Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Grondslagen Klinische Psychologie | Literatuuroverzicht

Rating
-
Sold
40
Pages
33
Uploaded on
11-05-2026
Written in
2025/2026

Dit literatuuroverzicht bevat alle verplichte literatuur voor Grondslagen van de Klinische Psychologie in studiejaar 2025/2026. Per hoorcollege is er een (relatief uitgebreide) weergave van elk opgegeven artikel, het boekhoofdstuk en de kennisclip. Mocht je het idee hebben dat hoorcollege 2 ontbreekt, dan klopt dat, want hierbij was geen opgegeven literatuur aanwezig :)

Show more Read less
Institution
Course

Content preview

GRONDSLAGEN VAN DE KLINISCHE
PSYCHOLOGIE: LITERATUUR
INHOUDSOPGAVE

Hoorcollege 1 ............................................................................................................................... 2
Kennisclip diagnostische cyclus ....................................................................................................... 2
Wetenschap en praktijk .................................................................................................................... 3
Conjuctures and refutations: the growth of scientific knowledge (Popper, 1962) .................................. 4

CBT at the crossroads: the rise of transdiagnostic treatments (Schaeuffele et al., 2021) ...................... 5
Latent class growth analyses reveal overrepresentation of dysfunctional fear conditioning trajectories in
patients with anxiety-related disorders compared to controls (Duits et al., 2021) ................................. 6

Hoorcollege 3 ............................................................................................................................... 8
Evidence-based psychotherapy: Advantages and challenges (Cook et al., 2017) ................................. 8
Why many clinical psychologists are resistant to evidence-based practice: Root causes and
constructive remedies (Lilienfeld et al., 2013) ...................................................................................11

Hoorcollege 4 .............................................................................................................................. 16
Improving Suicide Prevention Through Evidence-Based Strategies: A Systematic Review (Mann et al.,
2021) ..............................................................................................................................................16
Understanding, Predicting, and Preventing Suicide: Recent Advances Using Digital and Computational
Methods (Nock & Wang, 2026) .........................................................................................................17
The psychology of suicidal behaviour (O’Connor & Nock, 2014) .........................................................19

Hoorcollege 5 .............................................................................................................................. 24
Do psychotherapists improve with time and experience? A longitudinal analysis of outcomes in a
clinical setting (Goldberg et al., 2016) ...............................................................................................24
The five great myths of popular psychology: Implications for psychotherapy (Lilienfeld et al., 2010) .....25

Hoorcollege 6 .............................................................................................................................. 28
A call for transdiagnostic attention to insomnia and its treatment in mental healthcare (Reesen et al.,
2024) ..............................................................................................................................................28
Cognitive behavioral therapy for insomnia in patients with mental disorders and comorbid insomnia: A
systematic review and meta-analysis (Hertenstein et al., 2022) .........................................................28

Hoorcollege 7 .............................................................................................................................. 31
Mentale gezondheid: De betekenis van positieve psychologie voor de klinische behandeling (Chakssi &
Bohlmeijer 2018) .............................................................................................................................31


1

, Positive clinical interventions: Why are they important and how do they work? (Bohlmeijer et al., 2017)
......................................................................................................................................................32




HOORCOLLEGE 1

KENNISCLIP DIAGNOSTISCHE CYCLUS

Je kan op elk moment in de cyclus
terug naar een eerdere fase en het
is niet altijd noodzakelijk om al de
fases te doorlopen. Het werken met
de cyclus ondersteunt transparante
besluitvorming, waardoor het
controleerbaar en navolgbaar voor
anderen is. Het systematisch en
stapsgewijs werken kan ook
oordeelsfouten verminderen.

