natuurkunde samenvatting
2.1
Krachten Kunnen de beweging van een voorwerp veranderen. krachten
kunnen ook de vorm van een voorwerp veranderen. Een vervorming kan
elastisch of plastisch zijn. Bij een elastische vervorming komt de
oorspronkelijke vorm van het voorwerp weer terug, als de kracht
ophoudt te werken. Bij een plastische vervorming wordt het voorwerp
blijvend vervormd. De spierkracht ontstaat doordat de spieren in je
lichaam zich samentrekken. Veerkracht ontstaat als je een veerkrachtig
materiaal uitrekt of indrukt. De veerkracht verdwijnt weer als het
materiaal zijn oude vorm terugkrijgt. Spankracht is kracht die in een taal
ontstaat als er aan beide uiteinde wordt getrokken. De zwaartekracht is
de kracht die aan jou en aan alle voorwerpen om je heen trekt.
Magnetische kracht is kracht die werkt tussen de twee polen van een
magneet. Die kan afstotend of aantrekkend zijn. Krachten kun je meten
met een krachtmeter. Op een krachtmeter staat een schaal verdeling in
Newton. Newton (n) is de eenheid waarin je kracht meet: van de
aantrekkingskracht tussen twee magneten tot de zwaartekracht op het
aardoppervlak. Om de zwaartekracht op een voorwerp te vinden, moet je
de massa vermenigvuldigen met 9,8. (F2=MxG). Een kracht heeft een
grootte, een richting en een aangrijpingspunt. Een grootheid met deze
eigenschappen noem je een vector. Een vector teken je een pijl. Als je
een kracht gaat tekenen, kies je eerst een kracht schaal. Bijvoorbeeld: 1
cm = 5n. Dat betekent dat een pijl met een lengte van 1 cm een kracht
van 5n voorstelt. Een kracht van 15n teken je deze schaal als een pijl van
3 cm. Als vereenvoudiging kies je echter één punt, het zwaartepunt (z),
in het midden van het voorwerp.
2.2
Het verband Kunt bepalen Tussen de kracht op een veer en de
uitrekking: Het aantal centimeter waarmee de lengte van de veer
toeneemt. je vergelijkt daarvoor de lengte van een veer met de nulstand:
de lengte bij het begin van het proef, als de veer niet wordt uitgerekt. Als
je gewichtjes Gebruikt met een massa Van 100 g, Neemt de kracht op de
veer telkens Toe met 1,0 N. Zo kun je aantonen Dat de uitrekking Recht
evenredig is met de kracht. Omdat de uitreiking van een veer Recht
evenredig is Met de kracht, Krijg je steeds hetzelfde getal Als je de kracht
deelt door de bijhorende uitrekking. Dit constante getal C wordt de veer
constante genoemd. (C=F:U). - C de veerconstante in Newton per
2.1
Krachten Kunnen de beweging van een voorwerp veranderen. krachten
kunnen ook de vorm van een voorwerp veranderen. Een vervorming kan
elastisch of plastisch zijn. Bij een elastische vervorming komt de
oorspronkelijke vorm van het voorwerp weer terug, als de kracht
ophoudt te werken. Bij een plastische vervorming wordt het voorwerp
blijvend vervormd. De spierkracht ontstaat doordat de spieren in je
lichaam zich samentrekken. Veerkracht ontstaat als je een veerkrachtig
materiaal uitrekt of indrukt. De veerkracht verdwijnt weer als het
materiaal zijn oude vorm terugkrijgt. Spankracht is kracht die in een taal
ontstaat als er aan beide uiteinde wordt getrokken. De zwaartekracht is
de kracht die aan jou en aan alle voorwerpen om je heen trekt.
Magnetische kracht is kracht die werkt tussen de twee polen van een
magneet. Die kan afstotend of aantrekkend zijn. Krachten kun je meten
met een krachtmeter. Op een krachtmeter staat een schaal verdeling in
Newton. Newton (n) is de eenheid waarin je kracht meet: van de
aantrekkingskracht tussen twee magneten tot de zwaartekracht op het
aardoppervlak. Om de zwaartekracht op een voorwerp te vinden, moet je
de massa vermenigvuldigen met 9,8. (F2=MxG). Een kracht heeft een
grootte, een richting en een aangrijpingspunt. Een grootheid met deze
eigenschappen noem je een vector. Een vector teken je een pijl. Als je
een kracht gaat tekenen, kies je eerst een kracht schaal. Bijvoorbeeld: 1
cm = 5n. Dat betekent dat een pijl met een lengte van 1 cm een kracht
van 5n voorstelt. Een kracht van 15n teken je deze schaal als een pijl van
3 cm. Als vereenvoudiging kies je echter één punt, het zwaartepunt (z),
in het midden van het voorwerp.
2.2
Het verband Kunt bepalen Tussen de kracht op een veer en de
uitrekking: Het aantal centimeter waarmee de lengte van de veer
toeneemt. je vergelijkt daarvoor de lengte van een veer met de nulstand:
de lengte bij het begin van het proef, als de veer niet wordt uitgerekt. Als
je gewichtjes Gebruikt met een massa Van 100 g, Neemt de kracht op de
veer telkens Toe met 1,0 N. Zo kun je aantonen Dat de uitrekking Recht
evenredig is met de kracht. Omdat de uitreiking van een veer Recht
evenredig is Met de kracht, Krijg je steeds hetzelfde getal Als je de kracht
deelt door de bijhorende uitrekking. Dit constante getal C wordt de veer
constante genoemd. (C=F:U). - C de veerconstante in Newton per