Week 5
Inhoudelijke leerdoelen
1. Kun je uitleggen wat de betekenis is van artikel 94 Gw voor de omvang van de rechterlijke
toetsing.
2. Ken je de criteria voor eenieder verbindendheid van verdragsbepalingen en kan je deze
toepassen in een nieuwe casus.
3. Kun je uitleggen welke grenzen aan de rechtsvormende taak van de rechter zijn gesteld in de
arresten Arbeidskostenforfait en Urgenda en kun je deze criteria toepassen in een nieuwe
casus.
4. Kun je uitleggen welke verschillende soorten grondrechten er zijn.
5. Weet je wat wordt bedoeld met de reikwijdte van een grondrecht, hoe deze zich verhoudt tot
beperking van grondrechten en hoe de beperkingssystematiek van grondwettelijke
grondrechten en grondrechten in het EVRM in elkaar steekt.
6. Kun je uitleggen welke plannen anno 2025 bestaan voor de aanpassing van het
toetsingsverbod in art. 120 Gw.
7. Kun je aan de hand van voorbeelden uitleggen wat wordt verstaan onder ‘positieve
verplichtingen’ en horizontale werking van grondrechten.
Jurisprudentie
1. HR Staat/Niet-rokersvereniging CAN
a. Met annotatie van J.J.J. Sillen
2. HR Arbeidskostenforfait
3. ABRvS 12 juni 2019 Kirpan
4. Urgenda
,Staatsrecht
Week 5
Leerdoel 1: Kun je uitleggen wat de betekenis is van artikel 94 Gw voor de omvang van de
rechterlijke toetsing.
Art. 120 Gw
In Nederland kennen wij een verbod op constitutionele toetsing. Dat bepaalt dat toetsing van de
grondwettigheid is voorbehouden aan de wetgever in formele zin, art. 120 Gw en
Harmonisatiewetarrest. Een rechter mag dus niet nagaan of de inhoud van een wet in strijd is met de
grondwet, maar een rechter mag ook niet nagaan of de totstandkoming van een wet aan de
grondwet voldoet.
Art. 94 Gw -> mogelijkheid tot verdragstoetsing
In de loop der jaren heeft dit toetsingsverbod een andere lading gekregen. Dit komt voornamelijk
door de doorwerking van voorrang van het internationaal recht boven het nationale recht.
Het constitutionele toetsingsverbod (art. 120 Gw) beperkt zich tot de grondwet en de wet in formele
zin. Hij mag wel wettelijke voorschriften (waaronder de grondwet en de wet in formele zin) buiten
toepassing laten als hij van oordeel is dat deze voorschriften niet in overeenstemming zijn met
eenieder verbindende bepalingen uit internationaal recht, art. 94 Gw.
Dus een rechter mag niet nagaan of een wet in overeenstemming is met de Nederlandse Grondwet,
maar wel wetten (waaronder de grondwet) toetsen op hun verenigbaarheid met internationale
verdragen.
Op grond van art. 94 Gw is Nederlandse wetgeving dus niet van toepassing als deze in strijd is met
internationale verdragen.
Art. 93 Gw
Bepalingen uit verdragen en besluiten van internationale wetgeving krijgen een verbindende kracht in
Nederland als ze “eenieder kunnen verbinden”.
Artikel 93 Gw kan dus worden gezien als toegangspoort en art. 94 Gw als doorwerking.
Monistisch
Art. 93 en 94 Gw regelen dus de directe werking en voorrang van verdragsbepalingen. Hieruit blijkt
dat Nederland een systeem van gematigde monisme kent. Internationale regels maken deel uit van
de Nederlandse rechtsorde, maar hebbe in bepaalde gevallen directe werking.
Internationaal recht werkt dus automatisch door in Nederland en je hoeft het niet eerst om te zetten
in nationale wetgeving, monistisch.
, Staatsrecht
Week 5
Leerdoel 2: Ken je de criteria voor eenieder verbindendheid van verdragsbepalingen en kan je deze
toepassen in een nieuwe casus.
Eenieder verbindendheid
Voor de doorwerking en toetsing van art. 93 jo. 94 Gw moet het dus gaan om eenieder verbindende
verdragen. Hoe wordt daaraan getoetst?
Toetsing verdragen eenieder verbindend:
Stap 1: bedoeling van partijen:
- Zijn de verdragspartijen overeengekomen dat aan het verdrag geen rechtstreekse werking
moet worden toegekend?
o Als dat zo is, is het een niet eenieder verbindende bepaling
Stap 2: inhoud van de bepaling:
- Verplicht de bepaling de wetgever tot het treffen van nationale regelingen. Moeten er
wettelijke maatregelen worden genomen voor het bereiken van een bepaald doel?
o Als dat zo is, is het niet eenieder verbindend.
- Kan een regel direct doorwerken in de nationale rechtsorde? IS het dus een regel die direct in
staten gebruikt kunnen worden en is er voldoende duidelijk wat er moet gebeuren?
o Als dat zo is, is het een eenieder verbindende bepaling.
Beoordeling in abstracto. Of alles eenieder verbindend of alles niet eenieder verbindend.
Artikel 94 Gw: de rechter moet toetsen aan verdragsbepalingen die eenieder verbindend zijn. De
rechter moet dus eerst beoordelen of deze bepaling eenieder verbindend is. Criteria daarvoor volgen
uit rechtspraak HR, Spoorwegstaking, maar het meest recente arrest hierover is Staat/Niet-
rokersvereniging:
1. Intentie verdragsstaten om geen rechtstreekse werking toe te kennen?
2. Is de bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om in de nationale rechtsorde als
objectief recht te kunnen worden toegepast? Daarvoor wordt gekeken naar de context
waarin de bepaling wordt ingeroepen.
Dus, eenieder verbindendheid:
Wat kan uit de tekst worden afgeleid? Indien beoogd was om geen eenieder
verbindende werking toe te staan, dan dient dat
oogmerk gevolgd te worden.
Is de verdragsbepaling onvoorwaardelijk en Kan de bepaling zonder nadere uitwerking door
voldoende nauwkeurig? de wetgever effect hebben? Kan het dus als
objectief recht worden toegepast
Context van de concrete situatie Alles is afhankelijk van de situatie