Thema 1.1 Wetenschappelijk onderzoek
Studiewijzer: Brightspace-omgeving
Leerdoelen:
1. Beschrijven waarom wetenschap wordt beoefend.
2. Beschrijven wat de empirische onderzoekscyclus is en uit welke fasen deze bestaat.
3. Beschrijven wat dubieuze onderzoekspraktijken zijn.
Beschrijven waarom wetenschap wordt beoefend.
Wetenschap wordt beoefend om op een betrouwbare manier te leren over de werkelijkheid en
deze in kaart te brengen.
De noodzaak hiervoor komt voort uit de feilbaarheid van de menselijke geest:
1. Beperking van eigen waarneming: Onze zintuiglijke informatieverwerking is gevoelig voor
verstoringen en vertekeningen. Een persoonlijk experiment (zoals zelf testen of cacaobonen
werken) is onbetrouwbaar omdat je vaak ziet wat je wilt zien (een placebo-effect of
wensdenken).
2. Objectiviteit: Wetenschap gebruikt systematische methoden om voorbij anekdotische en
subjectieve ervaringen te kijken. Hierdoor sluiten uitspraken zo goed mogelijk aan op de
daadwerkelijke realiteit.
3. Het praktische doel: Door de werkelijkheid te begrijpen, kunnen we de wereld om ons heen
beïnvloeden en verbeteren. Wetenschappelijke kennis vormt de basis voor effectieve
interventies en adviezen, zoals medische behandelingen, voedingsrichtlijnen, lesmethoden
in het onderwijs en overheidsbeleid. Het doel is om vast te stellen wat daadwerkelijk werkt,
onafhankelijk van onze eigen vermoedens.
Beschrijven wat de empirische onderzoekscyclus is en uit welke fasen deze bestaat.
De empirische onderzoekscyclus is het systematische proces van wetenschappelijk onderzoek
waarbij data worden verzameld. Het is een iteratief proces, wat betekent dat het einde van de
cyclus vaak weer leidt tot nieuwe onderzoeksvragen.
De cyclus bestaat uit de volgende vijf fasen:
1. Onderzoeksvraag formuleren: Dit is meestal het startpunt en bepaalt het ontwerp van de
studie.
2. Studie ontwerpen: Het plan maken voor hoe het onderzoek wordt uitgevoerd. In deze fase
kunnen al poweranalyses nodig zijn.
3. Data verzamelen: Het vergaren van de empirische gegevens. Let op: deze fase mag pas
starten als het studieontwerp onherroepelijk vaststaat.
4. Data analyseren: Het verwerken van de gegevens.
5. Rapporteren: Het verslagleggen van het proces en de uitkomsten (bijvoorbeeld in een
wetenschappelijk artikel), wat vaak weer leidt tot nieuwe vragen.
Hoewel dit als een stappenplan klinkt, lopen de fasen in de praktijk soms door elkaar heen. Zo
kan de inleiding van een rapportage al geschreven worden voordat de data binnen zijn, of kan
een onderzoeksvraag tijdens het ontwerpen nog worden bijgesteld als deze niet haalbaar blijkt
,Beschrijven wat dubieuze onderzoekspraktijken zijn.
Dubieuze onderzoekspraktijken (questionable research practices) zijn werkwijzen waarbij de
dataverzameling, -analyse of -rapportage wordt gestuurd door het verkrijgen van gewenste
resultaten in plaats van zuivere waarheidsvinding.
Bij deze praktijken worden de fasen van de onderzoekscyclus te flexibel gehanteerd om een
uitkomst te krijgen die de onderzoeker goed uitkomt. Dit verschilt van het volledig verzinnen
(fingeren) van data, maar is nog steeds schadelijk voor de betrouwbaarheid van de wetenschap.
Voorbeelden van dubieuze onderzoekspraktijken zijn:
4. Selectief rapporteren: Alleen die variabelen of condities noemen die het gewenste eUect
laten zien en de rest weglaten.
5. Flexibiliteit in data-analyse: Beslissen om afwijkende scores wel of niet weg te laten, of
extra variabelen toe te voegen, puur om de resultaten positief te beïnvloeden.
