Nationaal en Internationaal procederen
Week 1: Inleiding en internationale bevoegdheid
College 1: Inleiding nationaal en internationaal procederen
Ad 1) digitaal of niet-digitaal?
Niet-digitaal procederen is nog steeds de standaard bij rechtbanken en hoven. De Spoedwet
KEI is in werking getreden op 1 oktober 2019.
Digitaal procederen is beperkt mogelijk:
● in vorderingszaken bij de Hoge Raad sinds 1 maart 2017;
● in verzoekzaken bij de Hoge Raad sinds 1 april 2021.
Het wetsvoorstel Technische eenmaking Wetboek Rv (Kamerstuk 36 212) voorziet onder
meer in:
● het vervallen van afdeling 3A,
● hernummering van art. 30p en 30r Rv naar art. 29a respectievelijk 32a,
● verplaatsing van KEI-Rv-bepalingen naar Titel 11.
Mondelinge behandeling (comparitie van partijen) = hart van de procedure
De mondelinge behandeling vormt het centrale moment in de procedure.
● Door de Spoedwet KEI zijn art. 87–91 Rv volledig vernieuwd (vergelijk de
voormalige art. 30k–30n Rv-KEI).
● De mondelinge behandeling vindt meestal plaats na antwoord (art. 131 Rv), maar kan
in elke stand van het geding worden gehouden (art. 87 lid 1 Rv).
Tijdens de mondelinge behandeling kan de rechter:
● inlichtingen verkrijgen,
● proberen partijen tot een schikking te bewegen,
● de zaak verder instrueren (art. 87 lid 2 Rv).
De griffier informeert partijen over het doel van de mondelinge behandeling (art. 87 lid 4 Rv).
Van de behandeling wordt proces-verbaal opgemaakt (art. 90 Rv).
Mondelinge behandeling, schikken
De rechter kan tijdens de mondelinge behandeling een schikking beproeven (art. 87 lid 2 sub
c Rv).
● Bij een geslaagde schikking eindigt de procedure (art. 89 lid 1 Rv en art. 246 Rv).
1
, ● De schikking wordt vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst in proces-verbaal, in
executoriale vorm. Het is verstandig dit daadwerkelijk tijdens de zitting te doen, want
als een partij zich er dan niet aan houdt kan je executeren.
Komt geen schikking tot stand, dan bepaalt de rechter een nieuwe roldatum (art. 89 lid 2 Rv).
Ontwikkelingen digitalisering rechtspraak 2025?
Voor 2025 worden de volgende ontwikkelingen genoemd:
● toezichtzaken (curator, bewindvoerder en mentor) verlopen veelal digitaal;
● vanaf 1 januari 2025 moet bij alle rechtbanken het beslagrekest uitsluitend digitaal
worden ingediend;
● vanaf 26 mei 2025 is hoger beroep in verzoekschriftprocedures bij het gerechtshof
’s-Hertogenbosch digitaal;
● vanaf 2 juni 2025 wordt bij de rechtbank Den Haag digitaal geprocedeerd in
dagvaardingszaken handel;
● vanaf 2 juni 2025 wordt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden digitaal
geprocedeerd in hoger beroep in dagvaardingszaken handel en familie.
Ad 2) Modernisering beslagrecht
De modernisering van het beslagrecht is neergelegd in de Wet van 3 juni 2020 (Stb. 2020, 77).
De belangrijkste uitgangspunten zijn:
● bescherming van het bestaansminimum van de beslagschuldenaar;
● zo effectief mogelijke beslaglegging;
● beslag mag niet worden gebruikt als pressiemiddel.
Belangrijke vernieuwingen zijn:
● invoering van kentekenbeslag (art. 442 Rv);
● modernisering van de regeling van beslagvrije zaken (art. 447–448 Rv);
● introductie van een beslagvrij bedrag bij bankbeslag;
● aanpassing van de termijn voor de derdenverklaring.
Ad 3) Modernisering bewijsrecht
De Wet van 6 maart 2024 (Stb. 2024, 62) beoogt vereenvoudiging en modernisering van het
bewijsrecht en is in werking getreden op 1 januari 2025 (Stb. 2024, 72).
Uitgangspunten zijn:
● partijen verzamelen zoveel mogelijk zelf relevante informatie over hun geschil;
● de rechter mag binnen de grenzen van de rechtsstrijd de feitelijke grondslag van
vorderingen, verzoeken en verweren bespreken; (24 lid 2 Rv)
● er kan één verzoek worden gedaan voor één of meer voorlopige bewijsverrichtingen;
(96 Rv)
2
, ● invoering van een nieuwe regeling voor het inzagerecht; (194 en 195 a Rv)
● codificatie van de mogelijkheid tot beslaglegging op bewijsmateriaal. (205 en 207 Rv)
Ad 4) Advies opheffing onderscheid dagvaardings- en verzoekschriftprocedure
In het kader van de aanpak ter versterking van de toegang tot het recht heeft de minister in een
brief van 27 juni 2023 aangegeven dat:
● het onderscheid tussen de procedures belemmerend werkt;
● vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht nodig is;
● de dagvaarding wordt ervaren als een te formele inleiding.
De Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht heeft op 23 december 2024 geadviseerd dat:
● opheffing van het onderscheid tussen dagvaardings- en verzoekschriftprocedure goed
mogelijk en wenselijk is;
● in beginsel kan worden volstaan met één procedurevorm die geschikt is voor alle
vormen van geschilbeslechting.
Verwezen wordt naar het artikel van Van Mierlo in TCR 2025/2. Van Mierlo acht de opheffing
van het onderscheid mogelijk, en vindt het een belangrijke vereenvoudiging. Er kan volgens
hem volstaan met een procedurevorm. Het is bij dit artikel vooral van belang dat je weet dat
de discussie speelt, en dat je er een stelling over kan innemen.
Ad 5) Inleiding internationaal procederen
Nationaal en internationaal procederen – perspectieven
Het vak Nationaal en Internationaal Procederen behandelt nationale en internationale aspecten
in onderlinge samenhang. Vanuit internationaal perspectief gaat het om drie invalshoeken:
1. Internationaal privaatrecht (IPR): een coördinerend recht dat bepaalt welk recht en
welke rechter van toepassing zijn.
2. Internationaal en Europees eenvormig procesrecht, met name Europese procedures
zoals het Europees betalingsbevel, de small claims-procedure, Europees bankbeslag en
collectieve acties.
3. Vergelijkend perspectief: een blik op buitenlandse rechtsstelsels, in het bijzonder op
bewijs, rechtsmiddelen en collectieve acties.
Wat is IPR?
Het internationaal privaatrecht is een systeem van rechtsregels dat privaatrechtelijke
verhoudingen in internationale gevallen regelt. Er is sprake van IPR wanneer:
● de rechtsverhouding Internationaal is, bijvoorbeeld door woonplaats of nationaliteit
van partijen, of doordat een relevant rechtsfeit (zoals uitvoering van een contract) zich
in het buitenland afspeelt;
3
, ● het gaat om een Privaatrechtelijke rechtsverhouding, waaronder ook
privaatrechtelijke verhoudingen met de overheid;
● het toepasselijke Recht kan voortkomen uit nationaal recht, verdragen of
EU-verordeningen.
Belang internationaal privaat- en procesrecht (IPR)
Door grensoverschrijdende mobiliteit ontstaan steeds vaker internationale relaties en
geschillen. Daarbij geldt dat:
● materieel recht, procesrecht en instituties per land verschillen;
● zonder coördinatie rechtsonzekerheid zou ontstaan.
Het IPR fungeert daarom als een brug tussen verschillende rechtssystemen.
Procesrecht in internationaal perspectief
● Het burgerlijk procesrecht heeft een sterke nationale en lokale identiteit. Dit hangt
samen met staatssoevereiniteit en de territoriale begrenzing van justitiële bevoegdheid.
● Binnen het IPR geldt als uitgangspunt de lex fori processus: de rechter past zijn eigen
procesrecht toe.
● Binnen de EU wordt dit aangeduid als procedurele autonomie van de lidstaten.
Hoofdvragen in het IPR
Het IPR richt zich op drie kernvragen:
1. welke rechter is internationaal bevoegd?
2. welk recht is van toepassing?
3. hoe worden buitenlandse beslissingen erkend en ten uitvoer gelegd?
Overige onderwerpen (rechtshulp)
Naast de hoofdvragen omvat het internationaal procederen ook onderwerpen op het terrein
van rechtshulp tussen staten.
● betekening stukken
● bewijsopneming
● rechtsbijstand
● overige internationale samenwerking
De internationale procedure
4
Week 1: Inleiding en internationale bevoegdheid
College 1: Inleiding nationaal en internationaal procederen
Ad 1) digitaal of niet-digitaal?
Niet-digitaal procederen is nog steeds de standaard bij rechtbanken en hoven. De Spoedwet
KEI is in werking getreden op 1 oktober 2019.
Digitaal procederen is beperkt mogelijk:
● in vorderingszaken bij de Hoge Raad sinds 1 maart 2017;
● in verzoekzaken bij de Hoge Raad sinds 1 april 2021.
Het wetsvoorstel Technische eenmaking Wetboek Rv (Kamerstuk 36 212) voorziet onder
meer in:
● het vervallen van afdeling 3A,
● hernummering van art. 30p en 30r Rv naar art. 29a respectievelijk 32a,
● verplaatsing van KEI-Rv-bepalingen naar Titel 11.
Mondelinge behandeling (comparitie van partijen) = hart van de procedure
De mondelinge behandeling vormt het centrale moment in de procedure.
● Door de Spoedwet KEI zijn art. 87–91 Rv volledig vernieuwd (vergelijk de
voormalige art. 30k–30n Rv-KEI).
● De mondelinge behandeling vindt meestal plaats na antwoord (art. 131 Rv), maar kan
in elke stand van het geding worden gehouden (art. 87 lid 1 Rv).
Tijdens de mondelinge behandeling kan de rechter:
● inlichtingen verkrijgen,
● proberen partijen tot een schikking te bewegen,
● de zaak verder instrueren (art. 87 lid 2 Rv).
De griffier informeert partijen over het doel van de mondelinge behandeling (art. 87 lid 4 Rv).
Van de behandeling wordt proces-verbaal opgemaakt (art. 90 Rv).
Mondelinge behandeling, schikken
De rechter kan tijdens de mondelinge behandeling een schikking beproeven (art. 87 lid 2 sub
c Rv).
● Bij een geslaagde schikking eindigt de procedure (art. 89 lid 1 Rv en art. 246 Rv).
1
, ● De schikking wordt vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst in proces-verbaal, in
executoriale vorm. Het is verstandig dit daadwerkelijk tijdens de zitting te doen, want
als een partij zich er dan niet aan houdt kan je executeren.
Komt geen schikking tot stand, dan bepaalt de rechter een nieuwe roldatum (art. 89 lid 2 Rv).
Ontwikkelingen digitalisering rechtspraak 2025?
Voor 2025 worden de volgende ontwikkelingen genoemd:
● toezichtzaken (curator, bewindvoerder en mentor) verlopen veelal digitaal;
● vanaf 1 januari 2025 moet bij alle rechtbanken het beslagrekest uitsluitend digitaal
worden ingediend;
● vanaf 26 mei 2025 is hoger beroep in verzoekschriftprocedures bij het gerechtshof
’s-Hertogenbosch digitaal;
● vanaf 2 juni 2025 wordt bij de rechtbank Den Haag digitaal geprocedeerd in
dagvaardingszaken handel;
● vanaf 2 juni 2025 wordt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden digitaal
geprocedeerd in hoger beroep in dagvaardingszaken handel en familie.
Ad 2) Modernisering beslagrecht
De modernisering van het beslagrecht is neergelegd in de Wet van 3 juni 2020 (Stb. 2020, 77).
De belangrijkste uitgangspunten zijn:
● bescherming van het bestaansminimum van de beslagschuldenaar;
● zo effectief mogelijke beslaglegging;
● beslag mag niet worden gebruikt als pressiemiddel.
Belangrijke vernieuwingen zijn:
● invoering van kentekenbeslag (art. 442 Rv);
● modernisering van de regeling van beslagvrije zaken (art. 447–448 Rv);
● introductie van een beslagvrij bedrag bij bankbeslag;
● aanpassing van de termijn voor de derdenverklaring.
Ad 3) Modernisering bewijsrecht
De Wet van 6 maart 2024 (Stb. 2024, 62) beoogt vereenvoudiging en modernisering van het
bewijsrecht en is in werking getreden op 1 januari 2025 (Stb. 2024, 72).
