Voorbereiden voor week 1
WEEK 1 – Het constitutionele kader van rechtsbescherming tegen
de overheid
Leerdoelen
Aan het eind van deze week kan de student:
de constitutionele positie van de rechter uiteenzetten en verklaren;
de historische ontwikkeling van de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming schetsen en verklaren;
de staatsrechtelijke verhouding tussen wetgever, bestuur en
rechtspraak weergeven en becommentariëren;
de indringendheid van de rechterlijke toetsing in relatie tot de
beginselen van willekeur, evenredigheid en proportionaliteit weergeven
en analyseren;
de rechtsvormende taak van de rechter omschrijven en
problematiseren;
de constitutionalisering van het procesrecht, en met name de
ontwikkelingen omtrent het recht op een eerlijk proces, weergeven,
duiden en analyseren.
Verplichte literatuur
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat
Hoofdstuk 1, par. 1.1 en 1.2
Hoofdstuk 6, par. 6.1 en 6.2
Conclusie staatsraad advocaat-generaal Widdershoven over exceptieve
toetsing, 22 december 2017, ECLI:NL: RVS:2017:3557, paragraaf 8
inclusief samenvatting
Verplichte jurisprudentie
HR 16 mei 1986 (Landbouwvliegers)
ABRvS 9 mei 1996 (Kwantum Nederland B.V. (Maxis & Praxis))
ABRvS 4 juni 1996 (Keuringsplaats Scheerwolde)
ABRvS 11 februari 2005 (Geschorste ongewenstverklaring)
ABRvS 4 maart 2015 (Alcoholslot)
CRvB 1 juli 2019 (Verdeelmodel Participatiewet)
,Aantekening
Wet in formele zin
Toetsingsverbod art. 120 Gw: “De rechter treedt niet in de beoordeling
van de grondwettigheid van wetten en verdragen”. De wet in formele zin
en verdragen mogen niet worden getoetst aan de grondwet.
Wet in materiele zin
Procedure wet in formele zin is sprake van een gezamenlijk besluit van de
regering en Staten-Generaal (Tweede en Eerste kamer) volgens een
procedure vastgesteld in art. 82 Gw.
Wet in materiele zin, algemene verbindende voorschriften.
Vragen en opdrachten
Vraag 1
Van 1848 tot 1983 bepaalde de Grondwet: ‘De wetten zijn onschendbaar’.
Volgens de toelichting moest deze bepaling aldus worden verstaan dat zij
elke toetsing door de rechter van de formele wet, aan welke hogere
regeling dan ook, uitsloot. Sinds de grondwetswijziging van 1983 luidt het
in artikel 120 Grondwet neergelegde toetsingsverbod: ‘De rechter treedt
niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten’. Deze nieuwe
formulering van het toetsingsverbod heeft de vraag opgeworpen of de
rechter de wet wèl mag toetsen aan andere dan grondwettelijke normen,
vooral aan fundamentele rechtsbeginselen.
a. In welk arrest is deze vraag aan de orde geweest?
Wet in formele zin – belangrijkste arrest – HR Harmonisatiewet
HR Harmonisatiewet. De HR vond dat als zij zelf zouden toetsen aan
het rechtszekerheidsbeginsel, hij de taak van de wetgever zou
overnemen en dit niet verenigbaar is met het huidige staatsbestel,
dus onverenigbaar met de trias politica. De HR oordeelt dat een wet
in formele zin niet aan het Statuut maar ook niet aan een
ongeschreven rechtsbeginsel mag worden getoetst.
b. Leg uit welk antwoord de Hoge Raad op deze vraag heeft gegeven
en noem argumenten waarom de HR tot dit antwoord is gekomen.
De HR heeft gekozen voor een toetsingsverbod. Dit blijkt uit de r.o.
3.5 en 3.6, waarin de HR betoogt dat in de parlementaire
behandeling niets te vinden is over het feit dat art. 120 Gw niet op
fundamentele rechtsbeginselen van toepassing zou zijn. Verder haalt
de HR traditionele plaats van de rechtspraak in de Trias Politica aan
en pleit het dus voor een terughoudende rechter. Niet toetsen aan
de wet of beginsel.
Argument 1
, “Dat de rechter de hem gestelde grenzen zou overschrijden door te
oordelen dat artikel 120 zich niet ook tegen toetsing van de wet in
formele zin aan fundamentele rechtsbeginselen verzet” (r.o. 3.6)
Argument 2
“Dat bij de grondwetsherziening van 1983 noch van de zijde van de
regering, noch van de zijde van het parlement is betoogd dat de
gewijzigde formulering een andere strekking heeft dan de oude
onschendbaarheidsbepaling.”
Argument 3
Verder overweegt de HR dat een ruim toetsingsverbod wezenlijk is
voor de traditionele plaats van de rechterlijke macht in het
staatsbestel (r.o. 3.5)
Als je art. 120 Gw zou herformuleren:
De rechter mag (de totstandkoming van) wetten in formele zin niet
toetsen aan de grondwet, het Statuut en ongeschreven rechtsbeginselen.
