Ontwikkelingspsychologie
Introductie
Ontwikkelingspsychologie
= wet. studie nr patronen in groei, verandering & stabiliteit doorheen levensloop
Thematisch gebied
o Fysieke ontwikkeling
Kijkt nr invloed v. hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen & behoefte aan
eten, drinken & slaap op ons gedrag
o Cognitieve ontwikkeling
Kijkt nr intellectuele vermogens, waaronder leren, geheugen,
probleemoplossing & intelligentie
o Sociaal-emotionele ontwikkeling
Kijkt nr sociale relaties & interacties met anderen & nr omgang met emoties
o Persoonlijkheidsontwikkeling
Kijkt nr duurzame gedragingen & (karakter-)eigenschappen die mensen v.
elkaar onderscheiden
Ontwikkelingsfasen
o Prenataal
o Babytijd
o Peuter- & kleutertijd
o Schooltijd
o Adolescentie
o Opkomende volwassenheid
o Volwassenheid
o Ouderdom
Kernconcepten
Continuïteit
o Geleidelijke ontwikkeling
o Kwantitatieve ≠
o Prestaties op bepaald niveau vloeien voort uit die op vorige niveaus
Discontinuïteit
o Ontwikkeling in stadia in aparte stappen/stadia
o Kwalitatieve ≠
o Elk stadium levert gedrag op dat qua inhoud & hoedanigheid anders is dan gedrag in
eerdere stadia
Kritieke periode
o Bepaalde soorten omgevingsstimuli noodzakelijk
o Indien nt onomkeerbare gevolgen Evidentie voor grotere
Gevoelige periode plasticiteit v. brein dan
o Extra ontvankelijk voor bepaalde soorten omgevingsstimuli aanvankelijk gedacht
o Optimale periode om bepaalde vermogens te ontwikkelen
, 1ste 1000 dagen als cruciale periode voor de rest van het leven
o Te eenvoudig aantrekkelijk
o Plasticiteit v. hersenen onderschat
o Ontwikkeling hersenen tot +/- 24j.
Invloeden op ontwikkeling
o Normatieve invloeden
Beïnvloeden grote groepen op gelijkaardige wijzen
Soorten
Leeftijdsgebonden
o Gelijkaardig voor iedereen v. bepaalde leeftijd
Historisch (bv. corona)
o Gelijkaardig voor iedereen in bepaalde tijdsperiode
o Cohort-effect
Sociaal-cultureel (bv. armoede)
o Gelijkaardig voor iedereen in bepaalde cultuur/sociale
klasse/…
o Nt normatieve invloeden (bv. pesten)
= specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in leven v. 1 bepaald persoon
o Interactie tss invloeden
Bepaalde culturele achtergronden kunnen tot moeilijkheden leiden
Cohort
o = groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek geboren zijn & dezelfde
sociaal historische invloeden meemaken
o Cohort-onderzoek = ≠ cohort groepen met elkaar vergelijken
Culturele bias
o W.E.I.R.D. populations
Western, Educated, Industrialized, Rich & Democratic
Meeste onderzoeken komen uit Westerse populatie generalisering nr
andere pop. = nt zomaar mogelijk
Risico- & bevorderende factoren
o Risicofactoren
Voorspellen meer ongunstige/- ontwikkeling
Bv. auto-ongeluk, scheiding ouders, discriminatie, falen in school, …
o Bevorderende factoren
Voorspellen meer gunstige/+ ontwikkeling
Bv. meegaand, openstaand voor nieuwe ervaringen, stabiel gezin, + klimaat op school, ondersteunend netwerk
o Doorheen ontwikkeling staan factoren in dynamische transacties met elkaar
Transactie = reeks v. dynamische, reciproke interacties
Transactionele processen kunnen tot escalatie v. problemen leiden
Bv. later brabbelen comm. problemen peer afwijzing & angstig temperament
stemmingsstoornis
Transactionele processen kunnen ontwikkeling in gunstige zin sturen
Bv. normale taalontwikkeling peer acceptatie, vriendschappen & angstig temperament
normale psychologische ontwikkelingen
o Multideterminisme
Veelheid v. factoren binnen individu & context spelen (interactieve) rol in
ontwikkeling
Uniek samenspel
, Nature vs. nurture
o Nature
Eigenschappen waarmee je geboren wordt
Elk individu heeft unieke genetische code
Uitz. 1-eiige tweeling
Genetische constitutie bepaalt startpositie & ontwikkelingspotentieel
Op elk moment in ontwikkeling stelt genetische constitutie grenzen
aan wat mogelijk is
o Nurture
Invloed v. omgeving & eigen inzet
Kind wr geboren als onbeschreven blad opvoeding bepaalt ontwikkeling
Empirisme (bv. Locke) & behaviorisme (bv. Pavlov, Watson)
