DEEL 1
1. Historisch perspectief op genetica
Mendel en zijn wetten
→ Gregor Mendel experimenteerde met erwtenplanten
→ had geluk met de onafhankelijke kenmerken van die planten (kleur, vorm, lengte,..)
3 wetten van mendel:
uniformiteitswet
kruis 2 homozygoten die verschillen in één kenmerk → alle F₁-nakomelingen zijn gelijk
(heterozygoot)
splitsingswet
kruis F₁-individuen → in F₂: 3:1 verhouding van fenotypes (bij dominant-recessieve overerving)
onafhankelijkheidswet (recipociteitswet)
verschillende kenmerken worden onafhankelijk overgeërfd (als ze op verschillende
chromosomen liggen)
2. Basisprincipes van genetische overerving
Dominant vs recessief
dominant: komt steeds tot uiting indien aanwezig
(B)
recessief: komt niet tot uiting in aanwezigheid van
dominant (bb)
⇒ in praktijk: vaak complexer, want veel kenmerken
zijn polygeen (meer dan 1 gen)
Homozygoot, heterozygoot en hemizygoot
homozygoot: 2x zelfde allel (BB of bb)
heterozygoot: 2 verschillende allelen (Bb)
hemizygoot: maar één allel aanwezig → typisch bij mannen voor genen op het X-chromosoom
Codominantie en onvolledige dominantie
GENETICA - cel IV 1
, volledige dominantie: dominant allel verheerst volledig (zoals bij Mendel)
onvolledige dominantie: heterozygoot fenotype is intermediair (bv rood x wit = roze bloemen)
codominantie: beide allelen komen volledig tot uiting → bv: bloedgroep AB (A en B zijn
codominant, O is recessief)
→ je hebt beide fenotypes
Stamboomanalyse en overervingspatronen
stambomen:
→ symbolen: vanbuiten kennen
consanguiniteit ★ (bloedverwantschap)
bv: consanguïn huwelijk (bv. neef x nicht) → dan delen beide ouders mogelijk gemeenschappelijke
voorouders
hierdoor: ↑ kans beide ouders drager vh zelfde recessieve allel → ↑ risico op autosomaal recessieve
aandoening bij kinderen
bv: stamboom van Cleopatra (veel huwelijken tss verwanten)
→ gevolg: inbreeding depression = ↑ v genetische aandoeningen, door opeenstapeling v recessieve
mutaties
consanguiniteit valt niet op, en kun je soms niet weten ⇒ wel belangrijk!!
autosomaal dominante overerving
slechts één mutant allel (dominant) nodig om de aandoening te
krijgen
aangetaste ouder (Bb) x gezonder ouder (bb) → 50% kans op
aangetast kind
zowel zonen als dochters kunnen aangedaan zijn → niet
geslachtsgebonden
dominant allel komt tot uiting zodra het aanwezig is
GENETICA - cel IV 2
, autosomaal recessieve overerving
aandoening komt enkel tot uiting als beide allelen mutant zijn (bb)
ouders vaak dragers (Bb) → geen symptomen, maar kunnen het
doorgeven
kans bij dragers:
25% aangetast (bb)
50% drager (Bb)
25% gezond (BB)
➤ als je drager bent, weet je dat vaak niet
voorbeeld 1:
→ autosomaal dominante overerving
wrm?
elke generatie komt aandoening voor → typisch vr dominant
mannen & vrouwen aangedaan → dus AUTOSOMAAL, niet geslachtsgebonden
aangedane ouders → soms aangedane én onaangedane kinderen ⇒ wijst op heterozygote dragers
(Aa)
aangedane individuen hebben minstens één aangedane ouder (geen overslaan van generaties)
voorbeeld 2:
→ X-gebonden recessieve overerving
GENETICA - cel IV 3
, wat valt op?
enkel mannen (vierkant) zijn aangedaan (zwart)
vrouwen: niet aangedaan, wel soms drager
aandoening slaat soms een generatie over → typisch recessieve aandoeningen (enkel bij X-
gebonden)
wrm X-gebonden?
vrouwen = XX → moeten 2x het gemuteerde allel hebben om aangedaan te zijn (heel zeldzaam)
mannen = XY → 1 mutatie volstaat om aandoening te krijgen
een drager-vrouw (XᵐX) kan aandoening doorgeven aan haar zonen (50% kans)
aangedane mannen geven het X-chromosoom door aan hun dochter → die dan drager worden
voorbeeld 3:
→ situatie:
ouders (II-6 en II-8) zijn klinisch gezond
hun kind (III-10) heeft een aandoening
Wat is de kans dat een volgend kind ook de aandoening krijgt? Wat is het herhalingsrisico?
→ mogelijke scenario’s:
1. autosomaal dominant?
kan niet, want dan zou één ouder ook symp moeten hebben
maar soms: onvolledige penetrantie → drager toont geen symp
2. autosomaal recessief?
beide ouders zouden drager (Aa) moeten zijn
de kans op een aangedaan kind (aa) = 25%
3. germinale mozaïcisme
mutatie ontstond vroeg id kiembaan van één ouder (zaad- of eicelvoorlopers)
ouders zijn lichamelijk gezond, maar kunnen meerdere aangedane kinderen hebben
herhalingsrisico veel hoger dan 1/4!!
⇒ zonder moleculaire test kan je niet vaak zeggen wat het risico is
GENETICA - cel IV 4