Argumenten om wél te toetsen aan de grondwet, Statuut en
ongeschreven rechtsbeginselen:
Argument 1
Belangrijke dat de burger rechtsbescherming van de burger tegen
de overheid, ook de wetgever moet getoetst worden.
Argument 2
Wetten in formele zin worden al getoetst aan de beginselen, door
internationale verdragen met directe werking (art. 6 EVRM).
Argument 3
Wetgeving wordt gemaakt door Staten-Generaal en de regering. Het
zwaartepunt ligt op dit moment bij de huidige maatschappij bij
bestuur, dat is niet de bedoeling in een traditionele trias politica. Het
zwaartepunt licht bij degene die niet is gekozen door de burgers,
niet democratisch gelegitimeerd.
, Vraag 2
Gelet op het belang van onafhankelijke bestuursrechtspraak in een
democratische rechtsstaat mag men verwachten dat de organisatie van
de bestuursrechtspraak een stevige verankering kent in de Grondwet.
Boek
Democratische rechtsstaat is een verkorte benaming voor een drietal
dimensies.
1. De burgers moeten zeggenschap hebben over het overheidshandelen
2. Vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid tegenover het
overheidshandelen
3. De overheid is er niet voor zichzelf, maar dat zij de omstandigheden
moet scheppen die het de burger daadwerkelijk mogelijk maken aan zijn
leven gestalte te geven.
De overheid dient zo min mogelijk in de grijpen in de rechten en vrijheden
van burgers (subsidiariteit en proportionaliteit), vanuit het perspectief van
de burger te omschrijven als (liberale) grondrechten.
Aantekening
Vijf beginselen democratische rechtstaat:
1. De burgers hebben grondrechten
2. Trias politica
3. Legaliteitsbeginsel, altijd een wettelijke grondslag vereist
4. Onafhankelijke rechter
5. Democratiebeginsel, burgers moeten inspraak hebben in
overheidsfunctioneren (verkiezingen).
a. Hoe is de organisatie van bestuursrechtspraak in de Grondwet
geregeld?
Men zou verwachten dat de Grondwet een overzicht geeft van de
organisatie van de bestuursrechtspraak. De Nederlandse Grondwet
stelt op dit punt echter teleur. Het is niet verankerd in de eigen
Grondwet.
Wat de Gw wel regelt zijn bepalingen die wijzen op de mogelijkheid
van bestuursrechtspraak. Art. 73 lid 3 Gw geeft de wetgever
bijvoorbeeld de bevoegdheid om aan de Raad van State of een
afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur op te
dragen.
Art. 112 lid 2 Gw:
WEEK 1 – Het constitutionele kader van rechtsbescherming tegen
de overheid
Leerdoelen
Aan het eind van deze week kan de student:
de constitutionele positie van de rechter uiteenzetten en verklaren;
de historische ontwikkeling van de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming schetsen en verklaren;
de staatsrechtelijke verhouding tussen wetgever, bestuur en
rechtspraak weergeven en becommentariëren;
de indringendheid van de rechterlijke toetsing in relatie tot de
beginselen van willekeur, evenredigheid en proportionaliteit weergeven
en analyseren;
de rechtsvormende taak van de rechter omschrijven en
problematiseren;
de constitutionalisering van het procesrecht, en met name de
ontwikkelingen omtrent het recht op een eerlijk proces, weergeven,
duiden en analyseren.
Verplichte literatuur
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat
Hoofdstuk 1, par. 1.1 en 1.2
Hoofdstuk 6, par. 6.1 en 6.2
Conclusie staatsraad advocaat-generaal Widdershoven over exceptieve
toetsing, 22 december 2017, ECLI:NL: RVS:2017:3557, paragraaf 8
inclusief samenvatting
Verplichte jurisprudentie
HR 16 mei 1986 (Landbouwvliegers)
ABRvS 9 mei 1996 (Kwantum Nederland B.V. (Maxis & Praxis))
ABRvS 4 juni 1996 (Keuringsplaats Scheerwolde)
ABRvS 11 februari 2005 (Geschorste ongewenstverklaring)
ABRvS 4 maart 2015 (Alcoholslot)
CRvB 1 juli 2019 (Verdeelmodel Participatiewet)
,Aantekening
Wet in formele zin
Toetsingsverbod art. 120 Gw: “De rechter treedt niet in de beoordeling
van de grondwettigheid van wetten en verdragen”. De wet in formele zin
en verdragen mogen niet worden getoetst aan de grondwet.
Wet in materiele zin
Procedure wet in formele zin is sprake van een gezamenlijk besluit van de
regering en Staten-Generaal (Tweede en Eerste kamer) volgens een
procedure vastgesteld in art. 82 Gw.
Wet in materiele zin, algemene verbindende voorschriften.
Vragen en opdrachten
Vraag 1
Van 1848 tot 1983 bepaalde de Grondwet: ‘De wetten zijn onschendbaar’.