De klachtanalyse heeft als doel om zo volledig mogelijk de actuele klachten van cliënt in kaart te
brengen. Dat gebeurt vaak in een intakegesprek en met vragenlijsten vooraf om het beeld vollediger te
maken. Welke klachten zijn er? Wanneer het meest last? Zijn er ook momenten waarop de klachten er
niet zijn? Worden er door de cliënt oorzaken van de klachten gegeven? Het is belangrijk om ook de
hulpvraag (waarom heeft de cliënt zich aangemeld) goed in kaart te brengen. Het resultaat is een
verhelderende diagnose waarbij gepoogd wordt om zo dicht mogelijk bij de bewoording en beleving van
de cliënt te blijven.

In de probleemanalyse wordt vaak een koppeling gemaakt van de klachten naar de daadwerkelijke
problemen. Waar klachten altijd heel erg in de bewoording van de cliënt zijn, worden in deze stap de
klachten ondergebracht in probleemclusters en krijgt het een meer wetenschappelijke taal.
Probleemclusters zijn disfunctionele gedragsclusters waaronder je klachten kan scharen waarvan we
vanuit literatuur weten dat ze vaak samen voorkomen. De voordelen van het clusteren zijn dat je een
koppeling maakt tussen de klachten en je eigen kennis vanuit literatuur, en dat je een lang overzicht van
klachten op een beknopte manier kan weergeven, wat de interpretatie en communicatie bevordert. Je kan
in deze stap kijken of de vastgestelde probleemclusters passen bij een diagnose/classificatie in de DSM.
Ten slotte wordt de mate van ernst getaxeerd. Er worden onderkennende hypothesen opgesteld;
hypothesen die zich richten op de dingen waarvan we willen onderzoeken wat er mogelijk aan de hand is
met een cliënt. Vaak wordt door diagnostisch onderzoek gekeken of de hypothesen al dan niet
aangenomen kunnen worden.

Er kan worden gekozen voor het uitvoeren van een verklaringsanalyse, waarin we ons richten op het
opstellen van hypotheses over en het onderzoeken van de aanwezigheid van oorzakelijke en
instandhoudende factoren. Ook hierbij baseer je je op literatuur. Een verklaringsanalyse wordt gedaan
wanneer het relevant is voor de latere indicatieanalyse. Het kan belangrijk zijn om oorzaken mee te
nemen in de behandeling. Als je weet waar het probleem ontstaat, kan het aanknopingspunten geven
voor waar je op in kan grijpen met behandeling.




2

,In de indicatieanalyse ga je behandel- of begeleidingsadviezen formuleren die gebaseerd zijn op de
probleem- en verklaringsanalyse. Wat zijn werkzame behandelingen die passen bij de problematiek die bij
de cliënt is vastgesteld? De behandelingen zijn evidence-based, wat inhoudt dat adviezen gegeven
worden waarvan gedacht wordt dat de kans van slagen groot is.

Het advies betreft een adviesgesprek waar je de behandelings- en begeleidingsadviezen terugkoppelt
naar je cliënt en het resultaat van alle fases aan de cliënt terugkoppelt.




WETENSCHAP EN PRAKTIJK

Theorieën zijn nodig om zaken te kunnen verklaren. Met die theorieën kunnen we ook voorspellen hoe de
wereld in de toekomst zal werken, en dat we het dus tot op zekere hoogte kunnen controleren. Het
waarheidsgehalte van een theorie moet zo hoog mogelijk zijn.

In de klassieke opvatting over wetenschap, zoals die door de logisch positivisten werd geformuleerd,
observeert de wetenschapper de realiteit. Uit die observaties wordt door middel van inductie een theorie
afgeleid. Inductie is in wezen het optellen van waarnemingen. Het gaat ervan uit dat onze waarneming
perfect is, terwijl onze zintuigen fysiologisch beperkt zijn. Wat wij waarnemen is dus slechts een stukje
van de realiteit en onze interpretatie van de waarneming is onderhevig aan bias.