Uitgangspunten zijn:
● partijen verzamelen zoveel mogelijk zelf relevante informatie over hun geschil;
● de rechter mag binnen de grenzen van de rechtsstrijd de feitelijke grondslag van
vorderingen, verzoeken en verweren bespreken; (24 lid 2 Rv)
● er kan één verzoek worden gedaan voor één of meer voorlopige bewijsverrichtingen;
(96 Rv)
2
, ● invoering van een nieuwe regeling voor het inzagerecht; (194 en 195 a Rv)
● codificatie van de mogelijkheid tot beslaglegging op bewijsmateriaal. (205 en 207 Rv)
Ad 4) Advies opheffing onderscheid dagvaardings- en verzoekschriftprocedure
In het kader van de aanpak ter versterking van de toegang tot het recht heeft de minister in een
brief van 27 juni 2023 aangegeven dat:
● het onderscheid tussen de procedures belemmerend werkt;
● vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht nodig is;
● de dagvaarding wordt ervaren als een te formele inleiding.
De Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht heeft op 23 december 2024 geadviseerd dat:
● opheffing van het onderscheid tussen dagvaardings- en verzoekschriftprocedure goed
mogelijk en wenselijk is;
● in beginsel kan worden volstaan met één procedurevorm die geschikt is voor alle
vormen van geschilbeslechting.
Verwezen wordt naar het artikel van Van Mierlo in TCR 2025/2. Van Mierlo acht de opheffing
van het onderscheid mogelijk, en vindt het een belangrijke vereenvoudiging. Er kan volgens
hem volstaan met een procedurevorm. Het is bij dit artikel vooral van belang dat je weet dat
de discussie speelt, en dat je er een stelling over kan innemen.
Ad 5) Inleiding internationaal procederen
Nationaal en internationaal procederen – perspectieven
Het vak Nationaal en Internationaal Procederen behandelt nationale en internationale aspecten
in onderlinge samenhang. Vanuit internationaal perspectief gaat het om drie invalshoeken:
1. Internationaal privaatrecht (IPR): een coördinerend recht dat bepaalt welk recht en
welke rechter van toepassing zijn.
2. Internationaal en Europees eenvormig procesrecht, met name Europese procedures
zoals het Europees betalingsbevel, de small claims-procedure, Europees bankbeslag en
collectieve acties.
3. Vergelijkend perspectief: een blik op buitenlandse rechtsstelsels, in het bijzonder op
bewijs, rechtsmiddelen en collectieve acties.
Wat is IPR?
Het internationaal privaatrecht is een systeem van rechtsregels dat privaatrechtelijke
verhoudingen in internationale gevallen regelt. Er is sprake van IPR wanneer:
● de rechtsverhouding Internationaal is, bijvoorbeeld door woonplaats of nationaliteit
van partijen, of doordat een relevant rechtsfeit (zoals uitvoering van een contract) zich
in het buitenland afspeelt;
3
, ● het gaat om een Privaatrechtelijke rechtsverhouding, waaronder ook
privaatrechtelijke verhoudingen met de overheid;
● het toepasselijke Recht kan voortkomen uit nationaal recht, verdragen of
EU-verordeningen.
Belang internationaal privaat- en procesrecht (IPR)
Door grensoverschrijdende mobiliteit ontstaan steeds vaker internationale relaties en
geschillen. Daarbij geldt dat:
● materieel recht, procesrecht en instituties per land verschillen;
● zonder coördinatie rechtsonzekerheid zou ontstaan.
Het IPR fungeert daarom als een brug tussen verschillende rechtssystemen.
Procesrecht in internationaal perspectief
● Het burgerlijk procesrecht heeft een sterke nationale en lokale identiteit. Dit hangt
samen met staatssoevereiniteit en de territoriale begrenzing van justitiële bevoegdheid.
● Binnen het IPR geldt als uitgangspunt de lex fori processus: de rechter past zijn eigen
procesrecht toe.
● Binnen de EU wordt dit aangeduid als procedurele autonomie van de lidstaten.
Hoofdvragen in het IPR
Het IPR richt zich op drie kernvragen:
1. welke rechter is internationaal bevoegd?
2. welk recht is van toepassing?
3. hoe worden buitenlandse beslissingen erkend en ten uitvoer gelegd?
Overige onderwerpen (rechtshulp)
Naast de hoofdvragen omvat het internationaal procederen ook onderwerpen op het terrein
van rechtshulp tussen staten.
● betekening stukken
● bewijsopneming
● rechtsbijstand
● overige internationale samenwerking
De internationale procedure
4