GESCHIDENIS VMBO-TL 2025
Table of Contents
Hoofdstuk 1: De Industriële Revolutie (18e–19e eeuw)................2
Hoofdstuk 2: Eerste Wereldoorlog (1914–1918)...........................3
Hoofdstuk 3: De Twintigste Eeuw (1919–1939): Crisis en
Verandering.............................................................................. 4
Hoofdstuk 4: Tweede Wereldoorlog (1939–1945).........................5
Hoofdstuk 5: Koude Oorlog (1945–1991).....................................6
Hoofdstuk 6: Decolonisatie (1945–1975).....................................7
Hoofdstuk 7: Europese Integratie (1950–heden).........................8
Hoofdstuk 8: Moderne Conflicten (1990–heden)..........................9
Hoofdstuk 9: Globalisering (20e–21e eeuw)..............................10
Hoofdstuk 10: Nederland in de 21e Eeuw..................................11
15 Moeilijke Examen Vragen....................................................12
, Hoofdstuk 1: De Industriële Revolutie (18e–
19e eeuw)
Theorie & Voorbeelden
o Wat was het? De Industriële Revolutie was een periode van fundamentele
economische en sociale veranderingen, waarbij handwerk en landbouw werden
vervangen door industriële productie en technologie. Dit begon in Engeland in de
late 18e eeuw en verspreidde zich naar Europa en Noord-Amerika.
o Belangrijke uitvindingen:
o Spinning Jenny (1764): Een weefmachine die meerdere garens tegelijk kon verwerken,
wat de textielproductie versnelde.
o Dampmachine (James Watt, 1769): Verbeterde de efficiëntie van stoomkracht, gebruikt
in mijnen, fabrieken, en later in treinen en schepen.
o Spoorwegen (George Stephenson, 1825): De Stockton and Darlington Railway was de
eerste openbare spoorlijn voor goederenvervoer. De Rocket (1829) werd de eerste
succesvolle locomotief.
o Gevolgen:
o Urbanisatie: Arbeiders verhuisden naar steden zoals Manchester, Londen, en
Antwerpen voor werk in fabrieken. Steden groeiden explosief, maar hadden slechte
hygiëne en overbevolking.
o Kinderarbeid: Kinderen werken 12-16 uur per dag in gevaarlijke omstandigheden (o.a.
kolenmijnen, textielfabrieken). Pas in 1833 (VK) en 1874 (NL) kwamen wetten tegen
kinderarbeid.
o Arbeidersbeweging: Verenigingen zoals de Chartistenbeweging (VK, 1838–1850) eisten
stemrecht voor arbeiders. In Nederland ontstonden vakbonden zoals de Algemene
Nederlandse Drukkersbond (1894).
o Economische groei: De productiecapaciteit nam toe, maar ongelijkheid tussen
kapitalisten (fabrikanten) en arbeiders werd groter.
Voorbeelden:
o Textielindustrie in Manchester: Manchester werd "Cottonopolis" genoemd vanwege
de honderden katoenfabrieken. De stad telde in 1850 300.000 inwoners, maar had
een levensverwachting van slechts 25 jaar.
o De Gouden Eeuw van de spoorwegen (1840–1870): In Nederland werd de eerste
spoorlijn geopend tussen Amsterdam en Haarlem (1839). In 1850 waren er al 1.000
km spoorlijnen.
o De arbeiderswijken: In steden zoals Berlijn en Parijs ontstonden sloppenwijken
(o.a. Back-to-back houses in Engeland), waar gezinnen van 6–8 mensen in één kamer
woonden.
Valkuilen:
o Verwar niet de eerste Industriële Revolutie (stoomkracht, textiel) met
de tweede (elektriciteit, massaproductie, 1870–1914).