Om vast te stellen dat een theorie juist is, zouden we eigenlijk iedereen moeten observeren over wie die
theorie een uitspraak doet, en dat is praktisch gezien onmogelijk. Dat is ook wel het inductieprobleem.
Dit gaf kritisch rationalisten zoals Popper aanleiding om te stellen dat theorieën niet meer zijn dan
onbewijsbare aannamen over hoe de wereld in elkaar steekt. Je kan nooit zeker weten of ze kloppen.
Deductie is het logisch afleiden van een specifieke hypothese met specifieke voorspellingen uit een
algemene theorie. Je kan door deductie telkens hooguit de voorspellingen onderzoeken en zo lang de
voorspellingen uitkomen, is de theorie aannemelijk, maar nooit zeker waar. Er is wel zekerheid als de
voorspelling niet blijkt uit te komen.

Theorieën berusten voor een deel op consensus tussen wetenschappers. Een verzameling aan
basisprincipes, theorieën, methoden en technieken wordt een paradigma genoemd. Het bestaat uit een
harde kern aan basisaannamen en een beschermgordel van daaruit afgeleide theorieën. De benaderingen
in de psychologie zijn incommensurabel, wat betekent dat ze zo van elkaar verschillen dat het
onmogelijk is om vanuit de ene benadering een oordeel te vellen over de waarheid of bruikbaarheid van de
andere benadering.

In de pragmatische opvatting, waarin we wetenschap definiëren als een poging om op de meest
succesvolle manier met de wereld om te gaan, kiezen we een theoretisch uitgangspunt niet vanwege het
waarheidsgehalte, maar vanwege de waarde daarvan voor ons handelen.

Het determinisme is de aanname dat alles in de wereld bepaald wordt door de blinde werking van
causale mechanismen. Het reductionisme gaat ervan uit dat verklaringen voor fenomenen herleidbaar
zijn naar onderliggende niveaus. Daarbij proberen we bijv. het begrip van psychologische fenomenen te
reduceren tot fysiologische verklaringen.

De neurobiologische, leertheoretische en cognitieve benadering zijn alle drie op de deterministische leest
geschoeid. Het voornaamste verschil betreft verschil in reductionisme. De cognitieve benadering
beschouwt de mens als een informatieverwerkend organisme met interne schema’s; de leertheoretische
benadering reduceert die informatieverwerking tot blinde leerprocessen; de biologische benadering




3

,reduceert die leerprocessen nog verder tot een puur fysiologische verklaring. Maar ze hebben het telkens
over hetzelfde systeem en sluiten elkaar ook niet uit.

Bij de hermeneutische methode verklaren we gedrag niet natuurwetenschappelijk, maar proberen we
invoelend te begrijpen wat zich afspeelt in de belevingswereld van een persoon. De psychodynamische
benadering sluit aan bij de hermeneutiek (want is interpretatief van aard), maar heeft wel een
deterministisch mensbeeld. Ook de humanistische benadering heeft een hermeneutisch karakter.

Technisch eclecticisme is een aanpak waarbij uiteenlopende therapeutische technieken ingezet worden
zonder daarbij theoretische integratie na te streven.

Effectstudies zijn nog niet een heilige graal. Vooralsnog wordt hoofdzakelijk het effect van kortdurende
behandelingen onderzocht, simpelweg omdat men voor een opvolging over langere periode meer geduld
moet hebben. Over de effecten en de duurzaamheid van de effecten op lange termijn is minder bekend.
Daarnaast wordt er vaak wel vergeleken met controlegroepen, maar niet met andere therapievormen.
RCT-studies worden vanwege hun sterk gecontroleerde opzet vaak uitgevoerd onder patiënten met
eenvoudige, ongecompliceerde symptomen, maar bij het overgrote deel van de patiënten is de
problematiek complexer en veelzijdiger, wat zorgt voor vertekende resultaten.

Bij werken op basis van evidence-based practice maakt een hulpverlener op een doelmatige en
objectieve manier gebruik van het best beschikbare bewijs bij beslissingen over de behandeling of
begeleiding van patiënten. De aanpak is gebaseerd op de laatste stand van de wetenschap, de expertise
en ervaring van de hulpverlener, en de wensen en mogelijkheden van de patiënt.




CONJUCTURES AND REFUTATIONS: THE GROWTH OF SCIENTIFIC KNOWLEDGE
(POPPER, 1962)

Non-empirische of zelfs pseudo-empirische methoden zijn methoden die niet voldoen aan de
wetenschappelijke standaard, hoewel het wel lijkt op observaties of experimenten. Sommige theorieën
werden altijd alleen maar bevestigd en konden vrijwel overal op worden toegepast. Dat de theorieën
steeds werden bevestigd, leek een kracht te zijn, maar was eigenlijk een zwakte.

Popper had 7 principes:

1. Het is makkelijk om bevestiging of verificatie te vinden voor vrijwel elke theorie, als we op zoek
zijn naar bevestiging (confirmation bias?).
2. Bevestigingen zouden alleen mogen tellen als ze het resultaat zijn van risicovolle voorspellingen;
als een theorie voorspelt dat iets gebeurt wat normaal niet gebeurt, en het gebeurt toch, dan is
dat een sterke bevestiging van de theorie.
3. Elke goede wetenschappelijke theorie sluit dingen uit. Hoe meer dingen een theorie uitsluit, hoe
beter die is.
4. Een theorie die door geen enkele waarneembare gebeurtenis te verwerpen is, is niet-
wetenschappelijk. Een theorie moet te weerleggen kunnen zijn.
5. Elke test van een theorie is een poging om het te falsifiëren. Testbaarheid is falisifieerbaarheid.
Sommige theorieën zijn meer testbaar dan anderen.
6. Bevestigend bewijs mag niet tellen, behalve als het het resultaat is van een oprechte test van de
theorie. Dat betekent dat je serieus geprobeerd moet hebben om te laten zien dat de theorie niet
klopt, maar dat niet is gelukt. In zulke gevallen is er ondersteunend bewijs voor de theorie.




4

, 7. Sommige theorieën die echt getest kunnen worden, blijven toch verdedigd worden als ze onjuist
blijken. Dat doen mensen bijv. door een extra aanname toe te voegen aan de theorie, zodat die
niet meer weerlegd kan worden. Hier wordt de theorie mee gered, maar maakt het wel minder
wetenschappelijk.

De wetenschappelijkheid van een theorie berust op falsifieerbaarheid, weerlegbaarheid of testbaarheid.




CBT AT THE CROSSROADS: THE RISE OF TRANSDIAGNOSTIC TREATMENTS
(SCHAEUFFELE ET AL., 2021)

In de beginjaren van CGT bestond het uit een verzameling algemene technieken zoals cognitieve
herstructurering, die werden toegepast op meerdere stoornissen. Door de jaren heen werden meer
stoornisspecifieke kenmerken geïdentificeerd en werden behandelingen toegespitst op specifieke
diagnoses. De focus op stoornisspecifieke behandeling staat echter in sterk contrast tot de hoge
comorbiditeit tussen stoornissen: 40% van de patiënten heeft meer dan één diagnose. De hoge
comorbiditeit is mogelijk het gevolg van een gedeelde onderliggende basis tussen stoornissen. In plaats
van unieke processen die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan en aanhouden van losse stoornissen,
zijn er gedeelde transdiagnostische processen geïdentificeerd die causaal samenhangen met meerdere
psychische stoornissen.

Transdiagnostische processen verschillen in hoe breed of smal ze zijn. Bijv. maladaptieve
emotieregulatie, vermijding en neuroticisme zijn bredere (higher-order) processen waar veel smallere
processen als vermijdingsgedrag en onderdrukking van gedachten weer onder vallen. De bredere
processen kunnen onderliggend zijn aan de specifieke processen die tot uiting komen. Andere
onderzoekers denken niet dat de processen zelf gelinkt zijn aan psychopathologie, maar dat het eerder
gaat om de rigide/inflexibele toepassing van de processen. Weer anderen leggen de nadruk op de mentale
inhoud van de processen.

