Staats- en bestuursrecht samenvatting
Inhoudsopgave
Staats- en bestuursrecht samenvatting...................................................................................1
Week 1:...................................................................................................................................2
Samenvatting boek:.............................................................................................................2
Hoorcollege week 1.............................................................................................................7
Week 2:...................................................................................................................................8
Samenvatting week 2:.........................................................................................................8
Hoorcollege week 2...........................................................................................................21
Week 3:.....................................................................................................................................23
Samenvatting boek:...........................................................................................................23
Hoorcollege week 3:..........................................................................................................30
Week 4:.....................................................................................................................................31
Samenvatting boek:...........................................................................................................31
Hoorcollege week 4:..........................................................................................................45
Week 5:.....................................................................................................................................48
Samenvatting boek:...........................................................................................................48
Hoorcollege week 5:..........................................................................................................54
Week 6:.....................................................................................................................................55
Samenvatting boek:...........................................................................................................55
Hoorcollege week 6:..........................................................................................................58
Week 7:.....................................................................................................................................59
Samenvatting boek:...........................................................................................................59
Week 8:.....................................................................................................................................69
Samenvatting boek:...........................................................................................................69
,Week 1:
Samenvatting boek:
1.1 Benadering van het begrip staat
Bij een staat horen verschillende kenmerken:
1. Een organisatie voert effectief gezag uit
2. Een gemeenschap mensen
3. Een bepaald grond gebied
4. (erkenning) – niet vereist, wel een aanwijzing dat de staat effectief gezag uitoefent
We kunnen van een rechtsgemeenschap spreken wanneer een staat haar belangrijkste
waarden in dwang handhaaf regels heeft opgenomen. Zonder dwanghandhaving zou een
rechtsorde niet denkbaar zijn.
De dwang kan door meerdere organen worden uitgeoefend. Deze zijn met enig openbaar
gezag bekleed. De regels die betrekking hebben op deze organisatie en de grenzen van het
gezag van de openbare organen worden staatsrecht genoemd.
In de middeleeuwen bestond het gezag uit een vorst, die willekeurig zijn gezag kon splitsen
door zijn gebied te verkopen of te ontdoen. Dit is in de huidige staatsorganisatie ondenkbaar.
Met de opkomst van een klasse die de sociale bescherming minder nodig had, de kooplieden
en de burgers, werd het persoonlijke recht van de vorst in twijfel getrokken. Het gezag werd
nu gezien als een attribuut die ruimte liet voor samenwerking van meerdere mensen: dit
creëerde de staat. Dit werd ook beschreven door Niccolò Machiavelli, waarbij hij advies gaf
om niet het doel van de vorst te verhogen, maar om de eenheid van de staat te bevorderen.
Maar hoe is gezag in een maatschappij van vrije individuen te rechtvaardigen? Rousseau
kwam hier tot een oplossing. Hij kwam met de theorie van het contrat sociale waarbij gezag
en vrijheid worden verenigd, omdat het gezag uit de vrijheid is afgeleid.
Aan de ene kant mag de staat geen rem vormen op de zelfontplooiing van de burger, maar
die zelfontplooiing moet aan beperkingen onderhevig zijn.
1.2 Verdeling van de staatsmacht over verschillende organen
Een bestuur bestaat uit een kleine kring van personen, omdat een vergadering van zeer grote
aantallen niet redelijk tot een besluit kan komen. De burger is aan de ene kant de soeverein
die de bestuurders aanwijst, en aan de andere kant onderworpen aan de door henzelf
ingestelde gezag.
Om een dictatuur te vermijden heeft men een middel gevonden: de verdeling van het gezag
over verschillende organen. De verschillende organen staan met elkaar in evenwicht, doordat
,ze allemaal een beetje macht hebben en een zekere verantwoordingsplicht hebben. Dit
wordt ook wel checks&balences genoemd.
Deze gedachte is gevormd door Montesequieu. Hij onderscheidt drie verschillende
machthebbenden: de koning, het parlement en de rechterlijke macht. Het parlement maakt
de wetten, de koning voert de wetten uit en de rechters constateren of de uitvoerende
macht de wet wel in acht genomen heeft.
De functies die Montesequieu hier schetst kloppen niet meer, aangezien de drie organen niet
meer los van elkaar opereren. De vaststelling van de wetten is de taak van de regering en het
parlement samen. Het bestuur is de taak van de regering, maar de regering staat bij
uitoefening daarvan onder controle van het parlement. Ze hebben elkaar dus nodig en
moeten elkaar controleren om in evenwicht te blijven.
