W4
Inhoudelijke leerdoelen
1. Heb je inzicht in de reikwijdte van het legaliteitsbeginsel, mede in het licht van de historische
ontwikkeling ervan;
2. Kun je aangeven hoe het belang van wetgeving, via het legaliteitsbeginsel, voortvloeit uit de
eisen van democratie en rechtsstaat;
3. Kun je aangeven of en waarom in een concreet geval een wettelijke grondslag is vereist voor
overheidsoptreden;
4. Kun je beschrijven hoe wet- en regelgeving op centraal niveau totstandkomen en op welke
wijze parlementaire betrokkenheid mogelijk kan worden gemaakt bij amvb’s:
5. Kun je ontwikkelingen op het gebied van wetgeving (o.a. delegatie en discretionaire
bevoegdheden) en daarmee samenhangende knelpunten duiden in het licht van het
legaliteitsbeginsel;
6. Ken je de grondwettelijke en verdragsrechtelijke waarborgen voor onafhankelijke en
onpartijdige rechtspraak en kan je deze toepassen;
7. Kun je verbanden leggen tussen deze waarborgen en de werkwijze en organisatie van de
rechtspraak in Nederland;
8. Kun je uitleggen hoe de bevoegdheid van de Nederlandse rechter zich historisch heeft
ontwikkeld en welke rol artikel 6 EVRM daarbij heeft gespeeld;
9. Weet je hoe de bevoegdheid van de Nederlandse rechter nu grondwettelijk is geregeld en
kun je deze bepalingen toepassen;
10. Kun je uitleggen wat de betekenis is van artikel 120 Gw voor de omvang van de rechterlijke
toetsing.
,Staatsrecht
W4
Leerdoel 1: Heb je inzicht in de reikwijdte van het legaliteitsbeginsel, mede in het licht van de
historische ontwikkeling ervan.
In Nederland kennen we veel verschillende soorten wetgeving. Wetgeving op nationaal niveau,
decentraal niveau etc. Je zou je kunnen afvragen waarom nu bijna alles zijn grondslag vindt in de wet.
Dat heeft te maken met het legaliteitsbeginsel.
Het vaststellen van wetten in formele zin geschiedt door de regering en de Staten-Generaal, art. 81
Gw.
Overheidsoptreden moet altijd een grondslag hebben in de wet. Samen met machtenscheiding,
grondrechten en onafhankelijke rechtspraak vormt het de basis van onze democratie.
Het legaliteitsbeginsel geeft tevens rechtszekerheid. Overheidsoptreden gaat volgens vastgestelde
regels, burgers weten dan waar zij aan toe zijn. Ook zorgt het voor rechtsgelijkheid. Gelijke gevallen
worden gelijk behandeld. Ten slotte zorgt het voor begrenzing van de overheidsmacht. De overheid
kan niet zomaar en overal tegen optreden.
Legaliteit en democratie
Als het volk betrokken is geweest bij het vaststellen van die regels, dan zijn die regels democratisch
gelegaliseerd. Je kan dan stellen dat bepaald overheidsoptreden is vastgesteld door de stem van het
volk. Legaliteit en democratie zitten dus op die manier aan elkaar gekoppeld.
Ontwikkeling van het legaliteitsbeginsel
De grondwet van 1815 kende de wetgevende macht toe aan de koning en de Staten-Generaal
gezamenlijk. De grondwet benadrukte dat bepaalde zaken specifiek bij wet geregeld moesten
worden.
In de grondwet van 1815 bleven bepaalde zaken onbesproken. Hierdoor nam de koning het ruim, hij
ging er alleen vanuit dat hij het parlement alleen nodig had als de grondwet dit eiste. Verder
interpreteerde hij de grondwet zo dat hij rechtstreeks bevoegd was tot het nemen van besluiten.
De koning kon ook straffen zetten op overtredingen. Deze macht werd in de loop der jaren steeds
verder beperkt.
,Staatsrecht
W4
Uit de grondwet van 1815 bleek dus dat er twee moeilijkheden waren;
1. Het was niet duidelijk hoe de bevoegdheid was verdeel over onderwerpen die niet
nadrukkelijk in de grondwet omschreven werden;
2. Het was niet duidelijk of de koning op de gebieden waarop hij bevoegd was tot optreden, ook
mocht overgaan tot het maken van wetten.