Volgens de toelichting moest deze bepaling aldus worden verstaan dat zij
elke toetsing door de rechter van de formele wet, aan welke hogere
regeling dan ook, uitsloot. Sinds de grondwetswijziging van 1983 luidt het
in artikel 120 Grondwet neergelegde toetsingsverbod: ‘De rechter treedt
niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten’. Deze nieuwe
formulering van het toetsingsverbod heeft de vraag opgeworpen of de
rechter de wet wèl mag toetsen aan andere dan grondwettelijke normen,
vooral aan fundamentele rechtsbeginselen.
a. In welk arrest is deze vraag aan de orde geweest?
Wet in formele zin – belangrijkste arrest – HR Harmonisatiewet
HR Harmonisatiewet. De HR vond dat als zij zelf zouden toetsen aan
het rechtszekerheidsbeginsel, hij de taak van de wetgever zou
overnemen en dit niet verenigbaar is met het huidige staatsbestel,
dus onverenigbaar met de trias politica. De HR oordeelt dat een wet
in formele zin niet aan het Statuut maar ook niet aan een
ongeschreven rechtsbeginsel mag worden getoetst.
b. Leg uit welk antwoord de Hoge Raad op deze vraag heeft gegeven
en noem argumenten waarom de HR tot dit antwoord is gekomen.
De HR heeft gekozen voor een toetsingsverbod. Dit blijkt uit de r.o.
3.5 en 3.6, waarin de HR betoogt dat in de parlementaire
behandeling niets te vinden is over het feit dat art. 120 Gw niet op
fundamentele rechtsbeginselen van toepassing zou zijn. Verder haalt
de HR traditionele plaats van de rechtspraak in de Trias Politica aan
en pleit het dus voor een terughoudende rechter. Niet toetsen aan
de wet of beginsel.
Argument 1
, “Dat de rechter de hem gestelde grenzen zou overschrijden door te
oordelen dat artikel 120 zich niet ook tegen toetsing van de wet in
formele zin aan fundamentele rechtsbeginselen verzet” (r.o. 3.6)
Argument 2
“Dat bij de grondwetsherziening van 1983 noch van de zijde van de
regering, noch van de zijde van het parlement is betoogd dat de
gewijzigde formulering een andere strekking heeft dan de oude
onschendbaarheidsbepaling.”
Argument 3
Verder overweegt de HR dat een ruim toetsingsverbod wezenlijk is
voor de traditionele plaats van de rechterlijke macht in het
staatsbestel (r.o. 3.5)
Als je art. 120 Gw zou herformuleren:
De rechter mag (de totstandkoming van) wetten in formele zin niet
toetsen aan de grondwet, het Statuut en ongeschreven rechtsbeginselen.
Argumenten om wél te toetsen aan de grondwet, Statuut en
ongeschreven rechtsbeginselen:
Argument 1
Belangrijke dat de burger rechtsbescherming van de burger tegen
de overheid, ook de wetgever moet getoetst worden.
Argument 2
Wetten in formele zin worden al getoetst aan de beginselen, door
internationale verdragen met directe werking (art. 6 EVRM).
Argument 3
Wetgeving wordt gemaakt door Staten-Generaal en de regering. Het
zwaartepunt ligt op dit moment bij de huidige maatschappij bij
bestuur, dat is niet de bedoeling in een traditionele trias politica. Het
zwaartepunt licht bij degene die niet is gekozen door de burgers,
niet democratisch gelegitimeerd.
, Vraag 2
Gelet op het belang van onafhankelijke bestuursrechtspraak in een
democratische rechtsstaat mag men verwachten dat de organisatie van
de bestuursrechtspraak een stevige verankering kent in de Grondwet.
Boek
Democratische rechtsstaat is een verkorte benaming voor een drietal
dimensies.
1. De burgers moeten zeggenschap hebben over het overheidshandelen
2. Vrijheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid tegenover het
overheidshandelen
3. De overheid is er niet voor zichzelf, maar dat zij de omstandigheden
moet scheppen die het de burger daadwerkelijk mogelijk maken aan zijn
leven gestalte te geven.
De overheid dient zo min mogelijk in de grijpen in de rechten en vrijheden
van burgers (subsidiariteit en proportionaliteit), vanuit het perspectief van
de burger te omschrijven als (liberale) grondrechten.
Aantekening
Vijf beginselen democratische rechtstaat:
1. De burgers hebben grondrechten
2. Trias politica
3. Legaliteitsbeginsel, altijd een wettelijke grondslag vereist
4. Onafhankelijke rechter
5. Democratiebeginsel, burgers moeten inspraak hebben in
overheidsfunctioneren (verkiezingen).
a. Hoe is de organisatie van bestuursrechtspraak in de Grondwet
geregeld?
Men zou verwachten dat de Grondwet een overzicht geeft van de
organisatie van de bestuursrechtspraak. De Nederlandse Grondwet
stelt op dit punt echter teleur. Het is niet verankerd in de eigen
Grondwet.
Wat de Gw wel regelt zijn bepalingen die wijzen op de mogelijkheid
van bestuursrechtspraak. Art. 73 lid 3 Gw geeft de wetgever
bijvoorbeeld de bevoegdheid om aan de Raad van State of een
afdeling van de Raad de uitspraak in geschillen van bestuur op te
dragen.
Art. 112 lid 2 Gw: