7.1 Sparen en lenen, nominale en reële rente
Bij sparen heb je nu minder en later meer. Bij lenen heb nu meer en later minder. Je ruilt dus
over tijd. Tijd heeft een prijs in de vorm van rente. Rente is een beloning voor het uitstellen
van de consumptie en het lopen van risico. Je spaarbedrag wordt door de rente meer. Lage
rente betekent goedkope tijd (lang sparen om tijd in te ruilen voor consumptie). Hoge rente
betekent dure tijd (levert meer consumptie op door hoge rente).
Je kan ook investeren in bijvoorbeeld menselijk kapitaal, je investeert nu in een studie om
later een hoger salaris te krijgen.
Bij sparen en lenen moet je ook rekening houden met de veranderingen van het prijspeil.
Nominale rente is de rente die je werkelijk ontvangt door te sparen of moet betalen bij lenen.
Als de prijzen ieder jaar flink stijgen door inflatie is sparen bij een lage rente niet voordelig.
Niet altijd leidt de toename van het spaargeld tot een toename van de koopkracht, want in
diezelfde periode kunnen ook de prijzen van goederen zijn gestegen. Reële rente geeft de
verandering van de koopkracht van het spaargeld aan. De nominale rente houdt dus geen
rekening met de inflatie en reële rente wel.
Om de reële rente uit te rekenen moet je gebruik maken van indexcijfers en de formule
RIC = NIC:PIC x 100
Reële index cijfer= nominale indexcijfer : consumentenprijs indexcijfer
7.3 Het Nederlandse pensioenstelsel (Drie pijlers: AOW, bedrijfspensioen en
zelf voorzieningen treffen)
Ouderen krijgen via de AOW (Algemene Ouderdoms Wet) een uitkering. Dit wordt
gefinancierd via het omslagstelsel. Via het omslagstelsel wordt geld van niet
gepensioneerde werkende Nederlanders ingehouden van hun brutoloon, wat direct gebruikt
wordt voor de huidige personen die met pensioen zijn. En als die mensen dan weer
gepensioneerd zijn, betalen de Nederlanders die dan werken voor hun AOW. Het
omslagstelsel is wel gevoelig voor veranderingen en bevolkingsopbouw (meer oudere dan
jongere, gezonder oud worden, meer niet-werkende dan werkende, meer zzp’ers). Een
oplossing hiervoor is bijvoorbeeld een verhoging van de AOW-leeftijd.
Via de werkgever krijg je ook een bedrijfspensioen, dat is een tweede uitkering die
gefinancierd wordt via het kapitaaldekkingsstelsel. Je spaart dan nu voor later.
Afhankelijk van wat je verdiende tot je pensioen en het aantal jaar dat je gewerkt hebt
bepaald hoeveel geld de uitkering is. Je kan ook een pensioenpremie afdragen aan het
pensioenfonds, dat deze premie in bijvoorbeeld aandelen belegt. Het is wel gevoelig voor
economische situaties.
Je kan ook zelf sparen voor de oude dag door geld maandelijks opzij te leggen en de
spaarrente te gebruiken of door zelf te investeren in aandelen. Je kan ook een
lijfrenteverzekering afsluiten, dan kan je via een verzekering geld sparen.
zzp'ers moeten een van deze dingen doen omdat ze niet een bedrijfspensioen opbouwen
doordat ze voor zichzelf werken en de AOW niet genoeg is.