Hoofdstuk 7 van cel tot weefsel
Inleiding
Tijdens de ontwikkeling van ingewikkelde meercellige organismen, differentiëren
progenitorcellen zicht toch verschillende celtypes :
Gelijkaardige celtypes groeperen zich in weefsel
Meerdere weefsels vormen een orgaan
Meerdere organen vormen een organisme
Om meercelligen te realiseren moeten cellen hechten aan elkaar of aan een door de
cellen zefl gemaakte matrix te hechten. Ze moeten ook differentiëren in weefsels.
Dierlijke cellen
Cel adhesie moleculen binden cellen aan elkaar en aan hun omgeving
Eenvoudigste vormen van meercelligen :
- Cellen secreteren een matrix (= eigen
omgeving)
- Ze hechten zich met z’n allen aan deze
matrix
- Je krijgt kolonies
- Deze kolonies vindt men in verschillende
eukaryoten
Er zijn ook een meer complexe vorm : hier zal bij
deze eenvoudige kolonies, ook nog cel-cel
contacten gevormd worden.
Meer complexere meercelligen :
- Cellen zijn meestal gebonden aan zowel de extracellulaire matrix als aan nabirige
cellen
- De binding met zijn buren worden gevormd via Cel Adhesie Moleculen (=CAM’s)
CAM’s :
- Transmembranaire eiwitten
- Binden buiten de cel aan elkaar of aan een
matrixcomponent door middel van verschillende
specifieke domeinen
- Binden de cel aan het cytoskelet
Ze spelen ook een rol in signaaltransductie, in cytoplasma
zijn de CAM’s niet alleen via adaptoreiwitten verbonden met
het cytoskelet, maar ook met eiwitcomplexen die
signaaltransductie verzorgen van “buiten de cel naar binnen
de cel”.
, De extra cellulaire matrix omvat 3 types van componenten
Cellen secreteren verschillende moleculen die samen de extracellulaire matrix (ECM)
vormen, de ECM bestaat uit 3 groepen eiwitten :
- Collageen
- Proteoglycanen
- Multi-adhesieve eiwitten
Deze (kunnen) met elkaar verbonden zijn en bieden aanhechtingen voor de cellen.
Structuur EMC = structuur van composiet materiaal : vezels liggen ingebed in een matrix
van andere samenstelling
Collageen :
Alle types collageen zijn allemaal trimeren, bestaande uit een “tiple helix” structuur.
Deze structuur eindigt soms in onderbroken helix domeinen.
De AZ (3 AZ) samenstelling bestaat uit :
- Herhaald motief van glycine X-Y
o X en Y = proline of hydroxylproline
- Deze samenstelling is essentieel voor de rol die colageen speelt in
weefselstevigheid(=zeer trekvaste molecule)
In fibrillaire collageen worden collageenmoleculen door covalente
bindingen geschrankt verbonden tot een (micro)fibril. Dikke
collageenvezels ontstaan door een complexe bundeling van de
genoemde (micro)fibrillen.
Collageenvezels zorgen voor stevigheid binnen de ECM
(extracellulaire matrix), op plekken van grote mechanische stress
(zoals pezen) zullen dus veel gebundelde dikke vezels voorkomen.
Een ander collageentype, te vinden in epitheelcellen = basale lamina (afgelplat netwerk)
Vitamine C is een zeer essentiële co-factor bij de hydroxylatie van proline en lysine. Dit
gebeurt tijdens de post-translationele modificatie van het procollageen in het ER. Bij
gebrek aan vitamine C ontstaat collageen dat geen stabiele triple helices kan vormen en
bijgevolg niet in stabiele vezels zit.
Inleiding
Tijdens de ontwikkeling van ingewikkelde meercellige organismen, differentiëren
progenitorcellen zicht toch verschillende celtypes :
Gelijkaardige celtypes groeperen zich in weefsel
Meerdere weefsels vormen een orgaan
Meerdere organen vormen een organisme
Om meercelligen te realiseren moeten cellen hechten aan elkaar of aan een door de
cellen zefl gemaakte matrix te hechten. Ze moeten ook differentiëren in weefsels.
Dierlijke cellen
Cel adhesie moleculen binden cellen aan elkaar en aan hun omgeving
Eenvoudigste vormen van meercelligen :
- Cellen secreteren een matrix (= eigen
omgeving)
- Ze hechten zich met z’n allen aan deze
matrix
- Je krijgt kolonies
- Deze kolonies vindt men in verschillende
eukaryoten
Er zijn ook een meer complexe vorm : hier zal bij
deze eenvoudige kolonies, ook nog cel-cel
contacten gevormd worden.
Meer complexere meercelligen :
- Cellen zijn meestal gebonden aan zowel de extracellulaire matrix als aan nabirige
cellen
- De binding met zijn buren worden gevormd via Cel Adhesie Moleculen (=CAM’s)
CAM’s :
- Transmembranaire eiwitten
- Binden buiten de cel aan elkaar of aan een
matrixcomponent door middel van verschillende
specifieke domeinen
- Binden de cel aan het cytoskelet
Ze spelen ook een rol in signaaltransductie, in cytoplasma
zijn de CAM’s niet alleen via adaptoreiwitten verbonden met
het cytoskelet, maar ook met eiwitcomplexen die
signaaltransductie verzorgen van “buiten de cel naar binnen
de cel”.
, De extra cellulaire matrix omvat 3 types van componenten
Cellen secreteren verschillende moleculen die samen de extracellulaire matrix (ECM)
vormen, de ECM bestaat uit 3 groepen eiwitten :
- Collageen
- Proteoglycanen
- Multi-adhesieve eiwitten
Deze (kunnen) met elkaar verbonden zijn en bieden aanhechtingen voor de cellen.
Structuur EMC = structuur van composiet materiaal : vezels liggen ingebed in een matrix
van andere samenstelling
Collageen :
Alle types collageen zijn allemaal trimeren, bestaande uit een “tiple helix” structuur.
Deze structuur eindigt soms in onderbroken helix domeinen.
De AZ (3 AZ) samenstelling bestaat uit :
- Herhaald motief van glycine X-Y
o X en Y = proline of hydroxylproline
- Deze samenstelling is essentieel voor de rol die colageen speelt in
weefselstevigheid(=zeer trekvaste molecule)
In fibrillaire collageen worden collageenmoleculen door covalente
bindingen geschrankt verbonden tot een (micro)fibril. Dikke
collageenvezels ontstaan door een complexe bundeling van de
genoemde (micro)fibrillen.
Collageenvezels zorgen voor stevigheid binnen de ECM
(extracellulaire matrix), op plekken van grote mechanische stress
(zoals pezen) zullen dus veel gebundelde dikke vezels voorkomen.
Een ander collageentype, te vinden in epitheelcellen = basale lamina (afgelplat netwerk)
Vitamine C is een zeer essentiële co-factor bij de hydroxylatie van proline en lysine. Dit
gebeurt tijdens de post-translationele modificatie van het procollageen in het ER. Bij
gebrek aan vitamine C ontstaat collageen dat geen stabiele triple helices kan vormen en
bijgevolg niet in stabiele vezels zit.