INLEIDING IN DE BIOLOGIE
Thema 1 VWO 4
Thom Willeman
,Basisstof 1
Wat is biologie
Organismen: Alle levende wezens, zoals planten, dieren, schimmel en bacteriën.
Alle organismen vertonen levensverschijnselen:
➢ Voortplanten
➢ Groeien
➢ Ontwikkelen
➢ Stofwisseling → Alle chemische reacties in een organisme, bij deze reacties
katalyseren (versnellen) enzymen de reactie.
Een organisme is dood als deze geen levensverschijnselen meer vertoont, een
levenloos object heeft nooit levensverschijnselen vertoond, zoals een steen.
Levensloop en levenscyclus
Elk individu in de biologie heeft een eigen unieke
levensloop, de levensloop start direct na het ontstaan
van het individu en eindigt bij de dood. Individuen vallen
onder dezelfde soort als zij zich onderling kunnen
voortplanten en daaruit vruchtbare nakomelingen
ontstaan.
De levenscyclus behoort niet tot een individu, maar tot
een soort. De levenscyclus begint bij het ontstaan van de
soort en eindigt bij het uitsterven van de soort. In de
afbeelding staat de levenscyclus van een vlinder.
Figuur 1 Levensloop
Organisatieniveaus in de biologie
Alle organismen zijn georganiseerd in biologische
eenheden.
Biologische eenheden:
1. Molecuul → Bouwstenen van stoffen.
2. Cel → Als verschillende cellen samenwerken vormen zij een orgaan.
3. Orgaan → Deel van een organisme met een functie.
4. Organisme → Alles wat levend is, dit kan eencellig of meercellig zijn.
5. Populatie → Groep individuen van dezelfde soort.
6. Ecosysteem → Begrensd gebied met bepaald eigenschappen, de
eigenschappen kunnen levend (organismen) en niet-levend (temperatuur) zijn.
7. Biosfeer → Het geheel aan ecosystemen of aarde.
Emergente eigenschap: Als er op een hoger organisatieniveau een eigenschap
ontstaat, die niet op een lager organisatieniveau mogelijk is, zoals lopen.
Interactie: Als dingen op elkaar reageren.
1
, Basisstof 2
Organen, weefsel en cellen
Orgaanstelsel: Een groep organen die samen een functie heeft.
Alle orgaanstelsels:
➢ Bloedvatenstelsel → Hart en bloedvaten
➢ Spijsverteringsstelsel → Slokdarm, lever, maag, galblaas, alvleesklier, dunne en
dikke darm
➢ Ademhalingsstelsel → Strottenhoofd, luchtpijp en longen
➢ Zenuwstelsel → Hersenen, ruggenmerg en zenuwen
➢ Huid → Alle lagen van de huid
➢ Bewegingsstelsel → Spieren, pezen banden, botten en gewrichten
➢ Bloed → Beenmerg, bloedcellen, bloedplaatjes en plasma
➢ Hormoonstelsel → Schildklier, bijnieren en alvleesklier
➢ Uitscheidingsstelsel → Nieren, longen en blaas
➢ Afweerstelsel → Milt en lymfeklieren
Weefsel
Organen zijn opgebouwd uit weefsels, een groep
cellen met dezelfde vorm en functie noem je een
weefsel. In het menselijk lichaam komen 4
soorten weefsels voor.
1. Dekweefsel (epitheelweefsel) →
Dekweefsel beschermt en bekleedt
inwendige en uitwendige
lichaamsoppervlakten. De cellen zijn vaak
rechthoekig en liggen heel dicht op elkaar.
2. Zenuwweefsel → In zenuwweefsel zitten Figuur 2 Soorten weefsels
zenuwen die informatie doorgeven. De
cellen van dit type weefsel zijn vaak vertakt.
3. Spierweefsel → In spierweefsel zitten cellen die samentrekken. Deze cellen zijn
vaak langgerekt.
4. Bindweefsel → Bindweefsel zorgt voor steun en vorm bij organen en
organismen, ze verbinden ook onderling lichaamsdelen en kunnen ruimte
opvullen tussen organen. Deze cellen kunnen stevig of elastisch zijn.
Tussencelstof
Bij weefsels liggen de cellen vaak niet direct
naast elkaar, maar zit er tussencelstof
tussen. Het soort tussencelstof hangt af
van de functie van het weefsel. In
kraakbeenweefsel liggen groepjes van 2 of 3
cellen tegen elkaar en daarna volgt wat
tussencelstof. Kraakbeen is elastisch en
buigzaam, omdat de tussencelstof minder Figuur 3 Tussencelstof
kalkzouten bevat en meer collageenvezels.
2
Thema 1 VWO 4
Thom Willeman
,Basisstof 1
Wat is biologie
Organismen: Alle levende wezens, zoals planten, dieren, schimmel en bacteriën.
Alle organismen vertonen levensverschijnselen:
➢ Voortplanten
➢ Groeien
➢ Ontwikkelen
➢ Stofwisseling → Alle chemische reacties in een organisme, bij deze reacties
katalyseren (versnellen) enzymen de reactie.
Een organisme is dood als deze geen levensverschijnselen meer vertoont, een
levenloos object heeft nooit levensverschijnselen vertoond, zoals een steen.
Levensloop en levenscyclus
Elk individu in de biologie heeft een eigen unieke
levensloop, de levensloop start direct na het ontstaan
van het individu en eindigt bij de dood. Individuen vallen
onder dezelfde soort als zij zich onderling kunnen
voortplanten en daaruit vruchtbare nakomelingen
ontstaan.
De levenscyclus behoort niet tot een individu, maar tot
een soort. De levenscyclus begint bij het ontstaan van de
soort en eindigt bij het uitsterven van de soort. In de
afbeelding staat de levenscyclus van een vlinder.
Figuur 1 Levensloop
Organisatieniveaus in de biologie
Alle organismen zijn georganiseerd in biologische
eenheden.
Biologische eenheden:
1. Molecuul → Bouwstenen van stoffen.
2. Cel → Als verschillende cellen samenwerken vormen zij een orgaan.
3. Orgaan → Deel van een organisme met een functie.
4. Organisme → Alles wat levend is, dit kan eencellig of meercellig zijn.
5. Populatie → Groep individuen van dezelfde soort.
6. Ecosysteem → Begrensd gebied met bepaald eigenschappen, de
eigenschappen kunnen levend (organismen) en niet-levend (temperatuur) zijn.
7. Biosfeer → Het geheel aan ecosystemen of aarde.
Emergente eigenschap: Als er op een hoger organisatieniveau een eigenschap
ontstaat, die niet op een lager organisatieniveau mogelijk is, zoals lopen.
Interactie: Als dingen op elkaar reageren.
1
, Basisstof 2
Organen, weefsel en cellen
Orgaanstelsel: Een groep organen die samen een functie heeft.
Alle orgaanstelsels:
➢ Bloedvatenstelsel → Hart en bloedvaten
➢ Spijsverteringsstelsel → Slokdarm, lever, maag, galblaas, alvleesklier, dunne en
dikke darm
➢ Ademhalingsstelsel → Strottenhoofd, luchtpijp en longen
➢ Zenuwstelsel → Hersenen, ruggenmerg en zenuwen
➢ Huid → Alle lagen van de huid
➢ Bewegingsstelsel → Spieren, pezen banden, botten en gewrichten
➢ Bloed → Beenmerg, bloedcellen, bloedplaatjes en plasma
➢ Hormoonstelsel → Schildklier, bijnieren en alvleesklier
➢ Uitscheidingsstelsel → Nieren, longen en blaas
➢ Afweerstelsel → Milt en lymfeklieren
Weefsel
Organen zijn opgebouwd uit weefsels, een groep
cellen met dezelfde vorm en functie noem je een
weefsel. In het menselijk lichaam komen 4
soorten weefsels voor.
1. Dekweefsel (epitheelweefsel) →
Dekweefsel beschermt en bekleedt
inwendige en uitwendige
lichaamsoppervlakten. De cellen zijn vaak
rechthoekig en liggen heel dicht op elkaar.
2. Zenuwweefsel → In zenuwweefsel zitten Figuur 2 Soorten weefsels
zenuwen die informatie doorgeven. De
cellen van dit type weefsel zijn vaak vertakt.
3. Spierweefsel → In spierweefsel zitten cellen die samentrekken. Deze cellen zijn
vaak langgerekt.
4. Bindweefsel → Bindweefsel zorgt voor steun en vorm bij organen en
organismen, ze verbinden ook onderling lichaamsdelen en kunnen ruimte
opvullen tussen organen. Deze cellen kunnen stevig of elastisch zijn.
Tussencelstof
Bij weefsels liggen de cellen vaak niet direct
naast elkaar, maar zit er tussencelstof
tussen. Het soort tussencelstof hangt af
van de functie van het weefsel. In
kraakbeenweefsel liggen groepjes van 2 of 3
cellen tegen elkaar en daarna volgt wat
tussencelstof. Kraakbeen is elastisch en
buigzaam, omdat de tussencelstof minder Figuur 3 Tussencelstof
kalkzouten bevat en meer collageenvezels.
2