verhelderen
Boek – Ontwikkelingspsychologie
De student kan het vakgebied van de ontwikkelingspsychologie
beschrijven en deze kennis toepassen. De student kent de verschillende
theoretische perspectieven bij het kijken naar kinderen en kan
toepassen.
Ontwikkelingspsychologie is de wetenschappelijke studie van patronen van groei,
verandering en stabiliteit in menselijk gedrag en functioneren, vanaf de
conceptie tot aan de dood. Het vakgebied lijkt niet alleen naar wat veranderd,
maar ook naar wat relatief stabiel blijft gedurende de levensloop.
Een belangrijk uitgangspunt is het levensloopperspectief: ontwikkeling stopt niet
na de kindertijd of adolescentie, maar gaat door in de volwassenheid en
ouderdom. Ontwikkelingspsychologen gebruiken wetenschappelijke methoden
om ontwikkeling te beschrijven, verklaren en voorspellen.
Ontwikkelingsdomeinen:
1. Fysieke ontwikkeling
De fysieke ontwikkeling heeft betrekking op lichamelijke groei en biologische
rijping. Dit omvat onder andere groei in lengte en gewicht, hersenontwikkeling,
motorische vaardigheden, zintuigelijke ontwikkeling en seksuele rijping. Veel
fysieke veranderingen worden gestuurd door rijping, wat verwijst naar biologisch
bepaalde, relatief universele veranderingen die grotendeels onafhankelijk van
ervaring optreden.
2. Cognitieve ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling gaat over veranderingen in denken en
informatieverwerking, zoals leren, geheugen, probleemoplossend vermogen,
intelligentie en taalontwikkeling. Zowel rijping als ervaring spelen hierbij een
belangrijke rol.
3. Sociaal-emotionele ontwikkeling en
persoonlijkheidsontwikkeling
Dit domein richt zich op emoties, zelfregulatie, sociale relaties, zelfbeeld,
identiteit, persoonlijkheid en sociale vaardigheden. Het gaat om hoe mensen
zichzelf zien en hoe zij omgaan met anderen.
Ontwikkelingsfasen en sociale context
Ontwikkelingspsychologen delen de levensloop vaak in globale fasen in, zoals de
prenatale periode (conceptie tot geboorte), babytijd (0-2 jaar), peuter- en
kleuterleeftijd (2-6 jaar), schooltijd (6-12 jaar), adolescentie (12-20 jaar) en
ontluikende volwassenheid. Deze fasen zijn sociale constructies: cultureel
bepaald en niet strikt biologisch vastgelegd.
Iedereen behoort tot een cohort: een groep mensen die in dezelfde periode leeft
en daardoor vergelijkbare historische en sociale ervaringen deelt.
,Normatieve gebeurtenissen: zijn ervaringen die voor veel mensen binnen een
cohort vergelijkbaar verlopen:
- Normatieve historische invloeden (gebeurtenissen die een hele generatie
raken, bijv. coronapandemie, vuurwerkramp)
- Normatieve leeftijdsgebonden invloeden (typische gebeurtenissen bij een
leeftijd, bijv. puberteit).
- Normatieve sociaal-culturele invloeden (invloeden van cultuur, sociale
klasse, etniciteit, subcultuur, bijv. opvoednormen in een cultuur,
taalomgeving))
Niet-normatieve gebeurtenissen zijn: unieke, persoonlijke gebeurtenissen (bijv.
verlies van ouders, winnen van een prijs).
WEIRD: Een belangrijk punt uit het hoorcollege: veel onderzoek was lange tijd
gebaseerd op WEIRD-populaties (Western, Educated, Industrialized, Rich,
Democratic). Tegenwoordig is er meer aandacht voor diverse achtergronden
wereldwijd.
Centrale vraagstukken in de ontwikkelingspsychologie
Continue versus discontinue ontwikkeling
Bij continue ontwikkeling verloopt verandering geleidelijk en kwantitatief:
vaardigheden worden beter of sneller, maar veranderen niet van aard (bijv.
lezen).
Bij discontinue ontwikkeling verloopt ontwikkeling in stadia. Er vinden
kwalitatieve veranderingen plaats: mensen gaan op een andere manier denken of
functioneren. Iedereen doorloopt de stadia, maar niet op exact dezelfde leeftijd.
Kritieke en gevoelige perioden
Een kritieke perioden is een strikt afgebakende fase waarin bepaalde ervaringen
noodzakelijk zijn voor normale ontwikkeling. Als deze ervaringen ontbreken, kan
blijvende schade ontstaan. Een gevoelige periode is een fase waarin leren extra
makkelijk verloopt. Ontwikkeling is later nog mogelijk, maar vaak moeilijker.
Plasticiteit verwijst naar het vermogen van de hersenen en het gedrag om zich
aan te passen en te herstellen.
Nature: genetische invloeden
Nurture: omgevingsinvloeden (opvoeding, cultuur, onderwijs, relaties). Moderne
visie: ontwikkeling komt door interactie tussen nature en nurture
(biopsychosociaal model).
