Inleiding
De enquêteprocedure biedt de Ondernemingskamer de mogelijkheid om snel in te grijpen wanneer
de continuïteit van een vennootschap wordt bedreigd. In situaties waarin aandeelhouders of
bestuurders lijnrecht tegenover elkaar staan, kan stilstand binnen de onderneming grote schade
veroorzaken. Om die reden kan de Ondernemingskamer al in een vroeg stadium onmiddellijke
voorzieningen treffen, nog voordat vaststaat of daadwerkelijk sprake is van wanbeleid. 1 Juist deze
verstrekkende bevoegdheid roept echter vragen op. Hoewel onmiddellijke voorzieningen volgens
vaste rechtspraak naar hun aard tijdelijk moeten zijn, kunnen zij in de praktijk gevolgen hebben die
moeilijk of zelfs onmogelijk zijn terug te draaien. Een tijdelijk benoemde bestuurder kan bijvoorbeeld
besluiten nemen die leiden tot een ingrijpende wijziging van de vennootschappelijke verhoudingen.
Hierdoor rijst de vraag of het onderscheid tussen tijdelijke en niet-tijdelijke maatregelen nog wel
betekenis heeft.2
In deze bijdrage wordt betoogd dat de stelling moet worden verworpen. Hoewel het onderscheid
tussen tijdelijke en niet-tijdelijke maatregelen in de praktijk niet altijd eenvoudig is, vormt de
tijdelijkheidseis nog steeds een belangrijke begrenzing van de bevoegdheid van de
Ondernemingskamer. Juist omdat onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen voordat
wanbeleid is vastgesteld, moet worden voorkomen dat de Ondernemingskamer via een voorlopige
procedure feitelijk definitieve rechtsposities vaststelt. 3 Dat tijdelijke maatregelen soms verstrekkende
of blijvende gevolgen kunnen hebben, betekent niet dat het onderscheid zijn betekenis heeft
verloren. De oplossing ligt daarom niet in het afschaffen van de tijdelijkheidseis, maar in een
zorgvuldige toetsing van maatregelen waarvan voorzienbaar is dat zij ingrijpende gevolgen kunnen
hebben.
De tijdelijkheidseis
Het uitgangspunt in het enquêterecht is dat een onmiddellijke voorziening naar haar aard tijdelijk
moet zijn. Dat betekent echter niet dat een dergelijke voorziening geen ingrijpende of zelfs
onomkeerbare gevolgen mag hebben. Dit volgt duidelijk uit het arrest SkyGate. In die zaak bestond
tussen de aandeelhouders van SkyGate een conflict over de financiering van de onderneming. Om de
impasse te doorbreken benoemde de Ondernemingskamer een tijdelijke bestuurder en trof zij
aanvullende voorzieningen die het mogelijk maakten een financieringsvoorstel uit te voeren zonder
de statutair vereiste goedkeuring van de algemene vergadering. De meerderheidsaandeelhouder
voerde in cassatie aan dat deze voorziening kon leiden tot een wijziging van de
zeggenschapsverhoudingen binnen de vennootschap en daarom niet als een tijdelijke voorziening
kon worden aangemerkt.4
De Hoge Raad verwierp dit standpunt. Volgens de Hoge Raad staat aan het treffen van onmiddellijke
voorzieningen niet zonder meer in de weg dat deze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen.
Beslissend is of de voorziening zelf naar haar aard voorlopig is en of de Ondernemingskamer een
1
Art. 2:349a lid 2 BW.
2
P.G.F.A. Geerts, 'Art. 2:349a BW', in: GS Rechtspersonen, aant. 3.6.1 (Onomkeerbare gevolgen), actueel t/m 15 oktober
2008; HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067 (Inter Access), r.o. 3.9.
3
F. Eikelboom, 'De voorzieningen van art. 2:356 BW; een tussenstation dat eindbestemming moet worden',
Ondernemingsrecht 2018/73, par. 2.1.
4
HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001, NJ 2002/92, m.nt. J.M.M. Maeijer (SkyGate), r.o. 3.6.
, zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. De tijdelijkheidseis ziet dus niet op de vraag of alle
gevolgen van de voorziening later volledig kunnen worden teruggedraaid, maar op het karakter van
de rechterlijke ingreep zelf. Een tijdelijke voorziening mag verstrekkende gevolgen hebben, zolang zij
niet neerkomt op een definitieve beslechting van het onderliggende geschil. 5
Deze benadering sluit aan bij de parlementaire geschiedenis van art. 2:349a BW. Tijdens de
behandeling van het wetsvoorstel is benadrukt dat de Ondernemingskamer geen naar haar aard
definitieve maatregel mag treffen, maar voor het overige over een ruime bevoegdheid beschikt om
voorzieningen te treffen die gelet op de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk zijn. Daarbij is
aanvaard dat ook tijdelijke maatregelen gevolgen kunnen hebben die zich later niet meer volledig
laten herstellen. De wetgever heeft dus niet bedoeld dat onmiddellijke voorzieningen zonder
blijvende effecten moeten blijven, maar wel dat de voorziening zelf een voorlopig karakter behoudt. 6
Uit SkyGate en de parlementaire geschiedenis volgt daarom dat de tijdelijkheidseis niet moet worden
gelijkgesteld aan omkeerbaarheid.7 Dit onderscheid is belangrijk. Een voorziening kan tijdelijk zijn,
terwijl de feitelijke gevolgen blijvend zijn. Zo kan een tijdelijk bestuurder besluiten nemen die na
afloop van zijn benoeming blijven voortbestaan. Dat maakt zijn benoeming echter nog niet definitief.
De kern van de tijdelijkheidseis is dat de Ondernemingskamer in de voorlopige fase van de
enquêteprocedure geen definitieve rechtsposities mag vaststellen. Zoals Eikelboom benadrukt,
dienen partijen zich voor schadevergoeding, contractuele aanspraken en andere definitieve
vermogensrechtelijke geschillen tot de gewone civiele rechter te wenden. De Ondernemingskamer is
in de eerste plaats belast met het herstellen van gezonde vennootschappelijke verhoudingen en niet
met het definitief beslechten van dergelijke geschillen. 8
Noodzaak en belangenafweging als aanvullende waarborgen
De tijdelijkheidseis vormt niet de enige begrenzing van de bevoegdheid van de Ondernemingskamer.
Uit de rechtspraak volgt dat een onmiddellijke voorziening slechts kan worden getroffen indien deze,
gelet op de toestand van de rechtspersoon, gerechtvaardigd is en de belangen van de betrokken
partijen op zorgvuldige wijze worden afgewogen. In Novero II overwoog de Hoge Raad dat de
Ondernemingskamer de vrijheid heeft om onmiddellijke voorzieningen te treffen die zij in verband
met de toestand van de rechtspersoon noodzakelijk acht, ook indien daarbij tijdelijk inbreuk wordt
gemaakt op bestaande rechtsverhoudingen. Daarbij geldt echter dat voldoende rekening moet
worden gehouden met de belangen van de betrokken partijen en dat een billijke belangenafweging
dient plaats te vinden. Bovendien moet de noodzaak van de voorziening voldoende zijn gebleken. 9
Deze rechtspraak laat zien dat niet iedere tijdelijke voorziening automatisch toelaatbaar is. De
Ondernemingskamer zal steeds moeten motiveren waarom een bepaalde maatregel noodzakelijk is
in het licht van de problemen binnen de vennootschap. Daarbij speelt tevens een rol of een minder
ingrijpende maatregel hetzelfde resultaat had kunnen bereiken. De Hoge Raad heeft in Novero II
5
P.G.F.A. Geerts, 'Art. 2:349a BW', in: GS Rechtspersonen, aant. 3.6.1 (Onomkeerbare gevolgen), actueel t/m 15 oktober
2008.
6
HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138 (SkyGate), r.o. 3.6; HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067 (Inter
Access), r.o. 3.9; P.G.F.A. Geerts, 'Art. 2:349a BW', in: GS Rechtspersonen, aant. 3.6.1.
7
HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001, NJ 2002/92, m.nt. J.M.M. Maeijer (SkyGate), r.o. 3.6.
8
F. Eikelboom, 'De voorzieningen van art. 2:356 BW; een tussenstation dat eindbestemming moet worden',
Ondernemingsrecht 2018/73, par. 2.1.
9
HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1652 (Novero II), r.o. 3.3.2-3.3.4.