,Deel I – Strategie formuleren
20 open vragen – alle antwoorden aan het einde
Hoofdstuk 1: Inleiding op strategie
1. Leg uit waarom strategisch management volgens Eppink niet hetzelfde is als
langetermijnplanning.
2. Welke rol speelt onzekerheid in strategisch management, en hoe beïnvloedt dit de
besluitvorming?
3. Beschrijf de drie niveaus van strategie en geef een voorbeeld van elk niveau.
4. Waarom is het begrip ‘fit’ zo belangrijk binnen strategisch denken?
5. Wat verstaat Eppink onder ‘strategisch succes’ en welke factoren dragen hieraan bij?
Hoofdstuk 2: Strategieformuleringsmodel
6. Beschrijf de vijf stappen van het strategieformuleringsproces zoals Eppink dat voorstelt.
7. Wat is het verschil tussen strategische analyse en strategische keuze binnen het model?
8. Welke rol spelen interne en externe omgevingsfactoren in het model van
strategieformulering?
9. Hoe helpt SWOT-analyse bij het bepalen van strategische opties volgens het model?
10. Wat zijn volgens Eppink de beperkingen van het lineaire strategieformuleringsmodel?
Hoofdstuk 3: Visie, missie, strategie
11. Wat is volgens Eppink het verschil tussen visie en missie, en waarom is dit onderscheid
relevant?
12. Waarom moet een missie zowel richtinggevend als inspirerend zijn?
13. Op welke manier beïnvloeden kernwaarden de formulering van strategie?
14. Beschrijf hoe een organisatie haar missie en visie moet afstemmen op haar externe
omgeving.
15. Waarom is het volgens Eppink riskant om een missie en visie te vaag te formuleren?
Hoofdstuk 4: Strategietheorie (voorschrijvend vs beschrijvend)
16. Wat is het fundamentele verschil tussen voorschrijvende en beschrijvende
strategiebenaderingen?
17. Welke beperkingen hebben voorschrijvende modellen volgens Eppink?
18. Hoe past de opkomst van incrementele strategieën binnen het beschrijvende perspectief?
19. Leg uit waarom de emergente strategie volgens Eppink belangrijk is in dynamische
omgevingen.
, 20. Hoe kan een organisatie beide benaderingen combineren voor effectiever strategisch beleid?
Antwoorden
1. Omdat strategisch management voortdurend inspeelt op veranderingen, terwijl
langetermijnplanning vaak star is.
2. Onzekerheid maakt het lastig om exacte doelen en middelen vast te leggen, waardoor
flexibiliteit vereist is.
3. Ondernemingsstrategie (bijv. marktsegment kiezen), bedrijfsstrategie (bijv. kostenleider
worden), functionele strategie (bijv. marketingstrategie).
4. ‘Fit’ verwijst naar de afstemming tussen interne capaciteiten en externe kansen; dit verhoogt
succes.
5. Strategisch succes hangt af van het behalen van doelen, externe afstemming en interne
coherentie.
6. Situatieanalyse, strategische opties ontwikkelen, evalueren, kiezen en implementeren.
7. Analyse richt zich op begrijpen van omgeving en organisatie; keuze op het selecteren van
strategieën.
8. Externe factoren tonen kansen/bedreigingen; interne factoren sterktes/zwaktes.
9. SWOT koppelt interne en externe analyse, vormt basis voor strategische alternatieven.
10. Het model gaat uit van een rationeel proces, terwijl strategie vaak chaotisch verloopt.
11. Visie is toekomstgericht en ambitieus; missie beschrijft bestaansreden en identiteit.
12. Omdat een missie richting geeft aan keuzes én mensen binnen de organisatie motiveert.
13. Kernwaarden bepalen wat belangrijk is binnen een organisatie en sturen gedrag en keuzes.
14. Door trends, klantbehoeften en concurrentie mee te nemen in het formuleren van missie en
visie.
15. Omdat het dan niet duidelijk is waar de organisatie voor staat of naartoe werkt.
16. Voorschrijvend is planmatig en top-down; beschrijvend kijkt naar hoe strategie echt ontstaat.
17. Ze zijn vaak te rationeel en houden geen rekening met praktijkcomplexiteit.
18. Incrementele strategieën groeien stapsgewijs, wat realistischer is in veranderlijke situaties.
19. Omdat bij snelle veranderingen plannen niet altijd haalbaar zijn; dan moet strategie ontstaan
in de praktijk.
20. Door een globaal plan te maken (voorschrijvend) maar flexibel in te spelen op nieuwe kansen
(beschrijvend).