o Karakter eigenschappen wr deels erfelijk bepaald & deels gevormd door de omgeving
Invloed v. genen sterker naarmate kinderen ouder wr + sterker voor kinderen
uit gezin met hoge SES
o Gen-omgevingsinteractie (~GxE)
Genetische constitutie draagt bij tot vrijwel elk fenotypisch kenmerk
(genotype fenotype)
Meestal is genetische constitutie nt alles bepalend
Omgevingskenmerken & ervaringen spelen ook (grote) rol
Bv. kans op ontwikkeling schizofrenie
o Groter verwantschap met persoon met schizofrenie grotere kans op ontwikkeling
v. schizofrenie
o Genetische constitutie < 50%
Bv. antisociaal gedrag
o Problemen bij adoptieouders leiden enkel tot antisociaal gedrag bij adoptiekinderen
met genetisch risico
o Gen-omgevingcorrelaties (~rGE)
Samenhang tss iemands genetische constitutie & omgevingen waarin hij/zij
terechtkomt dubbele dosis
Bv. lage leesvaardigheid als genetisch element + lage bereidheid tot lezen v. ouders dubbele dosis v. –
houding tegenover lezen zelf ook lage leesvaardigheid
Soorten
Passief
o Kind erft bepaald talent/kwetsbaarheid & groeit op in
omgeving die vanuit zelfde talent/kwetsbaarheid
vormgegeven is
Bv. kind erft talent voor sport v. ouders + groeit op in gezinscontext waar vanuit datzelfde
talent bij ouders veel sportieve activiteiten ondernomen wr
Evocatief/reactief
o Kind erft bepaald talent/kwetsbaarheid v. ouders & lokt
daardoor bepaalde reacties in omgeving uit
Bv. kind erft talent voor sport v. ouders & wr door deze sportieve aanleg vaak uitgenodigd
op sportactiviteiten
Actief
o Kind erft bepaald talent/kwetsbaarheid & kiest v. daaruit
bepaalde omgeving ('niche picking')
Bv. kind erft talent voor sport v. ouders & kiest zelf vanuit dat talent sportieve hobby's
Theorie
, Behavioristische perspectieven
Empirisme ~ John Locke
Werkt tabula rasa idee v. aristoteles verder uit
Ontwikkeling gebeurt onder invloed v. omgeving, die vormgeeft aan gedrag v. kind
Iedereen kan alles worden
“Let us then suppose the mind to be a white paper, void of all characters, without any ideas:
How comes it to be furnished? Whence comes it by that vast store which the busy &
boundless fancy of man has painted on it with an almost endless variety? Whence has it all
the materials of reason & knowledge? To this I answer, in one word, from EXPERIENCE.”
Grote inspiratiebron voor Watson, Pavlov & Skinner
Stimulus-respons leren/conditionering ~ Watson
Amerikaans psycholoog
1ste die principes v. Pavlov & Skinner op ontwikkeling v. kinderen toepaste
o Klassieke conditionering ~ Pavlov
= door 2 prikkels altijd tegelijk aan te bieden, gaat individu 2 met elkaar
associëren & op dezelfde manier op reageren
Reflexmatige respons
Bv. kind dat al eerder inenting heeft gehad, ziet naald & begint te huilen
Bv. baby leert dat als hij flesje ziet, hij drinken krijgt als reactie op zien v. flesje begint hij al met beentjes te
trappelen
o Operante conditionering ~ Skinner
= door individu te belonen/straffen, gaat hij gedrag associëren met iets
leuks/vervelends & gedrag daardoor herhalen/mee stoppen
Nog steeds zelf beslissen om bepaalde acties wel/nt uit te voeren
Bv. baby ontdekt dat als hij met zijn handje tegen rammelaar slaat, deze geluid maakt prettig effect dat
expres nog eens gaat wr veroorzaakt
Bv. kind gaat met moeder nr supermarkt, ziet rol snoep & wil dat moeder het koopt Moeder wil gn snoep
kopen, maar doet het toch als kind driftbui krijgt volgende keer krijgt kind opnieuw driftbui in supermarkt
Introductie
Ontwikkelingspsychologie
= wet. studie nr patronen in groei, verandering & stabiliteit doorheen levensloop
Thematisch gebied
o Fysieke ontwikkeling
Kijkt nr invloed v. hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen & behoefte aan
eten, drinken & slaap op ons gedrag
o Cognitieve ontwikkeling
Kijkt nr intellectuele vermogens, waaronder leren, geheugen,
probleemoplossing & intelligentie
o Sociaal-emotionele ontwikkeling
Kijkt nr sociale relaties & interacties met anderen & nr omgang met emoties
o Persoonlijkheidsontwikkeling
Kijkt nr duurzame gedragingen & (karakter-)eigenschappen die mensen v.
