Sociaalwerk-methoden:
1. Non-directieve basismethode
2. Lichaamsmethode
3. Praktisch-materiële methode
4. Traumaopvangmethode
5. Ontladingsmethode
6. Expressiemethode
7. Ritueelmethode
8. Cognitieve methode
9. Narratieve methode
10. Gedragsmethode
11. Sociaalnetwerkmethode
12. Relatiemethode
13. Gezins- en familiemethode
14. Groepsmethode
15. Casemanagement-methode
16. Mediationmethode
17. Signaleringsmethode
18. Preventiemethode
19. Collectieve-belangen-behartigingsmethode
20. Praktijkgerichte onderzoeksmethode
Sociaalwerk-methode 1: non-directieve basismethode
Uitleg: De NDB-methode is een ‘zelfontdekkende’ methode; ze stimuleert de cliënt. Je moet
sensitiviteit, warmte, begrip, bevestiging, vertrouwen en acceptatie bieden als sociaal werker
met deze methode. Het maakt mogelijk dat een helpende relatie tot stand komt en wordt
voortgezet. Je helpt als sociaal werker de cliënt om zichzelf te helpen.
Soort methode: survivalmethode.
Doelen: Herkennen van bronnen van onrust en spanning en minder negatieve spanning
ervaren.
Technieken:
- Basisgesprekstechnieken: SLOP
o Luisteren, samenvatten en doorvragen – niet invullen voor een ander –
matroesjka (client die zich openstelt en steeds meer vertelt over betekenis
van life-events)
o Vier basisvaardigheden, ook wel SLOP;
Stilte: stiltetechniek (een goede luisteraar).
Lichaamstaal: fysieke aanwezigheid, fysieke afstand, oogcontact,
fysieke luisterhouding, minimale aanmoedigingen, aanraking
(SOFTEN).
Onder woorden brengen: starttechniek, uitnodigende vragen,
parafraseren van de inhoud, samenvatten, reflecteren van gevoel,
normaliseren, informatie geven, confronteren, her etiketteren,
metacommunicatie, waardering, humor, functionele zelfonthulling,
afrondingstechniek (vertrouwelijk starten).
, Praktische handreikingen: praktische technieken (laag drempelige
dingen voor de cliënt doen).
- Psychosociale archiefkast (PAK)
o Zorgt ervoor dat de aandachtsgebieden op een rijtje worden gezet en
gespiegeld. Je bespreekt deze met de cliënt en bepaalt daarna welke het
belangrijkste zijn om aan te werken, op welke volgorde, en hoelang.
- Beveiligingstechniek
o Het introduceren van de basisregels van vertrouwelijkheid, ongedwongenheid
en duidelijkheid: basisregels die het gevoel van veiligheid van de cliënt
verhogen.
- Sandwichtechniek
o Je verdeelt de sessie in drie delen: de startfase, de middenfase en de
afrondingsfase:
Startfase: jezelf voorstellen, speregels introduceren, starten met de
vraag ‘wat brengt u hier?’ en ‘hoe gaat?’.
Middenfase: verdiepende fase, een combinatie van
counselingstechnieken en directieve technieken.
Afrondingsfase: introduceren van de afronding: ‘het is goed om af te
ronden’. Eindigen met de vraag ‘hoe eindigt deze sessie voor u?’ ‘wat
vond u positief aan uw bijdrage vandaag’
- Inventarisatietechniek
o Je observeert de cliënt zorgvuldig gedurende de sessie, op deze manier
worden uit het probleemverhaal aandachtsgebieden geïnventariseerd die
door de cliënt als spanningsvol worden ervaren.
- Lokalisatietechniek
o Je spoort samen met de cliënt per aandachtsgebied de onderdelen op waar
zich knelpunten en blokkades bevinden.
- Scantechniek
o Je tast probleemgebieden af, je scant de per gelokaliseerd knelpunt wat er in
de weg staat voor de cliënt om het gestelde doel te behalen.
- Rode-draadtechniek
o Je werkt resultaatgericht. Van nulmeting, naar tussenresultaten en een
eindresultaat. Tussentijds komen er vaak nieuwe aandachtsgebieden aan de
orde. Bij beëindiging vergelijken jullie resultaten met begintoestand.
- Scalingtechnieken
o Schaalvragen. Je kan meetbare resultaten verkrijgen.
- Empowermenttechniek
o Vraag aan de cliënt: wat wilt u bereiken in de kwestie die we net besproken
hebben? Wat hebt u nodig om dit doel te bereiken?
- Kosten-balentechniek
o Bij een dilemma van de cliënt. Benoem de keuzes en de voor- en nadelen met
de cliënt. Geef per voor- en nadeel het een cijfer tussen 0 en 10 en kan je
goed zien wat hoeveel weegt.
- Motiverende gespreksvoering
o Bij mensen met stress verwekkend gewoontegedrag. Veranderbaarheid van de
cliënt laten zien aan de cliënt. -> veranderpraat.
- Voorgrond-achtergrondtechniek
, o In welke volgorde heeft wat aandacht nodig. Je kiest voor het werken aan het
knelpunt dat in het bewustzijn van de cliënt op de voorgrond staat.
- Cultuursensitieve techniek
o Te werk vanuit een open houding, maar houd je rekening met
spanningsbronnen en krachtbronnen die te maken hebben met de sociaal-
culturele context van de cliënt.
- Inspiratietechniek waardevolle eigenschappen
o Versterken van krachtbronnen. Inspireren om waardevolle eigenschappen in
zichzelf te herkennen, te versterken en te ontwikkelen kan een opwaartse
beweging in hun levenskwaliteit tot stand komen.
Sociaalwerk-methode 2: lichaamsmethode
Uitleg: richt zich op spanningssignalen in het lichaam van de cliënt. Lichamelijke signalen van
spanning zijn lichamelijke ervaringen die de cliënt zelf heeft, zoals druk op de borst of pijn in
de buik. Deze kun je ook waarnemen tijdens een sessie. Indirecte signalen kunnen de
lichamelijke expressie zijn van emotie of spanning. Meerdere oorzaken: life-event, conflict,
uitbrander of chronische ziekte.
Soort methode: survivalmethode.
Doelen: verminderen of uit de weg ruimen van negatieve spanning in het lichaam.
Technieken:
- Zelfaanrakingstechniek
o Sociaal werker kan vragen aan de cliënt de hand te leggen waar de cliënt last
heeft.
- Ontspanningstechniek
o Ontspanningsoefeningen.
- Activeringstechniek
o Informeren, belang, wat past bij de cliënt. Wat waren de redenen om te
stoppen of te minderen.
- Lichaamsbewustwordingstechniek
o Oefeningen laten doen die het bewustzijn van het eigen lichaam verhogen.
- Body-imagetechniek
o Via cognitieve methode wil je verbetering aanbrengen in de manier waarop
de cliënt over het eigen lichaam denkt.
- Biofeedbacktechniek
o Hartslag meten van cliënt tijdens medisch onderzoek of effectonderzoek.
- Focustechniek
o Je zorgt ervoor dat de cliënt zich bewust wordt van lichamelijke
gewaarwordingen. 6 stappen: 1) ruimte maken voor lichaamssensaties. 2)
cliënt aandacht richten op lichaamssensaties die worden opgeroepen bij een
probleem. 3) vinden van een woord, zin of beeld dat het ervaren gevoel
omschrijft. 4) cliënt het ervaren gevoel met zijn aandacht laten volgen. 5)
vragen stellen (wat is het ergste aan het gevoel?). 6). Cliënt een boodschap
laten formuleren die hij herkent.
- Dagboektechniek