1.3 De democratische rechtsstaat
Een democratie kan in de volgende aspecten worden onderscheiden:
1. Vrije verkiezingen – actief en passief kiesrecht
2. Openheid voor machtswisseling
3. Het parlement moet een centrale rol spelen in het staatbestel
Het begrip rechtsstaat valt uiteen in de volgende aspecten:
1. Individuen en particuliere instellingen hebben een staatsvrije sfeer (vrijheid van
meningsuiting, recht op bescherming van minderheden)
2. Optreden van een bestuursorgaan dient te berusten op een regel (legaliteitsbeginsel)
3. De regels waarin bevoegdheden van een overheidsorgaan zijn beschreven, moeten
worden vastgesteld door een ander orgaan (trias politica)
4. Geschillen moeten worden behandeld door een onafhankelijke rechter
1.4 Grondregels van een democratische rechtsstatelijke staatsorganisatie
De eerste grondregels is het legaliteitsbeginsel. Om machtsmisbruik te voorkomen mag een
bestuursorgaan alleen gebruik maken van een bevoegdheid als deze ook in de wet is
beschreven. Hiernaast moet het overheidsoptreden dus ook in overeenstemming zijn met de
wet.
De tweede regel luidt als volgt: niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder
verantwoording schuldig te zijn of zonder dat op die uitoefening controle bestaat. Het
handelend orgaan moet rekenschap kunnen afleggen waarom het zijn bevoegdheid wel of
niet heeft uitgeoefend en waarom juist op die manier en niet anders. Er zijn verschillende
vormen van verantwoordingsplicht:
1. De politieke verantwoordingsplicht van bestuurlijke organen jegens
vertegenwoordigende organen= de ministers moeten zich vertegenwoordigen
tegenover het parlement.
, 2. De ambtenaren die bepaalde bevoegdheden hebben, zijn verantwoording schuldig
aan hun chefs
3. Ook zonder dat sprake is van een ambtelijke ondergeschiktheid kan het voorkomen
dat een bestuursorgaan wordt gecontroleerd door een ander orgaan. Dit kan met
preventief toezicht, waarbij een bestuursorgaan voor een bepaalde handeling
goedkeuring moet vragen, of met repressief toezicht, waarbij een ‘hoger’
bestuursorgaan een beslissing van een ‘lager’ bestuursorgaan achteraf kan
corrigeren.
4. Gezagsdragers kunnen strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun daden, wanneer
een strafbepaling de gedraging strafbaar stelt.
5. De meeste besluiten van bestuursorganen zijn vatbaar voor beroep.
6. Wanneer er geen beroepsmogelijkheid bij de bestuursrechter aanwezig is, dan kan bij
de burgerlijke rechter een actie tot onrechtmatige daad tegen de overheid worden
ingesteld.
7. Er is een controle van de rechter op zekere wetgevende organen. Een rechter mag
nagaan of een algemeen verbindend voorschrift in overeenstemming is met hoger
recht.
1.5 Historische ontwikkeling van een democratisch-rechtsstatelijke staatsorganisatie
Gekozen vertegenwoordigers zijn niet altijd in staat om de bijzondere belangen van hun
kiezers te behartigen. Tegenwoordig maken inspraak, referenda en burgerinitiatieven het
mogelijk dat burgers ook invloed kunnen hebben.
1.6 Historische-systematische methode
Om instellingen, het concrete stelsel van bevoegdheden, te begrijpen moet men deze zien als
resultaat van een historische groei. Alleen deze historische blik is niet voldoende. Wil men de
uitbouw van het stelsel kritisch blijven volgen, dan zal men telkens nieuwe ontwikkelingen
aan systematische maatstaven moeten toetsen. Men zal bepaalde basisbeginselen moeten
hebben, waaraan een staatsinrichting moet voldoen.
Hoofdstuk 5 de regering
5.1 Inleiding
De Staten-Generaal is samen met de regering de wetgever. De regering bestaat uit de koning
en de ministers.
5.2 De regering, een samengesteld orgaan
Art. 42 lid 1 Gw geeft de definitie van de regering, ook wel een samengesteld orgaan.
Wanneer de regering een taak moet uitvoeren zonder dat de koning nodig is, dan wordt er
gesproken van een regering. Is de koning wel vereist, dan gaat wordt het een ‘bij koninklijk
besluit’ genoemd.