elkaar onderscheiden
Ontwikkelingsfasen
o Prenataal
o Babytijd
o Peuter- & kleutertijd
o Schooltijd
o Adolescentie
o Opkomende volwassenheid
o Volwassenheid
o Ouderdom
Kernconcepten
Continuïteit
o Geleidelijke ontwikkeling
o Kwantitatieve ≠
o Prestaties op bepaald niveau vloeien voort uit die op vorige niveaus
Discontinuïteit
o Ontwikkeling in stadia in aparte stappen/stadia
o Kwalitatieve ≠
o Elk stadium levert gedrag op dat qua inhoud & hoedanigheid anders is dan gedrag in
eerdere stadia
Kritieke periode
o Bepaalde soorten omgevingsstimuli noodzakelijk
o Indien nt onomkeerbare gevolgen Evidentie voor grotere
Gevoelige periode plasticiteit v. brein dan
o Extra ontvankelijk voor bepaalde soorten omgevingsstimuli aanvankelijk gedacht
o Optimale periode om bepaalde vermogens te ontwikkelen
, 1ste 1000 dagen als cruciale periode voor de rest van het leven
o Te eenvoudig aantrekkelijk
o Plasticiteit v. hersenen onderschat
o Ontwikkeling hersenen tot +/- 24j.
Invloeden op ontwikkeling
o Normatieve invloeden
Beïnvloeden grote groepen op gelijkaardige wijzen
Soorten
Leeftijdsgebonden
o Gelijkaardig voor iedereen v. bepaalde leeftijd
Historisch (bv. corona)
o Gelijkaardig voor iedereen in bepaalde tijdsperiode
o Cohort-effect
Sociaal-cultureel (bv. armoede)
o Gelijkaardig voor iedereen in bepaalde cultuur/sociale
klasse/…
o Nt normatieve invloeden (bv. pesten)
= specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in leven v. 1 bepaald persoon
o Interactie tss invloeden
Bepaalde culturele achtergronden kunnen tot moeilijkheden leiden
Cohort
o = groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plek geboren zijn & dezelfde
sociaal historische invloeden meemaken
o Cohort-onderzoek = ≠ cohort groepen met elkaar vergelijken
Culturele bias
o W.E.I.R.D. populations
Western, Educated, Industrialized, Rich & Democratic
Meeste onderzoeken komen uit Westerse populatie generalisering nr
andere pop. = nt zomaar mogelijk
Risico- & bevorderende factoren
o Risicofactoren
Voorspellen meer ongunstige/- ontwikkeling
Bv. auto-ongeluk, scheiding ouders, discriminatie, falen in school, …
o Bevorderende factoren
Voorspellen meer gunstige/+ ontwikkeling
Bv. meegaand, openstaand voor nieuwe ervaringen, stabiel gezin, + klimaat op school, ondersteunend netwerk
o Doorheen ontwikkeling staan factoren in dynamische transacties met elkaar
Transactie = reeks v. dynamische, reciproke interacties
Transactionele processen kunnen tot escalatie v. problemen leiden
Bv. later brabbelen comm. problemen peer afwijzing & angstig temperament
stemmingsstoornis
Transactionele processen kunnen ontwikkeling in gunstige zin sturen
Bv. normale taalontwikkeling peer acceptatie, vriendschappen & angstig temperament
normale psychologische ontwikkelingen
o Multideterminisme
Veelheid v. factoren binnen individu & context spelen (interactieve) rol in
ontwikkeling
Uniek samenspel
, Nature vs. nurture
o Nature
Eigenschappen waarmee je geboren wordt
Elk individu heeft unieke genetische code
Uitz. 1-eiige tweeling
Genetische constitutie bepaalt startpositie & ontwikkelingspotentieel
Op elk moment in ontwikkeling stelt genetische constitutie grenzen
aan wat mogelijk is
o Nurture
Invloed v. omgeving & eigen inzet
Kind wr geboren als onbeschreven blad opvoeding bepaalt ontwikkeling
Empirisme (bv. Locke) & behaviorisme (bv. Pavlov, Watson)
o Karakter eigenschappen wr deels erfelijk bepaald & deels gevormd door de omgeving