6. Aanpassen van hypotheses (HARKing): De hypotheses achteraf aanpassen zodat ze
aansluiten bij de gevonden resultaten.
7. Flexibiliteit in dataverzameling: Tijdens het onderzoek stoppen met meten zodra het
gewenste eUect er is, of juist doorgaan met meten omdat het eUect er nog niet is.
Om dit tegen te gaan, wordt steeds vaker gebruikgemaakt van preregistratie: het vastleggen van
de vraag, het ontwerp en de analyseplannen vòòrdat de dataverzameling begint
Thema 1 - Basisconcepten
Thema 1.2 Operationalisaties
Studiewijzer: Brightspace-omgeving
Leerdoelen:
1. Beschrijven wat variabelen zijn en welke functies ze kunnen hebben.
2. Beschrijven wat constructen zijn.
3. Beschrijven wat het verschil is tussen variabelen en constructen.
4. Beschrijven wat operationalisaties zijn.
5. Beschrijven wat meetinstrumenten zijn.
6. Beschrijven wat manipulaties zijn.
7. Beschrijven wat datapunten en -reeksen zijn.
8. Uitleggen hoe variabelen, operationalisaties, meetinstrumenten en manipulaties zich tot
elkaar verhouden.
9. Uitleggen wat een meetmodel is en hoe deze eruit ziet.
Beschrijven wat variabelen zijn en welke functies ze kunnen hebben.
Een variabele wordt gedefinieerd als iets dat varieert, of in theorie zou kunnen variëren. Als je
onderzoek wilt doen, is de eerste stap het bepalen van welke variabelen je gaat meten.
Variabelen kunnen betrekking hebben op objectieve zaken (zoals het aantal gegeten
cacaobonen of het land waar iemand woont), maar ook op psychologische kenmerken.
Psychologische variabelen zijn nuttig omdat ze andere, direct observeerbare variabelen kunnen
voorspellen of beïnvloeden, zoals tentamencijfers of herstelsnelheid na een operatie. In
wetenschappelijk jargon kan de term ‘variabele’ verwijzen naar zowel de theoretische variabele
(zoals leervaardigheid) als naar de reeks datapunten die uit een meting voortkomt.
,Beschrijven wat constructen zijn.
Constructen (of psychologische constructen) zijn psychologische variabelen waarvan de
definitie is afgeleid uit theorie. Deze definities specificeren wat wel en wat niet tot de variabele
behoort. Constructen zijn theoretisch van aard omdat we niet zeker weten of ze 'echt bestaan'
zoals fysieke objecten dat doen; mensen hebben bijvoorbeeld geen 'extraversie' fysiek in hun
hoofd zitten. Voorbeelden zijn intelligentie, depressie en leervaardigheid. Constructen zijn niet
direct observeerbaar.
Beschrijven wat het verschil is tussen variabelen en constructen.
Het begrip variabele is breder dan het begrip construct. Een variabele kan iets eenvoudigs en
objectiefs zijn met een duidelijk 'correct antwoord', zoals leeftijd of het aantal gegeten
cacaobonen. Een construct verwijst specifiek naar complexe psychologische variabelen die
niet direct observeerbaar zijn, geen eenduidige 'harde' definities hebben (zoals water dat wel
heeft), en geen standaard meeteenheid kennen. Daarnaast wordt de term 'construct' uitsluitend
gebruikt om naar de theoretische variabele te verwijzen, terwijl de term 'variabele' ook gebruikt
kan worden voor de datareeks (de getallen in je bestand).
Beschrijven wat operationalisaties zijn.
Operationalisaties zijn de vertaling van de definitie van een theoretisch construct naar een
concreet meetinstrument of een manipulatie. Ze maken een abstract construct tastbaar en
meetbaar. Het doel van een operationalisatie is om per onderzoekseenheid (bijvoorbeeld een
deelnemer) te resulteren in een datapunt per variabele.
Beschrijven wat meetinstrumenten zijn.