Inhoudsopgave
Staats- en bestuursrecht samenvatting...................................................................................1
Week 1:...................................................................................................................................2
Samenvatting boek:.............................................................................................................2
Hoorcollege week 1.............................................................................................................7
Week 2:...................................................................................................................................8
Samenvatting week 2:.........................................................................................................8
Hoorcollege week 2...........................................................................................................21
Week 3:.....................................................................................................................................23
Samenvatting boek:...........................................................................................................23
Hoorcollege week 3:..........................................................................................................30
Week 4:.....................................................................................................................................31
Samenvatting boek:...........................................................................................................31
Hoorcollege week 4:..........................................................................................................45
Week 5:.....................................................................................................................................48
Samenvatting boek:...........................................................................................................48
Hoorcollege week 5:..........................................................................................................54
Week 6:.....................................................................................................................................55
Samenvatting boek:...........................................................................................................55
Hoorcollege week 6:..........................................................................................................58
Week 7:.....................................................................................................................................59
Samenvatting boek:...........................................................................................................59
Week 8:.....................................................................................................................................69
Samenvatting boek:...........................................................................................................69
,Week 1:
Samenvatting boek:
1.1 Benadering van het begrip staat
Bij een staat horen verschillende kenmerken:
1. Een organisatie voert effectief gezag uit
2. Een gemeenschap mensen
3. Een bepaald grond gebied
4. (erkenning) – niet vereist, wel een aanwijzing dat de staat effectief gezag uitoefent
We kunnen van een rechtsgemeenschap spreken wanneer een staat haar belangrijkste
waarden in dwang handhaaf regels heeft opgenomen. Zonder dwanghandhaving zou een
rechtsorde niet denkbaar zijn.
De dwang kan door meerdere organen worden uitgeoefend. Deze zijn met enig openbaar
gezag bekleed. De regels die betrekking hebben op deze organisatie en de grenzen van het
gezag van de openbare organen worden staatsrecht genoemd.
In de middeleeuwen bestond het gezag uit een vorst, die willekeurig zijn gezag kon splitsen
door zijn gebied te verkopen of te ontdoen. Dit is in de huidige staatsorganisatie ondenkbaar.
Met de opkomst van een klasse die de sociale bescherming minder nodig had, de kooplieden
en de burgers, werd het persoonlijke recht van de vorst in twijfel getrokken. Het gezag werd
nu gezien als een attribuut die ruimte liet voor samenwerking van meerdere mensen: dit
creëerde de staat. Dit werd ook beschreven door Niccolò Machiavelli, waarbij hij advies gaf
om niet het doel van de vorst te verhogen, maar om de eenheid van de staat te bevorderen.
Maar hoe is gezag in een maatschappij van vrije individuen te rechtvaardigen? Rousseau
kwam hier tot een oplossing. Hij kwam met de theorie van het contrat sociale waarbij gezag
en vrijheid worden verenigd, omdat het gezag uit de vrijheid is afgeleid.
Aan de ene kant mag de staat geen rem vormen op de zelfontplooiing van de burger, maar
die zelfontplooiing moet aan beperkingen onderhevig zijn.
1.2 Verdeling van de staatsmacht over verschillende organen
Een bestuur bestaat uit een kleine kring van personen, omdat een vergadering van zeer grote
aantallen niet redelijk tot een besluit kan komen. De burger is aan de ene kant de soeverein
die de bestuurders aanwijst, en aan de andere kant onderworpen aan de door henzelf
ingestelde gezag.
Om een dictatuur te vermijden heeft men een middel gevonden: de verdeling van het gezag
over verschillende organen. De verschillende organen staan met elkaar in evenwicht, doordat
,ze allemaal een beetje macht hebben en een zekere verantwoordingsplicht hebben. Dit
wordt ook wel checks&balences genoemd.
Deze gedachte is gevormd door Montesequieu. Hij onderscheidt drie verschillende
machthebbenden: de koning, het parlement en de rechterlijke macht. Het parlement maakt
de wetten, de koning voert de wetten uit en de rechters constateren of de uitvoerende
macht de wet wel in acht genomen heeft.
De functies die Montesequieu hier schetst kloppen niet meer, aangezien de drie organen niet
meer los van elkaar opereren. De vaststelling van de wetten is de taak van de regering en het
parlement samen. Het bestuur is de taak van de regering, maar de regering staat bij
uitoefening daarvan onder controle van het parlement. Ze hebben elkaar dus nodig en
moeten elkaar controleren om in evenwicht te blijven.