De verschuiving van de nadruk op verschillen tussen stoornissen naar de overeenkomsten en gedeelde
processen blijkt ook uit de ontwikkeling van nieuwe transdiagnostische behandelingen.
Transdiagnostische behandelingen zijn erop gericht om verschillende comorbiditeiten tegelijk aan te
pakken. Hierdoor heeft het mogelijk een aantal voordelen:

• Verlaging van de lengte en kosten van behandeling;
• Praktischer toepasbaar, waardoor het klinische training vergemakkelijkt;
• Het gat tussen onderzoek en praktijk overbruggen;
• Helpt therapeuten om hun kijk te verbreden, voorbij aan de diagnose.

In het artikel worden transdiagnostische behandelingen gedefinieerd als behandelingen die meerdere
comorbiditeiten tegelijk wil aanpakken door een protocol te bieden dat zich richt op gedeelde
mechanismen tussen stoornissen, of door de behandeling te individualiseren op de persoon en zo de
unieke combinatie van comorbiditeiten aan te pakken.

UNIFIED BEHANDELINGEN

Unified behandelingen zijn een soort one size fits all. Ze hebben één protocol dat toepasbaar is op
meerdere stoornissen, gebaseerd op gedeelde mechanismen. Het idee is dat je meerdere stoornissen
tegelijk verbetert door een kernmechanisme te veranderen.

• Voordelen


5

, o Eenvoudig;
o Goed te implementeren;
o Efficiënt.
• Nadelen
o Weinig individualisering;
o Mogelijk overbehandeling → patiënten krijgen onnodige onderdelen aangeboden;
o Sommige behandelingen zijn enkel gericht op een groep stoornissen (bijv.
eetstoornissen), waardoor de toepasbaarheid wat beperkter is.

INDIVIDUALIZED BEHANDELINGEN

Aan de andere kant heb je individualized of my size fits me. Hier staat de persoon wat meer centraal in
plaats van de stoornis. Een van de varianten is casusconceptualisatie, waarbij de therapeut een
hypothese maakt over onderliggende processen en de behandeling daarop wordt afgestemd. Het
probleem daarmee is dat een combinatie van verschillende evidence-based technieken niet betekent dat
die combinatie ook meteen evidence-based is. Daarnaast zijn er modulaire behandelingen, waarbij de
keuze voor modules gebaseerd wordt op klinisch oordeel, data of beide.

• Voordelen
o Effectiviteit is ongeveer gelijk aan stoornisspecifieke therapie;
o Efficiënt bij comorbiditeit;
o Mogelijk betere match tussen patiënt en behandeling;
o Hogere tevredenheid bij de therapeut.
• Nadelen
o Moeilijk te onderzoeken, dus de waargenomen effectiviteit is gevoelig voor bias.

Third-wave therapieën zijn impliciet ook transdiagnostisch. ACT richt zich bijv. op psychologische
flexibiliteit, metacognitieve therapie op metacognities, mindfulness based therapieën op aandacht en
acceptatie en DBT op emotieregulatie. Ze focussen dus op hoe iemand omgaat met ervaringen, met een
minder specifieke focus op bepaalde symptomen. Third-wave therapieën zijn vaak later uitgebreid naar
meerdere stoornissen, terwijl transdiagnostische CGT vaak vanaf het begin ontworpen was voor
meerdere stoornissen.




LATENT CLASS GROWTH ANALYSES REVEAL OVERREPRESENTATION OF
DYSFUNCTIONAL FEAR CONDITIONING TRAJECTORIES IN PATIENTS WITH ANXIETY-
RELATED DISORDERS COMPARED TO CONTROLS (DUITS ET AL., 2021)

• (Klassieke) angstconditionering → het leren van een associatie tussen een neutrale cue en bijv.
een schok.
• Acquisitie → als een neutrale stimulus telkens samengaat met een schok, kan hierdoor na een
tijdje de neutrale stimulus ook een reactie oproepen en is het niet neutraal meer.
• Extinctie → stimulus aanbieden zonder dat er narigheid volgt, waardoor de reactie uitdooft.

