geconfronteerd met een reductiebevel', Milieu en Recht 2021/80, par. 1-4, 7.
Betrekking opà onrechtmatige daad art. 6:162 lid 2 BW, inbreuk op een (subjectief)recht (bv: grondrechten).
Casus: De rechtbank Den Haag legt RDS een reductiebevel op vanwege haar bijdrage aan klimaatverandering.
Dit bevel verplicht Shell om de CO2-uitstoot, inclusief de uitstoot die wordt veroorzaakt door eindgebruikers van
Shell-producten (scope 3), drastisch te verminderen.
Rechtsregel: Royal Dutch Shell (RDS) handelt onrechtmatig door onvoldoende CO₂-reductiemaatregelen te
nemen, wat bijdraagt aan gevaarlijke klimaatverandering. De rechtbank baseert dit op artikel 6:162 BW
(onrechtmatige daad) en vult de zorgvuldigheidsnorm in met het EVRM, IVBPR en internationale richtlijnen zoals
de UNGP's. Shell moet de wereldwijde uitstoot van de hele groep, inclusief scope 3, met 45% verminderen in
2030 ten opzichte van 2019. De rechtbank betrekt internationale mensenrechtenverdragen en richtlijnen bij de
invulling van Shell's zorgplicht, hoewel Shell geen directe juridische verplichtingen op basis van die verdragen
heeft.
2- HR 9 december 1994, NJ 1996/403 (Zwiepende tak)
Betrekking opà onrechtmatige daad art. 6:162 lid 2 BW, inbreuk op een (subjectief) recht, enkel als deze direct,
rechtsreeks of opzettelijk is.
Casus: Werink, Hudepohl en nog twee jongens hebben een boswandeling gemaakt. Tijdens deze wandeling gaf
Werink een schop tegen een tak, die als gevolg daarvan is ‘teruggezwiept’ en Hudepohl in het rechteroog heeft
geraakt. Het daardoor veroorzaakte letsel heeft tot verlies van het oog geleid. Hudepohl vordert in dit geding
vergoeding van de hierdoor door hem geleden schade, daartoe stellende dat deze gedraging van Werink een
onrechtmatige daad jegens Hudepohl oplevert.
Rechtsvraag: Is hier sprake van een onrechtmatige daad of een ongelukkige samenloop van omstandigheden?
Rechtsregel: Een ongeval is niet automatisch onrechtmatig alleen omdat er een risico is door bepaald gedrag.
Gedrag is pas onrechtmatig als de kans op een ongeval door dat gedrag zo groot is, dat iemand volgens de
zorgvuldigheidsnorm anders had moeten handelen. De vraag of iemand aansprakelijk is voor het gevolg van zijn
daden, hangt af van de mate van waarschijnlijkheid dat het ongeval (met dit letsel tot gevolg) zich zou voordoen.
Van onrechtmatige daad is enkel sprake bij directe, rechtstreekse of opzettelijke inbreuk op een subjectief
recht. Er wordt in dit geval geen onrechtmatige daad aangenomen.
3- HR 16 februari 1973, NJ 1973/463 (Maas/Willems), zoals besproken in nr. 36 van Hartlief e.a. 2024.
Betrekking opà onrechtmatige daad art. 6:162 lid 2 BW, inbreuk op een doen of nalaten in strijd met een
wettelijke plicht.
Casus: Willems daagt Maas voor de rechter omdat Maas volgens Willems onder de vastgestelde wettelijke
tarieven voor vrachtvervoer werkt. Maas verdedigt zich door te stellen dat Willems zelf ook onder deze tarieven
werkt of dat Willems dat in het verleden heeft gedaan.
Rechtsvraag: Levert een overtreding van een wettelijke bepaling een onrechtmatige daad op?
Rechtsregel: De overtreding van een wettelijk voorschrift leidt niet altijd automatisch tot aansprakelijkheid op
grond van een onrechtmatige daad tegenover concurrenten. Als de concurrent die klaagt over de overtreding
van de regels zelf ook de regels overtreedt, kan hij zich onttrekken aan de bescherming van de norm die hij
inroept.
,4- HR 10 juni 1910, W. 9038 (Zutphense juffrouw), zoals besproken in nr. 21 van Hartlief e.a. 2024 en in G.E.
van Maanen, ‘Lindenbaum/Cohen’, Ars Aequi 2009/11, p. 778-780.
Betrekking opà onrechtmatige daad art. 6:162 lid 2 BW, enkel getoetst aan “rechtsinbreuk en strijd met de wet”
Casus: Juffrouw De Vries woonde boven het pakhuis van Nijhof waarin leer was opgeslagen. Door de vorst was
de waterleiding gesprongen en dreigde het leer nat te worden. Toen Nijhof ’s nachts bij De Vries aanbelde,
weigerde zij de hoofdkraan die zich op haar verdieping bevond- af te sluiten, omdat zij vond dat het maar praatjes
waren en zij van haar nachtrust werd bevorderd.