Een meetinstrument is een specifieke vorm van operationalisatie. Het doel ervan is om een
variabele (zoals extraversie) op consistente wijze te kwantificeren en te representeren in een
reeks getallen. Belangrijk hierbij is dat een meetinstrument de variabele alleen registreert en
niet beïnvloedt of verstoort. Meetinstrumenten bestaan vaak uit verschillende items of stimuli,
zoals vragen, stellingen, taken of observaties, waarvan de scores worden samengevoegd tot een
totaalscore.
Beschrijven wat manipulaties zijn.
In tegenstelling tot meetinstrumenten, hebben manipulaties juist als doel om een construct of
variabele te beïnvloeden. Dit wordt vaak toegepast in experimenteel onderzoek om causale
verbanden te toetsen. Bij een manipulatie worden stimuli (zoals beelden, instructies of filmpjes)
aangeboden om een verandering in het construct teweeg te brengen. Een voorbeeld is
deelnemers een verdrietig filmpje laten kijken om hun stemming te beïnvloeden.
Beschrijven wat datapunten en -reeksen zijn.
Wanneer een operationalisatie wordt toegepast, worden de resultaten geregistreerd als
datapunten (meestal getallen). Een verzameling van deze datapunten afkomstig van hetzelfde
meetinstrument binnen een onderzoek noemt men een datareeks. Deze datareeks wordt in de
, praktijk vaak ook 'variabele' genoemd. Als de operationalisatie van goede kwaliteit is,
representeert de datareeks de waarde van de theoretische variabele.
Uitleggen hoe variabelen, operationalisaties, meetinstrumenten en manipulaties zich tot elkaar
verhouden.
De relatie is als volgt: Je begint met een theoretische variabele (vaak een construct). Om deze
te kunnen onderzoeken, heb je een operationalisatie nodig. Deze operationalisatie is ofwel een
meetinstrument (om te meten zonder te verstoren) ofwel een manipulatie (om te
beïnvloeden). Deze operationalisaties resulteren uiteindelijk in datapunten die samen een
datareeks vormen, welke de theoretische variabele representeert in je data
Uitleggen wat een meetmodel is en hoe deze eruit ziet.
Een meetmodel visualiseert hoe een variabele via stimuli of items is geoperationaliseerd.
- Visuele weergave: Variabelen of constructen worden weergegeven in ovalen, en de
indicatoren (de stimuli of items, zoals vragen) worden weergegeven in rechthoeken.
- Reflectief meetmodel (bij meten): Hierbij lopen de pijlen van het construct (ovaal) naar
de indicatoren (rechthoeken). Dit veronderstelt dat het construct bepaalt hoe iemand op
de items scoort.
- Bij manipulaties: Hier loopt de pijl in tegengestelde richting, namelijk van de indicator (de
stimulus in de rechthoek) naar het construct (ovaal), omdat de stimulus het construct
beïnvloedt. In de praktijk wordt bij manipulaties de ovaal soms weggelaten en staat de naam
van de variabele direct in de rechthoek
Thema 1 - Basisconcepten
Thema 1.3 Betrouwbaarheid en validiteit
Studiewijzer: Brightspace-omgeving
Leerdoelen:
1. Beschrijven wat betrouwbaarheid is.
2. Beschrijven wat validiteit is.
3. Uitleggen hoe verschillende opvattingen van validiteit zich tot elkaar verhouden.
4. Uitleggen hoe validiteit zich verhoudt tot betrouwbaarheid.
5. Beschrijven wat een (niet-) systematische meetfout is.
6. Uitleggen hoe een (niet-) systematische meetfout zich verhoudt tot betrouwbaarheid en
validiteit.
7. Beschrijven wat het verschil is tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek.
Beschrijven wat betrouwbaarheid is.
Betrouwbaarheid is de mate waarin een meting bij herhaling telkens hetzelfde resultaat
oplevert. Het wordt gedefinieerd als de stabiliteit van een meetinstrument over herhaalde
metingen. Wanneer een meetinstrument gevoelig is voor toevallige verstorende invloeden op de
testprestatie, is de betrouwbaarheid van dit instrument lager. Om de betrouwbaarheid te
bepalen, kijkt men vaak naar de samenhang van testscores op het ene moment met die op een
later moment, waarbij idealiter de omstandigheden gelijk blijven.
Beschrijven wat validiteit is.