Verpleegtechnisch handelen nummer 9
Subcutaan injecteren/insulinepen hanteren
Bij een subcutane injectie wordt een opgelost medicijn in het onderhuidse weefsel gespoten
tussen de huid en de spieren.
Dit gebied heet de subcutis, vandaar de naam subcutane injectie.
Deze injectie zorgt ervoor dat het medicijn langzaam in het bloed wordt opgenomen.
Subcutaan injecteren is een voorbehouden handeling die uitgevoerd moet worden met een
dubbele controle van een mede gediplomeerde collega.
Subcutaan injecteren kan op verschillende manieren uitgevoerd worden.
Dit kan met de huidplooi techniek:
De techniek is als volgt: De huidplooi wordt opgenomen met 2 of 3 vingers; bij het opnemen
van een huidplooi met 5 vingers wordt vaak spierweefsel meegenomen en is de huidplooi te
dik. De naald wordt onder een hoek van 45° à 60° halverwege tussen het hoogste en laagste
punt van de huidplooi ingebracht.
voor subcutane injecties (huidplooitechniek) gebruik je een naald van 19 tot32 mm.
,Dit kan ook met de loodrecht techniek:
Bij de loodrechttechniek is het belangrijk dat het spierweefsel niet geraakt wordt. Met een
snelle beweging wordt de naald loodrecht in de huid gebracht. Deze techniek wordt gebruikt
bij het toedienen van bijvoorbeeld insuline en heparine.
voor loodrechte subcutane injecties gebruik je een naald van 5 tot 12 mm.
Voor elk techniek is een aparte protocol voorgeschreven, wij werken met het Vilans kick
protocol. Dit is leidend binnen onze zorginstelling.
Plaatsbepaling:
De juiste plaats voor het toedienen van een subcutane injectie is afhankelijk van het doel
waarvoor men de injectie geeft. De volgende plaatsen zijn mogelijk:
- Het losse weefsel van de buikwand, 5 cm rond de navel. (snelle absorptie)
- Buitenkant van de bovenarmen. (normale absorptie)
- Buitenzijde (voor) van het dijbeen. (langzame absorptie)
- De bil. (langzame absorptie)
, Waar mag je niet injecteren:
- Waar een blauwe plek zit.
- Waar een wond is.
- Waar verhard weefsel is.
- Binnen 5 cm van de navel.
- De vorige injectieplaats.
- Aangedane zijdens.
- Littekens.
- Oedemateus lichaamsplek.
- Waar onvoldoende bloedvoorziening is.
Complicaties:
Iemand kan duizelig worden door bijvoorbeeld te snel injecteren.
Duizeligheid of flauwvallen.
Uitvalverschijnselen door aanprikken van een zenuw.
Ontstekingen rond om injectieplaatsen.
Infectie.
Hematoom door bijvoorbeeld het aanprikken van een bloedvat.
De naald kan afbreken maar de kans daarvan is wel klein.
Een abces, necrose door een bloeding.
Prikaccident.
Verbind weefseling door het veervoudigen van het injecteren.
Subcutaan injecteren/insulinepen hanteren
Bij een subcutane injectie wordt een opgelost medicijn in het onderhuidse weefsel gespoten
tussen de huid en de spieren.
Dit gebied heet de subcutis, vandaar de naam subcutane injectie.
Deze injectie zorgt ervoor dat het medicijn langzaam in het bloed wordt opgenomen.
Subcutaan injecteren is een voorbehouden handeling die uitgevoerd moet worden met een
dubbele controle van een mede gediplomeerde collega.
Subcutaan injecteren kan op verschillende manieren uitgevoerd worden.
Dit kan met de huidplooi techniek:
De techniek is als volgt: De huidplooi wordt opgenomen met 2 of 3 vingers; bij het opnemen
van een huidplooi met 5 vingers wordt vaak spierweefsel meegenomen en is de huidplooi te
dik. De naald wordt onder een hoek van 45° à 60° halverwege tussen het hoogste en laagste
punt van de huidplooi ingebracht.
voor subcutane injecties (huidplooitechniek) gebruik je een naald van 19 tot32 mm.
,Dit kan ook met de loodrecht techniek:
Bij de loodrechttechniek is het belangrijk dat het spierweefsel niet geraakt wordt. Met een
snelle beweging wordt de naald loodrecht in de huid gebracht. Deze techniek wordt gebruikt
bij het toedienen van bijvoorbeeld insuline en heparine.
voor loodrechte subcutane injecties gebruik je een naald van 5 tot 12 mm.
Voor elk techniek is een aparte protocol voorgeschreven, wij werken met het Vilans kick
protocol. Dit is leidend binnen onze zorginstelling.
Plaatsbepaling:
De juiste plaats voor het toedienen van een subcutane injectie is afhankelijk van het doel
waarvoor men de injectie geeft. De volgende plaatsen zijn mogelijk:
- Het losse weefsel van de buikwand, 5 cm rond de navel. (snelle absorptie)
- Buitenkant van de bovenarmen. (normale absorptie)
- Buitenzijde (voor) van het dijbeen. (langzame absorptie)
- De bil. (langzame absorptie)
, Waar mag je niet injecteren:
- Waar een blauwe plek zit.
- Waar een wond is.
- Waar verhard weefsel is.
- Binnen 5 cm van de navel.
- De vorige injectieplaats.
- Aangedane zijdens.
- Littekens.
- Oedemateus lichaamsplek.
- Waar onvoldoende bloedvoorziening is.
Complicaties:
Iemand kan duizelig worden door bijvoorbeeld te snel injecteren.
Duizeligheid of flauwvallen.
Uitvalverschijnselen door aanprikken van een zenuw.
Ontstekingen rond om injectieplaatsen.
Infectie.
Hematoom door bijvoorbeeld het aanprikken van een bloedvat.
De naald kan afbreken maar de kans daarvan is wel klein.
Een abces, necrose door een bloeding.
Prikaccident.
Verbind weefseling door het veervoudigen van het injecteren.