1.3 De democratische rechtsstaat
Een democratie kan in de volgende aspecten worden onderscheiden:
1. Vrije verkiezingen – actief en passief kiesrecht
2. Openheid voor machtswisseling
3. Het parlement moet een centrale rol spelen in het staatbestel
Het begrip rechtsstaat valt uiteen in de volgende aspecten:
1. Individuen en particuliere instellingen hebben een staatsvrije sfeer (vrijheid van
meningsuiting, recht op bescherming van minderheden)
2. Optreden van een bestuursorgaan dient te berusten op een regel (legaliteitsbeginsel)
3. De regels waarin bevoegdheden van een overheidsorgaan zijn beschreven, moeten
worden vastgesteld door een ander orgaan (trias politica)
4. Geschillen moeten worden behandeld door een onafhankelijke rechter
1.4 Grondregels van een democratische rechtsstatelijke staatsorganisatie
De eerste grondregels is het legaliteitsbeginsel. Om machtsmisbruik te voorkomen mag een
bestuursorgaan alleen gebruik maken van een bevoegdheid als deze ook in de wet is
beschreven. Hiernaast moet het overheidsoptreden dus ook in overeenstemming zijn met de
wet.
De tweede regel luidt als volgt: niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder
verantwoording schuldig te zijn of zonder dat op die uitoefening controle bestaat. Het
handelend orgaan moet rekenschap kunnen afleggen waarom het zijn bevoegdheid wel of
niet heeft uitgeoefend en waarom juist op die manier en niet anders. Er zijn verschillende
vormen van verantwoordingsplicht:
1. De politieke verantwoordingsplicht van bestuurlijke organen jegens
vertegenwoordigende organen= de ministers moeten zich vertegenwoordigen
tegenover het parlement.
, 2. De ambtenaren die bepaalde bevoegdheden hebben, zijn verantwoording schuldig
aan hun chefs
3. Ook zonder dat sprake is van een ambtelijke ondergeschiktheid kan het voorkomen
dat een bestuursorgaan wordt gecontroleerd door een ander orgaan. Dit kan met
preventief toezicht, waarbij een bestuursorgaan voor een bepaalde handeling
goedkeuring moet vragen, of met repressief toezicht, waarbij een ‘hoger’
bestuursorgaan een beslissing van een ‘lager’ bestuursorgaan achteraf kan
corrigeren.
4. Gezagsdragers kunnen strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun daden, wanneer
een strafbepaling de gedraging strafbaar stelt.
5. De meeste besluiten van bestuursorganen zijn vatbaar voor beroep.
6. Wanneer er geen beroepsmogelijkheid bij de bestuursrechter aanwezig is, dan kan bij
de burgerlijke rechter een actie tot onrechtmatige daad tegen de overheid worden
ingesteld.
7. Er is een controle van de rechter op zekere wetgevende organen. Een rechter mag
nagaan of een algemeen verbindend voorschrift in overeenstemming is met hoger
recht.
1.5 Historische ontwikkeling van een democratisch-rechtsstatelijke staatsorganisatie
Gekozen vertegenwoordigers zijn niet altijd in staat om de bijzondere belangen van hun
kiezers te behartigen. Tegenwoordig maken inspraak, referenda en burgerinitiatieven het
mogelijk dat burgers ook invloed kunnen hebben.
1.6 Historische-systematische methode
Om instellingen, het concrete stelsel van bevoegdheden, te begrijpen moet men deze zien als
resultaat van een historische groei. Alleen deze historische blik is niet voldoende. Wil men de
uitbouw van het stelsel kritisch blijven volgen, dan zal men telkens nieuwe ontwikkelingen
aan systematische maatstaven moeten toetsen. Men zal bepaalde basisbeginselen moeten
hebben, waaraan een staatsinrichting moet voldoen.
Hoofdstuk 5 de regering
5.1 Inleiding
De Staten-Generaal is samen met de regering de wetgever. De regering bestaat uit de koning
en de ministers.
5.2 De regering, een samengesteld orgaan
Art. 42 lid 1 Gw geeft de definitie van de regering, ook wel een samengesteld orgaan.
Wanneer de regering een taak moet uitvoeren zonder dat de koning nodig is, dan wordt er
gesproken van een regering. Is de koning wel vereist, dan gaat wordt het een ‘bij koninklijk
besluit’ genoemd.