In de acquisitiefase van het onderzoek zijn er twee stimuli. De ene stimulus wordt gevolgd door een schok
en leidt doorgaans tot een angstreactie (CS+). De andere stimulus wordt gevolgd door niks en is dus veilig
(CS-). In de extinctiefase worden beide stimuli niet meer gevolgd door iets, waardoor mensen de
angstreactie op de CS+ weer zouden moeten afleren. Vaak wordt hiervoor exposure gebruikt. Exposure is
een transdiagnostische aanpak voor angst, omdat het toegepast kan worden bij verschillende
angststoornissen.


6

,We doen allemaal exposurebehandelingen die gebaseerd zijn op de principes van extinctie, maar dan ga
je ervan uit dat extinctie goed plaatsvindt bij alle patiënten. Dit is echter niet zeker, want er zijn ook
patiënten die niet opknappen na exposure. Het onderzoek had als doel om uit te vinden of dit mogelijk
komt doordat er iets misgaat in de conditioneringsprocessen en als dat zo is, waar dit probleem dan in zit.
Hiervoor hadden ze een controlegroep en een groep patiënten. De groep patiënten had variërende
angstgerelateerde problematiek. De voornaamste uitkomstmaten waren angst, en de verwachting van de
US (in hoeverre verwacht je nu een schok te krijgen?).

STUDIE 1: LEERPATRONEN

Er werd een aantal leerpatronen gevonden omtrent de acquisitie en extinctie van de CS+ en CS-:

• Resultaten CS+
o Normale acquisitie + normale extinctie.
o Laag angstniveau in alle fases.
o Normale acquisitie, maar geen extinctie → angst blijft hoog.
• Resultaten CS-
o Laag angstniveau → correct veiligheidsleren.
o Hoog angstniveau in alle fases → chronische angst, zelfs bij veilige stimulus.

De belangrijkste bevindingen waren dat patiënten vaker in de groepen zaten met slechte extinctie en
slecht veiligheidsleren. Er waren geen verschillen wat betreft verwachting van de schok of fysiologische
respons (startle). Van zowel de patiënten als de controlegroep zat ongeveer 50% bij de CS+ in de normale
groep, maar in de afwijkende groepen waren patiënten sterk oververtegenwoordigd.

STUDIE 2: RELATIE MET THERAPIERESULTAAT

De vraag was of de leerpatronen voorspellend zijn voor wie er beter reageert op therapie. Het resultaat
was dat de angstniveaus zelf niet voorspellend zijn, maar dat de US-expectancy (verwachting van gevaar)
wél voorspellend is. Concreet betekent dit dat mensen die gevaar verwachten in veilige situaties slechter
verbeteren in therapie. Dus de groep mensen die een schok verwachtten, terwijl ze een stimulus kregen
die nooit geassocieerd was met een schok (CS-).

CONCLUSIE

Patiënten waarbij angsttherapie niet werkt, hebben waarschijnlijk slechte extinctie en/of slecht
veiligheidsleren. Dus angst wordt niet goed afgeleerd en/of veilige stimuli worden als bedreigend ervaren.
Het kernmechanisme is de blijvende verwachting dat er iets mis kan gaan (US verwachting). Exposure
richt zich op ‘er gebeurt niks, dus de angst neemt af’, maar sommige patiënten denken ‘misschien gaat
het de volgende keer wél mis’. Bijv. iemand met spreekangst die succesvol presentaties geeft, maar toch
een verwachting heeft dat het de volgende keer wel mis kan gaan → beperkt effect van therapie. Het
mechanisme is transdiagnostisch, want het speelt een rol bij verschillende angststoornissen en is
relevant voor alle exposurebehandelingen.




