psychologie
Inhoud
102 Meerkeuzevragen biologische psychologie......................................................1
Voorbeeldvragen................................................................................................. 2
Evolutie / DNA..................................................................................................... 3
Homeostase........................................................................................................ 8
Ontwikkeling........................................................................................................ 9
Persoonlijkheid.................................................................................................. 12
Emoties............................................................................................................. 14
Depressie.......................................................................................................... 15
Het hart en het brein......................................................................................... 15
Antwoorden.......................................................................................................... 17
SUCCES!
, Voorbeeldvragen
1. Waar vindt transcriptie plaats in een eukaryote cel?
a. In de kern
b. In het cytoplasma
c. In het ribosoom
1. Wat is het belangrijkste verschil tussen neuronale en endocriene communicatie?
a. Neuronale communicatie is langzaam en diffuus, terwijl endocriene
communicatie snel en gericht is.
b. Neuronale communicatie maakt gebruik van hormonen, terwijl endocriene
communicatie gebruikmaakt van neurotransmitters.
c. Neuronale communicatie is snel en gericht, terwijl endocriene communicatie
langzaam en diffuus is.
1. Wat is de rol van T-helpercellen in de immuunrespons?
a. Ze doden geïnfecteerde cellen direct.
b. Ze activeren andere immuuncellen, zoals B-cellen en T-cytotoxische cellen.
c. Ze produceren antilichamen.
1. Wat is de BESTE definitie van aborisatie?
a. Het proces waarbij de myeline-schede zich rond axonen vormt om de
signaaloverdracht te versnellen.
b. De geprogrammeerde celdood van neuronen die geen functionele verbindingen
vormen tijdens de ontwikkeling.
c. De groei en vertakking van dendrieten en axonen, waardoor neuronen
verbindingen kunnen maken met vele andere neuronen.
2. Wat is het verschil tussen gastrulatie en invaginatie tijdens de embryonale ontwikkeling?
a. Gastrulatie verwijst naar de vorming van de drie kiemlagen door verschillende
celbewegingen, terwijl invaginatie een specifieke beweging is waarbij cellen naar
binnen vouwen.
b. Invaginatie is het proces waarbij de eicel zich splitst in kiemlagen, terwijl
gastrulatie alleen plaatsvindt in planten.
c. Gastrulatie is verantwoordelijk voor de vorming van weefsels, terwijl invaginatie
alleen betrokken is bij de deling van cellen.
1. Wat is de functie van het corpus luteum?
a. Het produceren van FSH en LH.
b. Het produceren van progesteron.
c. Het stimuleren van de ovulatie.