De blanketwet van 1818
In 1818 ontstond de blanketwet waarin werd vastgesteld dat de koning zelf geboden en verboden kon
maken. Overtreding daarvan kon met straffen worden gehandhaafd. De koning kon dit besluiten, er
was geen parlementaire goedkeuring nodig.
Willem I maakte hier veel gebruikt van. Het werd daarom ook wel de besluitenregering van Willem I
genoemd.
Het was dus niet duidelijk waar de koning nu precies wetgeving voor mocht maken. Koning Willem I
ging ervan uit dat hij d.m.v. algemene maatregelen van bestuur een regelende bevoegdheid bezat. Hij
zou die bevoegdheid kunnen toepassen op alle gebieden die niet bij de grondwet aan de wetgever
waren overgelaten.
De HR heeft antwoord gegeven op de vraag naar de grondwettigheid van de besluiteregering in het
Meerenberg-arrest 1879 (Meerenberg arrest + art. 89 lid 2 Gw)
De casus:
Meerenberg (soort ziekenhuis) moest via een KB/AMvB een patiënten register gaan bijhouden.
Meerenberg weigerde dit en de instelling werd vervolg. Meerenberg stelde echter dat een besluit
geen wettelijke basis kent. Nergens in een formele wet staat dat de koning een registratieplicht kan
opleggen.
Vraag:
Mag de koning zelfstandig regels maken zonder dat daar een wet van het parlement achter zit? Heeft
de koning dus een zelfstandige regelgevende bevoegdheid?
Oordeel HR:
Nee, volgens de grondwet ligt de wetgevende macht bij de regering en de Staten-Generaal, de koning
heeft alleen een uitvoerende macht.
‘De overheid mag burgers alleen verplichtingen opleggen als daar een duidelijk basis is in een
(formele) wet’.
Dus, AMvB’s mogen niet meer zomaar zelfstandige strafbare regels omvatten zonder wettelijke
grondslag. Dit veranderde dus ten opzichte van 1818.
De HR had daarbij namelijk de ‘wetgevende macht’ geïnterpreteerd als ‘de macht tot het stellen van
regels’ en deze kwamen alleen toe aan de Koning en de Staten-Generaal tezamen. Alleen, via een
AMvB, kon dat dut niet meer.
, Staatsrecht
W4
De ontwikkeling kun je dus als volgt samenvatten:
Gevolg:
Door het Meerenberg Arrest haalde de HG een streep door de zelfstandige bevoegdheid van de
koning en de regering om AMvB’s te maken.
1840 – strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid
Sinds 1840 moesten besluiten van de koning worden ondertekend door een minister. Die
controleerde daardoor of besluiten rechtmatig waren. Hiermee stond de koning niet meer volledig
boven de wet.
1848 – politieke ministeriële verantwoordelijkheid
Minister kregen in 1848 verantwoordelijkheden tegen het parlement. Niet de koning, maar minister
moesten zich gaan verantwoorden. Hierdoor verschoof de macht steeds verder naar het parlement
en de regering.
Materiele kant van het legaliteitsbeginsel
Het materiele legaliteitsbeginsel hebben we niet besproken. Dit gaat over het zo veel mogelijke
opnemen van algemene regels in wetten in formele zin.
Het materiele legaliteitsbeginsel is een streven, en geen eis zoals bij het formele legaliteitsbeginsel
wel is.
Materiele legaliteit en democratie
Vanuit democratisch oogpunt is het wenselijk dat niet alles overgelaten wordt aan de ministers en/of
de regering. Ook het parlement moet hier invloed op kunnen hebben (is het streven). Waarom is dit?
- Het parlement is rechtstreeks gekozen door het volk, democratie
- Minister zijn indirect verkozen, indirecte democratie.
Het is dus vanuit democratisch oogpunt wenselijk dat volksvertegenwoordigers meebeslissen over
belangrijke regels voor burgers.
Conclusie
Als je dus concluderend kijkt naar het legaliteitsbeginsel dan dient het de rechtszekerheid,
rechtsgelijkheid en beperkt de overheidsmacht. Wetgeving komt van de regering en de Staten-
Generaal tezamen, art. 81 Gw. Het legaliteitsbeginsel zorgt ervoor dat de overheid alleen kan
handelen o.b.v. democratisch vastgestelde regels en burgers beschermd zijn voor willekeur.