Stappenplan tot stand komen van de overeenkomst, in het bijzonder de
wilsvertrouwensleer.
A. Rechtsgebied
Het gaat om het leerstuk van de totstandkoming van de overeenkomst, in het bijzonder
de wilsvertrouwensleer.
Rechtsvraag: Is er een geldige overeenkomst tot stand gekomen?
Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding (art. 6:217 lid 1 BW).
B. Aanbod en aanvaarding
Onderzoek of sprake is van:
● een aanbod;
● een daarop aansluitende aanvaarding.
Indien hierover discussie bestaat, moet worden onderzocht of het aanbod geldig tot stand is
gekomen.
C. Geldigheid van het aanbod
C.1 Wil en verklaring (art. 3:33 BW)
Een aanbod is een rechtshandeling. Voor een geldige rechtshandeling vereist art. 3:33 BW
een op rechtsgevolg gerichte wil die overeenstemt met de verklaring.
Onderzoek daarom:
● wat de verklaarde bedoeling was;
● wat de werkelijke wil was;
● of wil en verklaring met elkaar overeenstemmen.
C.2 Tussenconclusie
● Indien wil en verklaring niet overeenstemmen, ontbreekt in beginsel een geldige
rechtshandeling.
○ Daardoor ontbreekt een geldig aanbod en kan in beginsel geen
overeenkomst tot stand komen op grond van art. 6:217 BW.
D. Beroep op gerechtvaardigd vertrouwen
D.1 Toetsing aan art. 3:35 BW
Onderzoek of de wederpartij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen
vertrouwen dat de verklaring overeenstemde met de werkelijke wil van de aanbieder.
De vraag is of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen.
D.2 Onderzoeksplicht van de wederpartij
Beoordeel of er omstandigheden waren die aanleiding hadden moeten geven tot twijfel over
de juistheid van de verklaring.
Betrek hierbij:
● de kenbaarheid van de vergissing;
● de deskundigheid van partijen;
● de omstandigheden van het geval;
● eventuele signalen die nader onderzoek noodzakelijk maakten.
Indien twijfel gerechtvaardigd was, kan op grond van art. 3:11 BW een onderzoeksplicht
bestaan.
, D.3 Tussenconclusie gerechtvaardigd vertrouwen
● Indien sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, kan de wederpartij bescherming
genieten op grond van art. 3:35 BW.
● Indien geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, kan degene die de verklaring
heeft afgelegd zich blijven beroepen op het ontbreken van overeenstemming tussen
wil en verklaring.
E. Conclusie
● Indien sprake is van een geldig aanbod en een daarop aansluitende aanvaarding, is
een overeenkomst tot stand gekomen (art. 6:217 BW).
● Indien geen geldig aanbod bestaat en de wederpartij geen beroep toekomt op art.
3:35 BW, is geen overeenkomst tot stand gekomen.
WEEK 2
Nietigheid: de rechtshandeling wordt geacht nooit te hebben bestaan 3:53 lid 1
terugwerkende kracht.
● Bescherming algemeen belang
● Beschermen belangen derde
Vernietiging:
● Bescherming van één van de partijen
● Vernietiging zelf = rechtshandeling
Dwaling (artikel 6:228 BW)
Vereisten van dwaling
Art. 6:228 lid 1 BW:
1. Onjuiste voorstelling van zaken: de werkelijkheid is anders dan hij denkt;
- Wat is de eigenschap waarover zij dwaalden?(koppelen aan feiten)
2. Causaal verband: als je het had geweten tijdens het sluiten van contract, zou je het
contract dan nog steeds hebben gesloten?
3. Gevaltypen (een van de gevaltypen a t/m c):
a. Er is gedwaald als gevolg van een inlichting van de wederpartij voordat het contract
wordt gesloten of ten tijde van de sluiting van het contract:
b. Er is gedwaald doordat de wederpartij heeft nagelaten een mededeling te doen:
c. Beide partijen verkeerden in dwaling.
4. Kenbaarheidsvereiste: het was voor de wederpartij kenbaar dat de omstandigheid
waaromtrent gedwaald werd van essentieel belang was voor de dwalende, zie de
tenzij-regel in artikel 6:228 lid 1 sub a en sub c BW.
Art. 6:228 lid 2 BW:
● De dwaling betrof een toekomstige omstandigheid (Booy/Wisman: het moet gaan om
een zuiver toekomstige omstandigheid):
● De dwaling blijft voor rekening van de dwalende op grond van de aard van de
overeenkomst, de omstandigheden van het geval of de verkeersopvattingen
○ i.c. de ‘verkeersopvattingen= Wat mensen in het dagelijks leven redelijk en
normaal vinden’: mogelijk een onderzoeksplicht (Baris/Riezenkamp)
○ Maar: Offringa/Vinck, Van der Beek/Van Dartel: als de wederpartij een
mededelingsplicht heeft geschonden, kan deze zich er in beginsel niet op