Invloed v. genen sterker naarmate kinderen ouder wr + sterker voor kinderen
uit gezin met hoge SES
o Gen-omgevingsinteractie (~GxE)
Genetische constitutie draagt bij tot vrijwel elk fenotypisch kenmerk
(genotype fenotype)
Meestal is genetische constitutie nt alles bepalend
Omgevingskenmerken & ervaringen spelen ook (grote) rol
Bv. kans op ontwikkeling schizofrenie
o Groter verwantschap met persoon met schizofrenie grotere kans op ontwikkeling
v. schizofrenie
o Genetische constitutie < 50%
Bv. antisociaal gedrag
o Problemen bij adoptieouders leiden enkel tot antisociaal gedrag bij adoptiekinderen
met genetisch risico
o Gen-omgevingcorrelaties (~rGE)
Samenhang tss iemands genetische constitutie & omgevingen waarin hij/zij
terechtkomt dubbele dosis
Bv. lage leesvaardigheid als genetisch element + lage bereidheid tot lezen v. ouders dubbele dosis v. –
houding tegenover lezen zelf ook lage leesvaardigheid
Soorten
Passief
o Kind erft bepaald talent/kwetsbaarheid & groeit op in
omgeving die vanuit zelfde talent/kwetsbaarheid
vormgegeven is
Bv. kind erft talent voor sport v. ouders + groeit op in gezinscontext waar vanuit datzelfde
talent bij ouders veel sportieve activiteiten ondernomen wr
Evocatief/reactief
o Kind erft bepaald talent/kwetsbaarheid v. ouders & lokt
daardoor bepaalde reacties in omgeving uit
Bv. kind erft talent voor sport v. ouders & wr door deze sportieve aanleg vaak uitgenodigd
op sportactiviteiten
Actief
o Kind erft bepaald talent/kwetsbaarheid & kiest v. daaruit
bepaalde omgeving ('niche picking')
Bv. kind erft talent voor sport v. ouders & kiest zelf vanuit dat talent sportieve hobby's
Theorie
, Behavioristische perspectieven
Empirisme ~ John Locke
Werkt tabula rasa idee v. aristoteles verder uit
Ontwikkeling gebeurt onder invloed v. omgeving, die vormgeeft aan gedrag v. kind
Iedereen kan alles worden
“Let us then suppose the mind to be a white paper, void of all characters, without any ideas:
How comes it to be furnished? Whence comes it by that vast store which the busy &
boundless fancy of man has painted on it with an almost endless variety? Whence has it all
the materials of reason & knowledge? To this I answer, in one word, from EXPERIENCE.”
Grote inspiratiebron voor Watson, Pavlov & Skinner
Stimulus-respons leren/conditionering ~ Watson
Amerikaans psycholoog
1ste die principes v. Pavlov & Skinner op ontwikkeling v. kinderen toepaste
o Klassieke conditionering ~ Pavlov
= door 2 prikkels altijd tegelijk aan te bieden, gaat individu 2 met elkaar
associëren & op dezelfde manier op reageren
Reflexmatige respons
Bv. kind dat al eerder inenting heeft gehad, ziet naald & begint te huilen
Bv. baby leert dat als hij flesje ziet, hij drinken krijgt als reactie op zien v. flesje begint hij al met beentjes te
trappelen
o Operante conditionering ~ Skinner
= door individu te belonen/straffen, gaat hij gedrag associëren met iets
leuks/vervelends & gedrag daardoor herhalen/mee stoppen
Nog steeds zelf beslissen om bepaalde acties wel/nt uit te voeren
Bv. baby ontdekt dat als hij met zijn handje tegen rammelaar slaat, deze geluid maakt prettig effect dat
expres nog eens gaat wr veroorzaakt
Bv. kind gaat met moeder nr supermarkt, ziet rol snoep & wil dat moeder het koopt Moeder wil gn snoep
kopen, maar doet het toch als kind driftbui krijgt volgende keer krijgt kind opnieuw driftbui in supermarkt