hun validiteit en klinisch
nut. Voor patiënten die kenmerken vertonen van de verwijderde
stoornissen, biedt het model de mogelijkheid om de diagnose
‘persoonlijkheidsstoornis-gespecificeerd’ (Trekgespecificeerde
persoonlijkheidsstoornis (TGPS)) te stellen op basis van algemene
beperkingen in het functioneren en specifieke pathologische trekken.
Het belangrijkste instrument voor het beoordelen van Criterium A is het
STIP-5.1 (Semi-gestructureerd Interview voor
Persoonlijkheidsfunctioneren). Het niveau van verstoring wordt gescoord
op een schaal van 0 tot 4: enige, matige, ernstige of extreme beperking.
De PID-5 (Personality Inventory for DSM-5) is specifiek ontworpen om de
25 pathologische facetten van Criterium B te meten
(zelfrapportagevragenlijst)
Het alternatieve model wordt als superieur beschouwd aan het oude
model omdat het beter onderscheid makt tussen de PS en andere klinische
stoornissen. Het is specifieker en geeft een betere weergave van de ernst
van de stoornis.
Trekgespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (TGPS)
A. Matige of ernstigere beperking in het persoonlijkheidsfunctioneren,
zich manifesterend in karakteristieke moeilijkheden op twee of meer
van de volgende vier terreinen:
Het Zelf: Bestaande uit identiteit (uniekheid en zelfbeeld) en
zelfsturing (doelen stellen en reflectie).
Identiteit: Dit gaat over het ervaren van jezelf als een uniek
individu met duidelijke grenzen tussen jezelf en anderen, Het
omvat de stabiliteit van je zelfbeeld, een accurate zelfwaardering
en het vermogen om een breed scala aan emoties te ervaren en
te reguleren
Zelfsturing: Dit betreft het vermogen om samenhangende en
betekenisvolle doelen op de korte en lange termijn na te streven.
Daarnaast gaat het om het hanteren van constructieve en
2
, prosociale interne gedragsnormen en het vermogen tot
productieve zelfreflectie
Interpersoonlijk: Bestaande uit empathie (begrip voor anderen)
en intimiteit (diepte van verbinding).
Empathie: Dit is het begrijpen en waarderen van de ervaringen
en motieven van anderen. Het omvat ook tolerantie voor
verschillende perspectieven en inzicht in de effecten van je eigen
gedrag op anderen
Intimiteit: Dit kijkt naar de diepte en duurzaamheid van de
verbondenheid met anderen. Het gaat om het verlangen naar en
het vermogen tot nabijheid, evenals wederkerigheid en
betrokkenheid in sociaal gedrag
B. Een of meer domeinen van pathologische persoonlijkheidstrekken of
specifieke trekfacetten binnen domeinen, waarbij alle domeinen
overwogen kunnen worden:
1. Negatieve affectiviteit (versus emotionele stabiliteit):
Frequent optredende en intense gewaarwording van hoge
niveaus van een breed scala van negatieve emoties
(bijvoorbeeld angst, depressiviteit, schuldgevoelens/
schaamte, bezorgdheid, boosheid), hun gedragsmatige
manifestaties (bijvoorbeeld zelfbeschadiging) en
interpersoonlijke manifestaties (bijvoorbeeld afhankelijkheid).
2. Afstandelijkheid (versus extraversie): Het vermijden van
sociaal-emotionele ervaringen, met zowel sociale
teruggetrokkenheid (variërend van oppervlakkige, dagelijkse
contacten tot vriendschappen en intieme relaties) en
ingeperkte affectiviteit, met vooral een beperkt vermogen om
te genieten.
3. Antagonisme (versus vriendelijkheid): Gedragingen waardoor
mensen onenigheid met anderen krijgen, bijvoorbeeld een
overdreven gevoelvan belangrijkheid met de bijbehorende
verwachting van een speciale behandeling, maar ook
ongevoelige antipathie jegens anderen, waarbij de persoon
zich niet bewust is van de behoeften en gevoelens van
anderen; en de bereidheid anderen te gebruiken om er zelf
beter van te worden.
4. Ongeremdheid (versus consciëntieusheid): Gerichtheid op
directe bevrediging die leidt tot impulsief gedrag, aangestuurd
door de gedachten, gevoelens en externe stimuli van het
moment, zonder rekening te houden met het uit het verleden
geleerde en zonder stil te staan bij de gevolgen voor de
toekomst.
3