Stervensfase
Kenmerken stervensfase:
● Veranderende ademhaling / reutelen
● Onrustig gedrag, veranderd bewustzijn
● Oligurie / anurie
● Spitse neus
● Huidskleur: cyanose, grauw, bleek, marmering, lijkvlekken
● Intake naar beneden
● Vermoeidheid
Fentanyl pleisters werken nog even door omdat de pleisters fentanyl afgegeven in de huid in
het vetweefsel.
Richtlijn palliatieve sedatie:
● Team overleg
● Sneller verhogen dosering midazolam
● Stap 1: Midazolam tot 20mg/uur
● Stap 2: Levomepromazine ….
● Niet voldoende; stap 3: propofol of fenobarbita
Taken als verpleegkundige:
● Pijn- en symptoommanagement = comfort
● Emotionele en psychologische ondersteuning (evt. spirituele zorg)
● Begeleiden van familie
● Informatie verstrekken
● Documentatie zorgpad stervensfase
● Samenwerking met andere zorgverleners
Belangrijke symptomen en interventies in de stervensfase:
● Pijn → morfine sc.
● Reutelen → uitleg geven aan naasten; veroorzaakt door slijm in de bovenste
luchtwegen. Patiënt is zich hier niet bewust van en lijdt hier niet onder, ondanks dat
het wel vervelend klinkt. Uitzuigen kan, maar zorgt juist voor stimulatie van
slijmvorming, dus wordt afgeraden. Zijligging kan verlichting geven.
● Dyspneu → uitleg geven over wat een Cheyne-Stokes ademhaling is en dat dit niet
gepaard gaat met dyspneu en dat stikken bijna nooit voorkomt. Geven van morfine
subcutaan, eventueel in combinatie met midazolam.
● Zuurstof → je geeft geen zuurstof meer in de stervensfase, dit verlengt het
stervensproces en de patiënt heeft hier geen profijt van. Als de familie dit per se wil,
kan je maximaal 1 of 2 liter geven.
● Misselijkheid en braken → het geven van anti-emetica, bijvoorbeeld metoclopramide
(rectaal, subcutaan of intraveneus) of haldol (in de wangzak, subcutaan of
intraveneus). Bij onvoldoende effect kan er dexamethason worden gestart.
● Terminale onrust → behandelen van mogelijke oorzaken zoals blaasretentie of
obstipatie, aanpassen medicatie. Zorgen voor een rustige, stabiele en veilige
omgeving, eventueel met rooming-in van vertrouwde personen.
● Angst → onderken en bespreken van angst, eventueel starten benzodiapine.
● Mictie- en defecatieproblemen → inbrengen katheter, geven van klysma.
Kenmerken stervensfase:
● Veranderende ademhaling / reutelen
● Onrustig gedrag, veranderd bewustzijn
● Oligurie / anurie
● Spitse neus
● Huidskleur: cyanose, grauw, bleek, marmering, lijkvlekken
● Intake naar beneden
● Vermoeidheid
Fentanyl pleisters werken nog even door omdat de pleisters fentanyl afgegeven in de huid in
het vetweefsel.
Richtlijn palliatieve sedatie:
● Team overleg
● Sneller verhogen dosering midazolam
● Stap 1: Midazolam tot 20mg/uur
● Stap 2: Levomepromazine ….
● Niet voldoende; stap 3: propofol of fenobarbita
Taken als verpleegkundige:
● Pijn- en symptoommanagement = comfort
● Emotionele en psychologische ondersteuning (evt. spirituele zorg)
● Begeleiden van familie
● Informatie verstrekken
● Documentatie zorgpad stervensfase
● Samenwerking met andere zorgverleners
Belangrijke symptomen en interventies in de stervensfase:
● Pijn → morfine sc.
● Reutelen → uitleg geven aan naasten; veroorzaakt door slijm in de bovenste
luchtwegen. Patiënt is zich hier niet bewust van en lijdt hier niet onder, ondanks dat
het wel vervelend klinkt. Uitzuigen kan, maar zorgt juist voor stimulatie van
slijmvorming, dus wordt afgeraden. Zijligging kan verlichting geven.
● Dyspneu → uitleg geven over wat een Cheyne-Stokes ademhaling is en dat dit niet
gepaard gaat met dyspneu en dat stikken bijna nooit voorkomt. Geven van morfine
subcutaan, eventueel in combinatie met midazolam.
● Zuurstof → je geeft geen zuurstof meer in de stervensfase, dit verlengt het
stervensproces en de patiënt heeft hier geen profijt van. Als de familie dit per se wil,
kan je maximaal 1 of 2 liter geven.
● Misselijkheid en braken → het geven van anti-emetica, bijvoorbeeld metoclopramide
(rectaal, subcutaan of intraveneus) of haldol (in de wangzak, subcutaan of
intraveneus). Bij onvoldoende effect kan er dexamethason worden gestart.
● Terminale onrust → behandelen van mogelijke oorzaken zoals blaasretentie of
obstipatie, aanpassen medicatie. Zorgen voor een rustige, stabiele en veilige
omgeving, eventueel met rooming-in van vertrouwde personen.
● Angst → onderken en bespreken van angst, eventueel starten benzodiapine.
● Mictie- en defecatieproblemen → inbrengen katheter, geven van klysma.