Formeel Strafrecht (RS0822-242544S)
Leereenheid 1: Uitgangspunten
Doel en historie van het strafproces (recht)
Het hoofddoel van het strafproces is het verzekeren van een juiste toepassing van het abstracte materiële
strafrecht. Dat doel is tweeledig. Het doel is enerzijds te bewerkstelligen dat de schuldigen worden
gestraft. Het doel is anderzijds het voorkomen van de bestraffing van onschuldigen. Verder zijn er een
vijftal bijkomende doelen:
1. Eerbiediging van de rechten en vrijheden van de verdachte;
2. Eerbiediging van de rechten en vrijheden van andere betrokkenen;
3. Procedurele rechtvaardigheid;
4. Demonstratiefunctie;
5. Het voorkomen van eigenrichting het volgen van een niet-wettelijk geregelde
handhavingsmethode waarbij dwang of geweld wordt toegepast. Oftewel, het recht in eigen
handen nemen.
Het doel van het strafproces komt ook tot uiting in de begrippen ‘instrumentaliteit’ en
‘rechtsbescherming’. Deze twee polen vormen een spanningsveld.
Bij instrumentaliteit is de functie van strafvordering repressie van crimineel gedrag omwille van vrijheid
en veiligheid van niet-criminele burgers. Dit bereik je door efficiëntie van strafrechtspleging. Dit bereik je
op de volgende manieren:
1. Hoge pakkans en veroordelingsgraad;
2. Snelle en eindige strafprocedures door uniformiteit en weinig maatwerk/uitzonderingen;
3. Vooronderzoek als hoofddoel i.p.v. een uitgebreid onderzoek ter terechtzitting;
4. Niet-gerechtelijk afdoening waar mogelijk;
5. Bestuursrechtelijke afdoening waar mogelijk.
Het resultaat hiervan is dat strafrechtspleging als een lopende band gaat werken.
Bij rechtsbescherming is strafrechtspleging meer een hindernissenbaan i.p.v. een lopende band, want er
worden beperkingen opgeworpen. Er zijn een drietal waarden die uitleggen waarom je hiervoor zou
willen kiezen:
1. Betrouwbare uitkomst in strafproces;
2. Bescherming van feitelijk onschuldigen i.p.v. de niet-criminele burger;
3. Inperking van staatsmacht i.p.v. efficiëntie.
Instrumentaliteit en rechtsbescherming gaan niet over goed en kwaad, maar het gaat om een goede
balans en belangenafweging. Wanneer de nadruk van het strafproces ligt op de rechtsbescherming van de
burger, gaat dit vaak ten koste van de instrumentele doelstelling en andersom. Een aantal belangrijke
factoren die meegenomen worden in de belangenafweging zijn beschikbare financiële middelen, de
verhouding tussen de belangen van de verdachte en de rechtswaarborgen die hem toekomen, en de
verhouding tussen de ernst van het vermoedelijke strafbare feit en de aard van de
onderzoeksbevoegdheden.
Het legaliteitsbeginsel
Het legaliteitsbeginsel is een van de belangrijkste uitgangspunten van het strafprocesrecht en is o.a.
vastgelegd in art. 1 Sv: “Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.” Het woord ‘wet’
moet hierbij worden opgevat als wet in formele zin: alleen wetten op het hoogste niveau kunnen regels
van procesrecht maken. Dit geldt dus niet voor bijvoorbeeld Provinciale Staten en gemeenteraad.
Art. 1 Sv verbiedt niet dat onderwerpen van strafprocesrecht in bijzondere wetten, zoals de Opiumwet of
de Wet Wapens en Munitie, worden geregeld mits dit wetten in formele zin zijn. Echter, er bestaan ook
,regels van strafprocesrecht in bijvoorbeeld AMvB’s en ministeriële beschikkingen. In hoeverre is dit in
overeenstemming met art. 1 Sv? De verklaring is dat men het geoorloofd acht dat de wetgever de nadere
uitwerking van een door hem geschreven voorschrift delegeert aan een lager orgaan. Dit wil dus zeggen
dat ondanks het geen formele wetten zijn, ze toch vallen onder art. 1 Sv, omdat de wetgever deze
gedelegeerd heeft.
Karakter en gang van Nederlands strafproces
Om het algemene beeld van het strafproces en om het strafproces te complementeren is het goed om een
beeld te krijgen van de belangrijkste spelers en hoe die zich tot elkaar verhouden, en van de verschillende
fasen die in het strafproces kunnen worden onderscheiden.
Om de belangrijkste spelers en de verhoudingen tussen hen in beeld te krijgen worden vaak de termen
inquisitoir en accusatoir gebruikt. Het inquisitoire model is een vorm van strafproces waarbij de rechter
een actieve rol speelt in het achterhalen van de waarheid. Het onderzoek gebeurt grotendeels schriftelijk
en buiten de openbaarheid. De verdachte heeft een meer ondergeschikte positie, omdat het systeem
gericht is op het vinden van de materiële waarheid, ook als dat tegen de wil van de verdachte gaat.
In het accusatoire model staan juist twee gelijkwaardige partijen, het Openbaar Ministerie en de
verdediging, tegenover elkaar in een openbaar en mondeling proces. De rechter is daarbij passief en
onpartijdig; hij oordeelt alleen over wat de partijen aandragen. Het draait in dit model om een eerlijk
proces en procedurele waarborgen voor de verdachte.
In Nederland spreken we meer van een accusatoir model.
In discussies over de gewenste omvang van bevoegdheden van politie en justitie wordt vaak gesproken
over crime control en due process; twee termen bedacht door criminoloog Packer. In het crime-
controlmodel ligt de nadruk heel sterk op het belang van een zo efficiënt mogelijke
criminaliteitsbestrijding. Politie en justitie beschikken daarom over erg veel macht. Aan hen worden
nauwelijks hindernissen, in de vorm van rechten van de burgers, in de weg gelegd bij de opsporing,
vervolging en berechting. Hierbij bestaat groot vertrouwen in politie en justitie. Packer vergelijkt dit
model met een lopende band.
In het due-processmodel ligt het accent daarentegen sterk op het belang van de bescherming van de
positie van de verdachte. Er bestaat een zeker wantrouwen tegenover politie en justitie. Tegenover de
overheid staat de burger die beschikt over een door grondrechten afgebakende vrijheidssfeer. Packer
vergelijkt dit model met een hindernisbaan.
Het strafproces omvat de volledige procedure van opsporing tot en met de uitvoering van de straf, en
dient om vast te stellen of het opleggen van straf op basis van het materiële strafrecht gerechtvaardigd is.
Hoewel het Wetboek van Strafvordering uitgaat van een volgorde van fasen (voorbereidend onderzoek,
eindonderzoek, executie), kunnen deze in de praktijk door elkaar lopen. Zo kan tijdens of zelfs na de
zitting nog aanvullend onderzoek plaatsvinden of de zaak worden terugverwezen voor nader onderzoek.
, Leereenheid 2: Opsporing, verdachte en dwangmiddelen
Opsporing
Het strafproces kan worden opgedeeld in een aantal fasen: het opsporingsonderzoek, de vervolging, het
onderzoek ter terechtzitting, beraadslaging en uitspraak, en de executie van de straf en/of de maatregel.
Het begrip ‘opsporing’ staat omschreven in art. 132a Sv als: “Het onderzoek in verband met strafbare feiten
onder het gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissing”. Uit deze
omschrijving blijkt dat er niet alleen sprake is van opsporing als er een verdachte is, of een verdenking
van een strafbaar feit. Een voorbeeld is wanneer de politie een auto aan de kant van de wet zet door
middel van een verkeersfuik, op basis van art. 160 Wegenverkeerswet. Er is dan sprake van een
repressieve controle.
Op grond van art. 180 lid 2 Sv kan een persoon of zijn advocaat verzoeken de voortgang van het
opsporingsonderzoek te beoordelen. De rechter-commissaris kan de procespartijen dan horen en
vervolgens aan de OvJ een termijn stellen voor beëindiging van het opsporingsonderzoek. Bovendien kan
de R-C de zaak voorleggen aan de rechtbank met het ook op het verkrijgen van een verklaring ex art. 29f
Sv dat de zaak is geëindigd (art. 180 lid 3 Sv).
Verdachte en verdenking
Het grootste deel van de opsporing zal aanvangen met een verdachte of een verdenking van een strafbaar
feit. Er zijn verschillende gradaties van verdenking, van licht naar zwaar:
1. Aanwijzingen. Deze verdenkingsgraad geldt alleen ten aanzien van terroristische misdrijven.
Hierdoor kunnen deze dwangmiddelen in een zeer vroeg stadium worden toegepast. Hierbij
wordt meer genegen naar criminaliteitsbestrijding dan naar rechtsbescherming, wat wordt
verantwoord door de ernst van het misdrijf. Als voorbeeld kan art. 126zb Sv genoemd worden.
2. Het redelijk vermoeden van schuld. Het klassieke verdenkingbegrip zoals omschreven in art. 27
lid 1 Sv. Uit feiten en omstandigheden moet een redelijk vermoeden voortvloeien dat er een
bepaald strafbaar feit is gepleegd.
3. Ernstige bezwaren. De term ‘ernstige’ heeft in deze context geen betrekking op de ernst van het
feit, maar op het feit dat er meer dan een redelijk vermoeden bestaat van het strafbare feit. Een
voorbeeld is art. 56 Sv, het dwangmiddel fouilleren.
4. De overtuiging. De overtuiging is vereist voor de rechter om tot de conclusie te komen dat de
verdachte het feit daadwerkelijk heeft gepleegd. De overtuiging vereist geen absolute zekerheid;
dat is veelal niet mogelijk. Echter, er mag geen redelijke twijfel meer bestaan.
Het begrip ‘verdachte’ is gedefinieerd in art. 27 Sv. Het begrip ‘verdachte’ is van belang omdat in veel
gevallen opsporingsambtenaren pas een dwangmiddel mogen toepassen wanneer deze persoon als
verdachte kan worden aangemerkt. Ook gelden er aanvullende waarborgen. Als een verdachte wordt
verhoord, moet hij worden aangewezen op het zwijgrecht (art. 29 lid 2 Sv) en er mag ook geen verklaring
worden afgedwongen (het pressieverbod, art. 29 lid 1 Sv). Ook heeft de verdachte recht op bijstand van
een tolk als hij de Nederlandse taal niet machtig is (art. 27 lid 4 Sv), hij moet op de hoogte worden gesteld
van het strafbare feit waarvan hij verdacht wordt (art. 27c Sv) en hij heeft recht op rechtsbijstand (art. 28
Sv).
Arrest ‘verduistering crossmotor’: als een opsporingsambtenaar een niet-aangehouden verdachte
ondervraagt bij een redelijk vermoeden van schuld, moet vooraf cautie worden gegeven en
gewezen worden op het recht op rechtsbijstand. Gebeurt dat niet, dan is er sprake van een
vormverzuim (art. 359a Sv).
Dwangmiddelen
Een dwangmiddel is een opsporingsbevoegdheid dat inbreuk doet op de grondrechten. Een dwangmiddel
is niet aan de orde wanneer een betrokkene zelf vrijwillig toestemming geeft. Er zijn verschillende
categorieën van dwangmiddelen:
Vrijheidsbenemende dwangmiddelen: staande houden, aanhouden, etc.
Niet-vrijheidsbenemende dwangmiddelen: doorzoeking, inbeslagname etc.