Theorieën en perspectieven: “welke bril zet je op?” : Een theorie is een
samenhangend, wetenschappelijk onderbouwd geheel van ideeën dat
ontwikkeling probeert te verklaren en te voorspellen. Elk perspectief belicht een
ander aspect van ontwikkeling; geen enkel perspectief is volledig.
,Psychodynamisch perspectief – Freud (stadia): Dit perspectief gaat ervan uit dat
gedrag beïnvloed wordt door innerlijke krachten en conflicten (vaak onbewust),
en dat vroege ervaringen belangrijk zijn.
Freud: persoonlijkheid bestaat uit:
- Id (lustprincipe): “ik wil het nu”
- Ego (realiteitsprincipe): “wat kan in de werkelijkheid?”
- Superego (geweten): “wat hoort, wat is goed/fout?”
Freud stelde dat gedrag sterk wordt beïnvloed door onbewuste processen en
vroege ervaringen. Hij beschreef psychoseksuele ontwikkelingsstadia, waarbij
in elke fase een andere erogene zone centraal staat. Problemen in een fase
kunnen leiden tot fixatie.
Daarnaast beschreef Freud psychoseksuele fasen
De belangrijkste stadia (globaal kennen):
- Orale fase (0-1 jaar): zuigen, eten; fixatie kan later leiden tot bijvoorbeeld
veel eten of roken.
- Anale fase (1-3 jaar): controle over zindelijkheid; fixatie kan leiden tot
overdreven controle of juist slordigheid.
- Fallische fase (3-6 jaar): interesse in geslachtsverschillen
- Latente fase (6-puberteit): seksuele energie op de achtergrond
- Genitale fase (puberteit en ouder): volwassen seksualiteit
Freud legt vooral nadruk op de vroege jeugd.
Psychosociale theorie – Erikson (stadia): Erikson breidde Freud uit en benadrukte
sociale en culturele invloeden. Hij beschreef acht psychosociale stadia, verspreid
over de hele levensloop. In elk stadium staat een conflict centraal dat moet
worden opgelost.
- Vertrouwen vs. wantrouwen (0-1 jaar)
o Ontwikkeling van basisvertrouwen door consistente, zorgzame
opvoeding.
- Autonomie vs. schaamte en twijfel (1-3 jaar)
o Leren zelfstandig handelen; te veel controle kan leiden tot schaamte
- Initiatief vs. schuldgevoel (3-6 jaar)
o Initiatief nemen in spel en fantasie; ontmoediging kan schuldgevoel
geven
- Vlijt vs. minderwaardigheid (6-12 jaar)
o Competentie ontwikkelen op school; falen kan leiden tot
minderwaardigheidsgevoel.
- Identiteit vs. identiteitsverwarring (adolescentie)
o Zoeken naar wie je bent en welke rol je wilt vervullen
- Intimiteit vs. isolement (jongvolwassenheid)
o Aangaan van hechte relaties
- Generativiteit vs. stagnatie (volwassenheid)
o Zorg dragen voor volgende generaties
- Integriteit vs. wanhoop (ouderdom)
, o Terugkijken op het leven met acceptatie of spijt.
Cognitief perspectief – Piaget (stadia): Piaget beschreef cognitieve ontwikkeling
als een reeks vaste, universele stadia, waarin het denken kwalitatief verandert.
Kinderen passen zich aan via assimilatie en accommodatie.
- Sensomotorisch stadium (0-2 jaar)
o Leren via zintuigen en beweging; ontwikkeling van
objectpermanentie
- Preoperationeel stadium (2-7 jaar)
o Symbolisch denken, egocentrisme, nog geen logisch denken
- Concreet-operationeel stadium (7-12 jaar)
o Logisch denken over concrete situaties; begrip van conservatie
- Formeel-operationeel stadium (12+)
o Abstract en hypothetisch denken
Assimilatie: betekent dat een kind nieuwe informatie inpast in een bestaand
schema zonder dat het schema verandert. Voorbeeld:
- Een kind heeft een schema voor hond (vier poten, staart)
- Het kind ziet voor het eerst een poedel.
- Het kind zegt: hond,
o De poedel past in het bestaande schema hond.
Het denken verandert hier niet van structuur; het kind gebruikt wat het al weet.
Accommodatie: betekent dat een kind zijn bestaande schema aanpast of een
nieuw schema maakt, omdat de nieuwe informatie niet past in wat het al kent.
Voorbeeld:
- Het kind noemt eerst een koe ook hond
- Iemand legt uit: dit is geen hond, dit is een koe
- Het kind past zijn schema aan:
o Hond = kleiner, blaft
o Koe = groter, loeit
Het schema verandert of er komt een nieuw schema bij.
Perspectieven zonder vaste stadia
Het behavioristisch perspectief (Pavlov, Skinner)
Kernidee: gedrag is vooral te verklaren door wat je van buiten ziet: stimuli,
gedrag en gevolgen. Interne processen zoals gedachten zijn minder belangrijk in
dit perspectief.
Klassieke conditionering (Pavlov) : Je leert dat twee dingen bij elkaar horen
- Eerst: prik = pijn > angst (automatische reactie)
- Daarna: witte jas (arts) wordt gekoppeld aan prik > je wordt al bang bij
witte jas.
Het is dus leren door associatie
Operante conditionering: Je leert door de gevolgen van je gedrag.