by Sophie
Lezen van de vraag:
1. lees de vraag
2. markeer wat belangrijk is in de vraag
3. vraag je af wat er nou precies wordt gevraagd en wat je moet antwoorden
4. zorg dat je de vraag nog 1x leest zodat je weet dat je geen woorden hebt
overgeslagen
5. (bij geschiedenis vaak met een bronvraag haal je al bijna je hele antwoord uit het
bovenschrift boven de bron bijv: het jaartal, achtergrondkenmerken en wat voor tekst
het is. Markeer dat dus ook)
Beantwoorden van de vraag:
1. lees dus de vraag
2. begin NOOIT met het beantwoorden van de vraag met
voegwoorden/signaalwoorden: maar, omdat enz
3. begin bij je antwoord met de vraag herhalen en ga zo dan verder
4. Maak hele zinnen
5. Probeer ook zo uitgebreid mogelijk antwoord te geven
bijv: Waarom voelt pietje zich niet lekker?
niet; pietje is ziek
wel; pietje is ziek, omdat ze te veel snoep heeft gegeten
(bij het eerste antwoord zou je 1 punt krijgen en bij het tweede antwoord 2)
6. bij het vak nederlands krijg je ook puntenaftrek op spelling in je antwoorden, dus
check je zin of het qua spelling en grammatica klopt
7. Op het eind lees je antwoord nog een keer door en kijk of je daadwerkelijk op de
vraag antwoord hebt gegeven
Oefenen van het examen:
1. gebruik de samenvatting en oefenboeken van examensprint
2. laat je overhoren uit dat samenvatting boekje zodat je die in principe uit je hoofd kent
3. oefen oude examens → die vind je op examenblad.nl
4. als je die examens hebt geoefend kan je zien wat je nog niet goed snapt en ga dat
dan oefenen
5. oefen je formulering
6. voor de rest oefenen, oefenen en oefenen
7. begrippen ook oefenen, oefenen, oefenen
Wat neem je mee naar je examen?
1. etui → potlood, marker, pen, gum, geodriehoek
2. rekenmachine of gr rekenmachine
3. nederlands woordenboek + engels woordenboek (engels cse)
4. water + kauwgom