7

, HOORCOLLEGE 3

EVIDENCE-BASED PSYCHOTHERAPY: ADVANTAGES AND CHALLENGES (COOK ET
AL., 2017)

Evidence-based practice is een expliciete en zorgvuldige wijze voor het nemen van beslissingen rondom
de zorg voor patiënten. Hierbij is er een integratie van klinische expertise, best beschikbaar
wetenschappelijk bewijs en voorkeuren en waarden van de patiënt. De hoofdzakelijke stappen van EBP
zijn:

• Formuleren van klinische vragen op basis van het gepresenteerde probleem;
• Kritisch evalueren van de literatuur wat betreft validiteit en bruikbaarheid voor de patiënt;
• Implementeren van onderzoeksbevindingen in de klinische praktijk;
• Evalueren van de uitkomsten.

De APA heeft beleid over EBP bij psychotherapie. Het beleid benadrukt dat het belangrijk is om het best
beschikbare onderzoek te combineren met klinische expertise, binnen de context van de cultuur van de
patiënt, individuele kenmerken en persoonlijke voorkeuren. Het beste wetenschappelijke bewijs omvat
gegevens uit meta-analyses, RCT’s, effectiviteitsstudies en processtudies, maar ook uit single-case
studies, systematische casestudies, kwalitatief en etnografisch onderzoek, en klinische observaties.
Daarnaast moet er altijd gekeken worden naar de toepasbaarheid van dit bewijs op de specifieke patiënt.
Dat betekent dat klinische beslissingen gebaseerd zijn op een combinatie van onderzoek, klinische
expertise en patiëntspecifieke informatie. Dit is nodig om behandelbeslissingen te nemen,
behandelplannen uit te voeren, een goede therapeutische relatie op te bouwen en positieve uitkomsten
te bereiken. De effectiviteit van psychotherapie hangt ook af van unieke patiëntkenmerken, zoals
ontwikkelingsfase en levensfase, persoonlijke problemen en sterke kanten, persoonlijkheid, functioneren
in het dagelijks leven, motivatie en bereidheid tot verandering, sociale steun en familie- en socioculturele
factoren. Ook de omgeving van de patiënt is belangrijk bij het kiezen van een behandeling, waarbij
rekening wordt gehouden met bijv. ongelijkheden in toegang tot gezondheidszorg en specifieke stressoren
zoals werkeloosheid. Een van de grote doelen van EBP psychotherapie is om de keuze aan opties voor de
patiënt zo groot mogelijk te maken.

VOORDELEN

• Om handelen ethisch te laten zijn, is het noodzakelijk dat het wordt geleid door relevante
gegevens. Zo wordt niet enkel op persoonlijke mening geleund.
• EBP biedt het best bestaande bewijs als een vertrekpunt, terwijl er tegelijkertijd flexibiliteit is om
de behandeling op het individu af te stemmen.
• EBP kan behandelaars helpen in het bepalen van behandelplannen, ook in situaties waar er
beperkte data of ervaring is.
• Het trainen van professionals in EBP verbetert kennis, vaardigheden, houding en klinisch inzicht,
vooral wanneer het gepaard gaat met aandacht voor reflectie.
• EBP psychotherapieën worden geassocieerd met een hogere kwaliteit, meer
verantwoordelijkheid en verbetering van gezondheid en welzijn van de bevolking.

UITDAGINGEN

• Zorgen rondom generaliseerbaarheid van onderzoeksbevindingen, omdat de omstandigheden en
kenmerken van RCT onderzoek sterk verschillen van die in de dagelijkse klinische praktijk. In
onderzoeksgroepen is vaak sprake van weinig psychosociale stressoren, weinig



8

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
May 11, 2026
Number of pages
33
Written in
2025/2026
Type
SUMMARY

Subjects

€4,99
Get access to the full document:

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF


Also available in package deal

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
PsychOverzicht Universiteit Utrecht
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
88
Member since
2 weeks
Number of followers
1
Documents
7
Last sold
1 day ago

4,3

4 reviews

5
2
4
1
3
1
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions