Thema 1 Inleiding in de adolescentiepsychologie
Studietaak 1.1 Adolescentie in de levensloop
Hoofdstuk 1 Inleiding
Hoe de begrippen adolescentie en puberteit zich tot elkaar verhouden:
Adolescentie (breder dan puberteit)
De periode tussen de kinderjaren en volwassenheid waarin allerlei lichamelijke en mentale
ontwikkelingen plaatsvinden, deze vinden plaats in interactie met elkaar en de omgeving.
o Belangrijkste ontwikkelingstaak = ontwikkelen van een eigen identiteit (Erikson, 1968)
Van een besef van identiteit is sprake als de jongere zichzelf beleeft als iemand met
een eigen herkenbare levensstijl die consistent is en voor anderen herkenbaar.
Puberteit
Hormonale ontwikkeling die geslachtsrijping en andere rijpings- en ontwikkelingsprocessen
aanstuurt, als gevolg waarvan er stemmings- en gedragsveranderingen optreden (‘puberen’).
Om praktische redenen worden soms de volgende leeftijdsgrenzen van adolescentie gebruikt:
1. Vroege adolescentie – tussen 10 en 13 jaar
2. Midden adolescentie – tussen 14 en 18 jaar
3. Late adolescentie – tussen 19 en 23 jaar
4. Verlengde adolescentie – meestal tot 25 jaar
5. Volwassenheid – meestal vanaf 25 jaar (als volwassen taken zijn opgenomen)
a. Nieuwe ontwikkelingstaak = aangaan van meer vaste persoonlijke, intieme relaties
b. Nieuwe ontwikkelingstaak = zorg voor de volgende generatie
Let op bovenstaande kan per individu verschillen en is ook afhankelijk van culturele aspecten!
Drie redenen waarom het begin van de adolescentie niet alleen biologische veranderingen omvat:
1. Hormonale veranderingen beginnen al voor de puberteit en voor ze waarneembaar zijn
2. Het psychische ontwikkelingsproces loopt niet altijd synchroon met de lichamelijke rijping
3. Er zijn ook al belangrijke veranderingen te zien die sociaal en cultureel bepaald zijn
(denk aan de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs)
Emerging adulthood: Jongeren in westerse, geïndustrialiseerde landen nemen steeds langer deel
aan het onderwijs, gaan later werken, wonen langer thuis en gaan later een
vaste relatie of huwelijk aan (ook wel verlengde adolescentie genoemd).
Quarterlife crisis: Emerging adulthood leidde tot het formuleren van een nieuwe crisis waarin
jongeren van rond de 25 jaar moeilijkheden ervaren bij het vinden van een
plaats in de volwassen wereld. Het meeste onderzoek spreekt het bestaan
van een echte crisis tegen: met de meeste jongeren gaat het prima tijdens
deze periode en neemt het welzijn zelfs toe (Arnett, 2007).
Storm and Stress: Verwijst naar de opvatting dat de adolescentie een periode is van grote
emotionele beroering en opstandigheid (Hall, 1904), de term is afgeleid van
de Duitse Sturm und Drang-beweging in de muziek en literatuur. Er is nu veel
kritiek op de opvatting, omdat bijna iedereen in de adolescentie wel wat
stress ervaart, maar ook bijna iedereen er uiteindelijk goed doorheen komt.
,Wanneer kunnen problemen in de adolescentie wel duiden op een stoornis in de ontwikkeling?
(Steinberg, 2008)
1. Langdurige stemmings- of gedragspatronen (versus eenmalige)
Uitproberen (van alcohol, drugs, antisociaal gedrag) en snelle stemmingswisselingen zijn
meestal onschadelijk en niet per se gekoppeld aan ingrijpende en langdurige problematiek.
2. Spanningen als symptomen van (dreigende) stoornis (versus algemene spanningen)
Vooral bij internaliserende stoornissen bestaat het gevaar dat dit onderscheid niet wordt
gemaakt en men ten onrechte aanneemt dat ernstige problemen ook vanzelf overgaan.
3. Problemen met wortels in de kindertijd (versus voortkomend uit de adolescentie)
a. Adolescence-limited (voortkomend uit adolescentie)
Problemen gaan vaak over zonder directe consequenties voor verder functioneren.
b. Life-course-persistent (ontstaan vóór adolescentie)
Deze problematiek zal na de adolescentie nog voortduren.
Als karakteristiek voor de fase van de adolescentie worden vooral gezien:
1. Vormen van een eigen identiteit en bereiken van autonomie ten opzichte van de ouders
2. Manieren van omgaan met bepaalde innerlijk beleefde conflicten
(bijvoorbeeld in verband met ambivalente gevoelens ten opzichte van de ouders)
3. Een bepaald niveau van cognitief functioneren
(bijvoorbeeld wat betreft het denken over morele vraagstukken)
Thema’s en ontwikkelingstaken voor adolescenten onderscheiden door Spanjaard & Slot (2015):
1. Positie t.o.v. de ouders
Minder afhankelijk worden van de ouders en het bepalen van een eigen plaats binnen de
veranderende relaties in het gezin en de familie.
2. Onderwijs of werk
Kennis en vaardigheden opdoen voor beroepsuitoefening en maken van een keuze qua werk.
3. Vrije tijd
Ondernemen van activiteiten en zinvol doorbrengen van de tijd zonder verplichtingen.
4. Eigen woonsituatie
Zorgdragen voor eigen kamer en spullen, omgaan met je huisgenoten.
5. Autoriteit en instanties
Accepteren van entiteiten boven je, binnen de geldende kaders voor jezelf opkomen.
6. Gezondheid en uiterlijk
Zorgen voor goede voeding en een goede lichamelijke conditie, een uiterlijk waar je je prettig
bij voelt en het inschatten en vermijden van risico’s.
7. Sociale contacten en vriendschappen
Contacten leggen en onderhouden, oog hebben voor wat contacten kunnen opleveren, je
openstellen voor vriendschap, vertrouwen geven en nemen, wederzijdse acceptatie.
8. Sociale media en internet
Smartphone en computer gebruiken, informatie vinden en delen, informatie en berichten
wegen, onderscheid tussen de virtuele en de reële werkelijkheid, gevaren onderkennen.
9. Intimiteit en seksualiteit
Seksualiteit integreren in je persoonlijkheid, ontdekken wat mogelijkheden, wensen en
grenzen zijn in intieme en seksuele relaties bij jezelf en anderen.
10. Bij cultuurverschillen
Verschillende culturen kennen, inschatten welke vaardigheden in welke context passend zijn.
,Voorbeelden van life events van invloed (positief of negatief) op de hierboven genoemde thema’s:
Positie t.o.v. de ouders
Scheiding of overlijden van één de ouders kan de relatie met één of beide ouders
beïnvloeden, wat bijvoorbeeld het minder afhankelijk worden versnelt of juist vertraagt.
Onderwijs of werk
Verhuizing naar een andere plaats kan een verandering in schoolomgeving veroorzaken, wat
het succesvol doorlopen/afronden van de schoolperiode positief of negatief kan beïnvloeden.
Eigen woonsituatie
Krijgen van een beurs om een jaar in het buitenland te studeren kan een andere of versnelde
wending geven aan het zoeken naar eigen woonruimte, op afstand van het ouderlijk huis.
Intimiteit en seksualiteit
Een vervelende seksuele ervaring kan de ontwikkeling op dit gebied onder druk zetten.
Gezondheid en uiterlijk
Geselecteerd worden voor een sportteam op hoog niveau, kan motiverend zijn voor het
ontwikkelen van gezond gedrag en is wellicht een buffer t.a.v. gebruik van alcohol en drugs.
Zowel continuïteit als discontinuïteit zijn van belang in de ontwikkeling tijdens de adolescentie:
Continuïteit
De ontwikkeling gaat meestal voort in de richting die er al lang in zit.
Discontinuïteit
Soms doen zich momenten voor waarop dat proces wordt onderbroken, bijvoorbeeld met
jongeren met wie het tot een bepaald moment goed ging, gaat het plots minder goed.
Er zijn verschillende definities van continuïteit mogelijk:
1. Processen en mechanismen (continuïteit zit in de kern van een psychologisch verschijnsel)
Hebben op verschillende leeftijden dezelfde functie, maar uiten zich anders afhankelijk van
de leeftijd, tegelijk kunnen dezelfde gedragingen uitingen zijn van een andere kern.
2. Voorspelbaar patroon (continuïteit zit in de kern van de persoon)
Vroege ervaringen van een persoon voorspellen het latere functioneren, hier is discussie over.
a. Men is het eens dat zich in de vroege levensjaren een bepaald patroon ontwikkelt dat
medebepalend is voor de wijze waarop de persoon met latere ervaringen omgaat
b. Tegelijk zien we dat het gedrag in de eerste levensjaren het gedrag later slechts
beperkt voorspelt en dat zich daarna diverse nieuwe invloeden kunnen aandienen
(zie ook plasticiteit van het individu)
Protectieve factoren voor het omgaan met momenten van discontinuïteit zijn (Werner, 1993):
1. Sociale ondersteuning
(Bijvoorbeeld goede relaties binnen het gezin en positieve schoolervaringen)
2. Persoonlijkheidskenmerken
(Bijvoorbeeld een positief zelfbeeld en een gemakkelijk humeur)
Plasticiteit: Vroege ervaringen en latere ontwikkeling kunnen op zeer verschillende wijze
met elkaar in verband staan. Nieuwe mogelijkheden kunnen de effecten van
eerdere ongunstige omstandigheden veranderen, wat wijst op een
belangrijke plasticiteit van het individu gedurende het ontwikkelingsproces.
Levenslooptrajecten: Door deze te beschrijven en analyseren, kun je nagaan welke samenhang
tussen opeenvolgende gebeurtenissen in een mensenleven te traceren valt.
, Psychopathologie: Ontwikkelingspsychopathologie richt zich op onderzoek naar de condities
waaronder stoornissen in de ontwikkeling optreden, in stand blijven of
verdwijnen, en naar de individuele verschillen in aanpassing daarbij.
Onderzoek: Laat zien dat niet alleen externe invloeden, maar ook adolescenten zelf hun
ontwikkeling beïnvloeden. Dit sluit aan bij de theorieën uit het dynamisch
interactionisme die stellen dat mensen hun eigen omgeving vormgeven, maar
er ook door worden vormgegeven (transactionale modellen genoemd).
Drie typen persoon-omgeving-interacties beschreven door Caspi & Shiner (2006):
1. Passief
Het individu krijgt de omgeving die door biologische verwanten (ouders) wordt aangeboden,
hierbij is niet duidelijk sprake van het beïnvloeden van de omgeving door de persoon.
Bilal is goed op de hoogte van de Nederlandse politiek en is voor zijn leeftijd erg goed in
debatteren. Zijn ouders zijn actief in een politieke partij en tijdens het eten worden regelmatig
verhitte discussies gevoerd naar aanleiding van de nieuwsactualiteiten. Zijn ouders betrekken
hem hierin en moedigen hem aan een standpunt in te nemen en dit te beargumenteren.
2. Evocatief
Bepaalde kenmerken van de persoon (zoals verlegenheid of extraversie) roepen bepaalde
reacties op bij anderen, de omgeving verandert als gevolg van reacties die de persoon uitlokt.
Katja is een slimme, mondige dame van bijna 12. In groep 8 heeft ze vaak het hoogste woord
tijdens discussies en bij gym regelt ze graag de teamindeling. Ze is uitbundig en vrolijk en wint
anderen gemakkelijk voor zich. Ze heeft veel vriendinnen en wordt op alle feestjes gevraagd.
Bij de rolverdeling van de eindmusical is niemand verbaasd als Katja een hoofdrol krijgt.
3. Actief
Het individu selecteert een omgeving die bij hem of haar past of waarin hij of zij zich thuis
voelt, de omgeving verandert dus als gevolg van bepaalde acties van de persoon.
De drie typen persoon-omgeving-interacties tijdens de adolescentie:
1. Verschuiving passief → actief
Het belang van acties of keuzes neemt toe voor adolescenten en ze kunnen makkelijker
buiten het gezin een omgeving vinden, waarvan de invloed positief of negatief kan zijn.
2. Evocatief wordt belangrijker
Speelt het hele leven een rol, maar lijkt belangrijker te worden tijdens de adolescentie.
Het onderzoeken van erfelijke invloeden in de ontwikkeling gebeurt via verschillende methoden:
1. Observeren opeenvolgende generaties
2. Tweelingen- en adoptieonderzoek
3. Dieronderzoek
4. Moleculaire genetica (structuur en functie van afzonderlijke genen, en genen in samenhang)
Epigenetica: Bestudeert hoe de werking of uiting van genen kan veranderen onder invloed
van de omgeving, zonder dat de genen zelf veranderen. Door een proces
genaamd methylatie kunnen als het ware genen worden aan- of uitgezet.
Omgevingseffecten hangen ook af van genetische of persoonskenmerken (zoals consciëntieusheid):
1. Diathesis-stress model – bepaald temperament maakt extra vatbaar voor negatieve invloed
2. Differential susceptibility – dat temparament maakt óók vatbaarder voor positieve invloeden
Studietaak 1.1 Adolescentie in de levensloop
Hoofdstuk 1 Inleiding
Hoe de begrippen adolescentie en puberteit zich tot elkaar verhouden:
Adolescentie (breder dan puberteit)
De periode tussen de kinderjaren en volwassenheid waarin allerlei lichamelijke en mentale
ontwikkelingen plaatsvinden, deze vinden plaats in interactie met elkaar en de omgeving.
o Belangrijkste ontwikkelingstaak = ontwikkelen van een eigen identiteit (Erikson, 1968)
Van een besef van identiteit is sprake als de jongere zichzelf beleeft als iemand met
een eigen herkenbare levensstijl die consistent is en voor anderen herkenbaar.
Puberteit
Hormonale ontwikkeling die geslachtsrijping en andere rijpings- en ontwikkelingsprocessen
aanstuurt, als gevolg waarvan er stemmings- en gedragsveranderingen optreden (‘puberen’).
Om praktische redenen worden soms de volgende leeftijdsgrenzen van adolescentie gebruikt:
1. Vroege adolescentie – tussen 10 en 13 jaar
2. Midden adolescentie – tussen 14 en 18 jaar
3. Late adolescentie – tussen 19 en 23 jaar
4. Verlengde adolescentie – meestal tot 25 jaar
5. Volwassenheid – meestal vanaf 25 jaar (als volwassen taken zijn opgenomen)
a. Nieuwe ontwikkelingstaak = aangaan van meer vaste persoonlijke, intieme relaties
b. Nieuwe ontwikkelingstaak = zorg voor de volgende generatie
Let op bovenstaande kan per individu verschillen en is ook afhankelijk van culturele aspecten!
Drie redenen waarom het begin van de adolescentie niet alleen biologische veranderingen omvat:
1. Hormonale veranderingen beginnen al voor de puberteit en voor ze waarneembaar zijn
2. Het psychische ontwikkelingsproces loopt niet altijd synchroon met de lichamelijke rijping
3. Er zijn ook al belangrijke veranderingen te zien die sociaal en cultureel bepaald zijn
(denk aan de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs)
Emerging adulthood: Jongeren in westerse, geïndustrialiseerde landen nemen steeds langer deel
aan het onderwijs, gaan later werken, wonen langer thuis en gaan later een
vaste relatie of huwelijk aan (ook wel verlengde adolescentie genoemd).
Quarterlife crisis: Emerging adulthood leidde tot het formuleren van een nieuwe crisis waarin
jongeren van rond de 25 jaar moeilijkheden ervaren bij het vinden van een
plaats in de volwassen wereld. Het meeste onderzoek spreekt het bestaan
van een echte crisis tegen: met de meeste jongeren gaat het prima tijdens
deze periode en neemt het welzijn zelfs toe (Arnett, 2007).
Storm and Stress: Verwijst naar de opvatting dat de adolescentie een periode is van grote
emotionele beroering en opstandigheid (Hall, 1904), de term is afgeleid van
de Duitse Sturm und Drang-beweging in de muziek en literatuur. Er is nu veel
kritiek op de opvatting, omdat bijna iedereen in de adolescentie wel wat
stress ervaart, maar ook bijna iedereen er uiteindelijk goed doorheen komt.
,Wanneer kunnen problemen in de adolescentie wel duiden op een stoornis in de ontwikkeling?
(Steinberg, 2008)
1. Langdurige stemmings- of gedragspatronen (versus eenmalige)
Uitproberen (van alcohol, drugs, antisociaal gedrag) en snelle stemmingswisselingen zijn
meestal onschadelijk en niet per se gekoppeld aan ingrijpende en langdurige problematiek.
2. Spanningen als symptomen van (dreigende) stoornis (versus algemene spanningen)
Vooral bij internaliserende stoornissen bestaat het gevaar dat dit onderscheid niet wordt
gemaakt en men ten onrechte aanneemt dat ernstige problemen ook vanzelf overgaan.
3. Problemen met wortels in de kindertijd (versus voortkomend uit de adolescentie)
a. Adolescence-limited (voortkomend uit adolescentie)
Problemen gaan vaak over zonder directe consequenties voor verder functioneren.
b. Life-course-persistent (ontstaan vóór adolescentie)
Deze problematiek zal na de adolescentie nog voortduren.
Als karakteristiek voor de fase van de adolescentie worden vooral gezien:
1. Vormen van een eigen identiteit en bereiken van autonomie ten opzichte van de ouders
2. Manieren van omgaan met bepaalde innerlijk beleefde conflicten
(bijvoorbeeld in verband met ambivalente gevoelens ten opzichte van de ouders)
3. Een bepaald niveau van cognitief functioneren
(bijvoorbeeld wat betreft het denken over morele vraagstukken)
Thema’s en ontwikkelingstaken voor adolescenten onderscheiden door Spanjaard & Slot (2015):
1. Positie t.o.v. de ouders
Minder afhankelijk worden van de ouders en het bepalen van een eigen plaats binnen de
veranderende relaties in het gezin en de familie.
2. Onderwijs of werk
Kennis en vaardigheden opdoen voor beroepsuitoefening en maken van een keuze qua werk.
3. Vrije tijd
Ondernemen van activiteiten en zinvol doorbrengen van de tijd zonder verplichtingen.
4. Eigen woonsituatie
Zorgdragen voor eigen kamer en spullen, omgaan met je huisgenoten.
5. Autoriteit en instanties
Accepteren van entiteiten boven je, binnen de geldende kaders voor jezelf opkomen.
6. Gezondheid en uiterlijk
Zorgen voor goede voeding en een goede lichamelijke conditie, een uiterlijk waar je je prettig
bij voelt en het inschatten en vermijden van risico’s.
7. Sociale contacten en vriendschappen
Contacten leggen en onderhouden, oog hebben voor wat contacten kunnen opleveren, je
openstellen voor vriendschap, vertrouwen geven en nemen, wederzijdse acceptatie.
8. Sociale media en internet
Smartphone en computer gebruiken, informatie vinden en delen, informatie en berichten
wegen, onderscheid tussen de virtuele en de reële werkelijkheid, gevaren onderkennen.
9. Intimiteit en seksualiteit
Seksualiteit integreren in je persoonlijkheid, ontdekken wat mogelijkheden, wensen en
grenzen zijn in intieme en seksuele relaties bij jezelf en anderen.
10. Bij cultuurverschillen
Verschillende culturen kennen, inschatten welke vaardigheden in welke context passend zijn.
,Voorbeelden van life events van invloed (positief of negatief) op de hierboven genoemde thema’s:
Positie t.o.v. de ouders
Scheiding of overlijden van één de ouders kan de relatie met één of beide ouders
beïnvloeden, wat bijvoorbeeld het minder afhankelijk worden versnelt of juist vertraagt.
Onderwijs of werk
Verhuizing naar een andere plaats kan een verandering in schoolomgeving veroorzaken, wat
het succesvol doorlopen/afronden van de schoolperiode positief of negatief kan beïnvloeden.
Eigen woonsituatie
Krijgen van een beurs om een jaar in het buitenland te studeren kan een andere of versnelde
wending geven aan het zoeken naar eigen woonruimte, op afstand van het ouderlijk huis.
Intimiteit en seksualiteit
Een vervelende seksuele ervaring kan de ontwikkeling op dit gebied onder druk zetten.
Gezondheid en uiterlijk
Geselecteerd worden voor een sportteam op hoog niveau, kan motiverend zijn voor het
ontwikkelen van gezond gedrag en is wellicht een buffer t.a.v. gebruik van alcohol en drugs.
Zowel continuïteit als discontinuïteit zijn van belang in de ontwikkeling tijdens de adolescentie:
Continuïteit
De ontwikkeling gaat meestal voort in de richting die er al lang in zit.
Discontinuïteit
Soms doen zich momenten voor waarop dat proces wordt onderbroken, bijvoorbeeld met
jongeren met wie het tot een bepaald moment goed ging, gaat het plots minder goed.
Er zijn verschillende definities van continuïteit mogelijk:
1. Processen en mechanismen (continuïteit zit in de kern van een psychologisch verschijnsel)
Hebben op verschillende leeftijden dezelfde functie, maar uiten zich anders afhankelijk van
de leeftijd, tegelijk kunnen dezelfde gedragingen uitingen zijn van een andere kern.
2. Voorspelbaar patroon (continuïteit zit in de kern van de persoon)
Vroege ervaringen van een persoon voorspellen het latere functioneren, hier is discussie over.
a. Men is het eens dat zich in de vroege levensjaren een bepaald patroon ontwikkelt dat
medebepalend is voor de wijze waarop de persoon met latere ervaringen omgaat
b. Tegelijk zien we dat het gedrag in de eerste levensjaren het gedrag later slechts
beperkt voorspelt en dat zich daarna diverse nieuwe invloeden kunnen aandienen
(zie ook plasticiteit van het individu)
Protectieve factoren voor het omgaan met momenten van discontinuïteit zijn (Werner, 1993):
1. Sociale ondersteuning
(Bijvoorbeeld goede relaties binnen het gezin en positieve schoolervaringen)
2. Persoonlijkheidskenmerken
(Bijvoorbeeld een positief zelfbeeld en een gemakkelijk humeur)
Plasticiteit: Vroege ervaringen en latere ontwikkeling kunnen op zeer verschillende wijze
met elkaar in verband staan. Nieuwe mogelijkheden kunnen de effecten van
eerdere ongunstige omstandigheden veranderen, wat wijst op een
belangrijke plasticiteit van het individu gedurende het ontwikkelingsproces.
Levenslooptrajecten: Door deze te beschrijven en analyseren, kun je nagaan welke samenhang
tussen opeenvolgende gebeurtenissen in een mensenleven te traceren valt.
, Psychopathologie: Ontwikkelingspsychopathologie richt zich op onderzoek naar de condities
waaronder stoornissen in de ontwikkeling optreden, in stand blijven of
verdwijnen, en naar de individuele verschillen in aanpassing daarbij.
Onderzoek: Laat zien dat niet alleen externe invloeden, maar ook adolescenten zelf hun
ontwikkeling beïnvloeden. Dit sluit aan bij de theorieën uit het dynamisch
interactionisme die stellen dat mensen hun eigen omgeving vormgeven, maar
er ook door worden vormgegeven (transactionale modellen genoemd).
Drie typen persoon-omgeving-interacties beschreven door Caspi & Shiner (2006):
1. Passief
Het individu krijgt de omgeving die door biologische verwanten (ouders) wordt aangeboden,
hierbij is niet duidelijk sprake van het beïnvloeden van de omgeving door de persoon.
Bilal is goed op de hoogte van de Nederlandse politiek en is voor zijn leeftijd erg goed in
debatteren. Zijn ouders zijn actief in een politieke partij en tijdens het eten worden regelmatig
verhitte discussies gevoerd naar aanleiding van de nieuwsactualiteiten. Zijn ouders betrekken
hem hierin en moedigen hem aan een standpunt in te nemen en dit te beargumenteren.
2. Evocatief
Bepaalde kenmerken van de persoon (zoals verlegenheid of extraversie) roepen bepaalde
reacties op bij anderen, de omgeving verandert als gevolg van reacties die de persoon uitlokt.
Katja is een slimme, mondige dame van bijna 12. In groep 8 heeft ze vaak het hoogste woord
tijdens discussies en bij gym regelt ze graag de teamindeling. Ze is uitbundig en vrolijk en wint
anderen gemakkelijk voor zich. Ze heeft veel vriendinnen en wordt op alle feestjes gevraagd.
Bij de rolverdeling van de eindmusical is niemand verbaasd als Katja een hoofdrol krijgt.
3. Actief
Het individu selecteert een omgeving die bij hem of haar past of waarin hij of zij zich thuis
voelt, de omgeving verandert dus als gevolg van bepaalde acties van de persoon.
De drie typen persoon-omgeving-interacties tijdens de adolescentie:
1. Verschuiving passief → actief
Het belang van acties of keuzes neemt toe voor adolescenten en ze kunnen makkelijker
buiten het gezin een omgeving vinden, waarvan de invloed positief of negatief kan zijn.
2. Evocatief wordt belangrijker
Speelt het hele leven een rol, maar lijkt belangrijker te worden tijdens de adolescentie.
Het onderzoeken van erfelijke invloeden in de ontwikkeling gebeurt via verschillende methoden:
1. Observeren opeenvolgende generaties
2. Tweelingen- en adoptieonderzoek
3. Dieronderzoek
4. Moleculaire genetica (structuur en functie van afzonderlijke genen, en genen in samenhang)
Epigenetica: Bestudeert hoe de werking of uiting van genen kan veranderen onder invloed
van de omgeving, zonder dat de genen zelf veranderen. Door een proces
genaamd methylatie kunnen als het ware genen worden aan- of uitgezet.
Omgevingseffecten hangen ook af van genetische of persoonskenmerken (zoals consciëntieusheid):
1. Diathesis-stress model – bepaald temperament maakt extra vatbaar voor negatieve invloed
2. Differential susceptibility – dat temparament maakt óók vatbaarder voor positieve invloeden