Rechtsregel: In het Zutphense juffrouw-arrest oordeelt de Hoge Raad dat voor aansprakelijkheid op grond van
onrechtmatige daad niet alleen gekeken moet worden naar maatschappelijk onbetamelijk handelen, maar dat
het handelen moet voldoen aan strikte juridische criteria: een inbreuk op een recht, of een strijd met een
wettelijke plicht (art. 6:162 BW). Alleen maatschappelijk onbehoorlijk gedrag leidt dus niet per se tot
aansprakelijkheid.
Dit arrest markeert een periode waarin de Hoge Raad een formeel-juridische benadering hanteerde voor
onrechtmatige daad, voordat er in latere arresten een belangrijke verruiming kwam. Deze rechtsregel is met de
komst van HR Lindenbaum/Cohen verruimd.
5- HR 31 januari 1919, NJ 1919/161 (Lindenbaum/Cohen), zoals besproken in nr. 22 van Hartlief e.a. 2024 en
in G.E. van Maanen, ‘Lindenbaum/Cohen’, Ars Aequi 2009/11, p. 778-780.
Betrekking opà onrechtmatige daad art. 6:162 lid 2 BW, uitbreiding van “hetgeen volgens ongeschreven recht
in het maatschappelijk verkeer betaamt”.
Casus: Cohen en Lindenbaum hadden beide een drukkerij in Amsterdam. Cohen omkocht een werknemer van
Lindenbaum om geheime informatie over diens offertes te verkrijgen, zodat hij lagere prijzen kon bieden en
opdrachten kon binnenhalen. Lindenbaum ontdekte dit en eiste een schadevergoeding van Cohen op grond van
onrechtmatige daad, vanwege de door hem geleden schade.
Rechtsregel: Dit arrest was erg belangrijk voor het begrip onrechtmatige daad. Na dit arrest werden voortaan
ook handelingen die in strijd zijn met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer wordt betaamd, als
onrechtmatig aangeduid.
6- HR 22 april 1994, NJ 1994/624 (Taxus).
Betrekking opà onrechtmatige daad art. 6:162 lid 2 BW, “hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt (niet zo ver reikt”.
Casus: De paarden van meneer Hulsbosch stierven na het eten van een giftige taxusstruik, die mevrouw
Verkoulen op een afvalhoop in haar tuin had gelegd. De struik stak door het gaas, waardoor de paarden erbij
konden. Meneer Hulsbosch stelt dat mevrouw Verkoulen onzorgvuldig handelde en eist schadevergoeding.
Verkoulen en Broen betwisten de vordering.
Rechtsvraag: Kan een persoon aansprakelijk gesteld worden voor het plaatsen van giftige planten of struiken
binnen het bereik van anderen waardoor zij schade kunnen lijden? Is dit in strijd met de maatschappelijke
zorgvuldigheid op grond van artikel 6:162 lid 2 BW
Rechtsregel: indien het om een plant of struik gaat, waar men de giftigheid niet van kent en niet van behoort te
kennen, dat de maatschappelijke zorgvuldigheid niet zo ver strekt dat de plant of struik zodanig onder zich
gehouden moet worden, dat de plant of struik geen gevaar oplevert voor anderen. De algemene rechtsregel die
uit het Taxus arrest volgt en die in de letselschadepraktijk kan worden toegepast, is dat in het kader van de
vereiste oplettendheid en voorzichtigheid de kenbaarheid van het gevaar een rol speelt.
, 7- HR 5 november 1965, NJ 1966/136 (Kelderluik)
Betrekking opà onrechtmatige daad art. 6:162 lid 2 BW, ongeschreven zorgvuldigheidsnorm (gevaarzetting).
Casus: Een medewerker van een frisdrankenfabriek Coca-Cola heeft in de doorgang naar het toilet van een café
een kelderluik geopend om hier flessen in te kunnen leggen. Het geopende klederluik valt in de omgeving van
het café niet goed op waardoor personen die naar het toilet lopen hier geen aandacht aan besteden. Deze
gevaarlijke situatie heeft direct een ongelukkige wending, doordat een man op weg naar het toilet in het
kelderluik viel en daarbij ernstige verwondingen opliep.
Rechtsvraag: is er in de casu sprake van een onrechtmatige daad door de medewerker jegens de man?
Rechtsregel: de HR overwoog dat er aan de hand van vier criteria moest worden gekeken of er sprake was van
een onrechtmatige daad:
1. De mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en
voorzichtigheid (bij slachtoffer) kan worden verwacht àin dit geval: Hoe waarschijnlijk is het dat
iemand het geopende kelderluik in het café over het hoofd ziet?
2. De hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan à in dit geval: Hoe groot is de kans dat
iemand die het geopende kelderluik over het hoofd ziet, er werkelijk invalt en letsel oploopt?
3. De ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebbenà in dit geval: Hoe ernstig kan het letsel zijn ten
gevolge van een val in het kelderluik?);
4. De mate van bezwaarlijke van te nemen veiligheidsmaatregelenà (in dit geval: Hoeveel werk of
kosten zijn er gemoeid met het sluiten van het luik of het aanbrengen van een beveiliging, bijvoorbeeld
door er stoelen voor te zetten?).
8- HR 28 juni 1991, NJ 1992/622 (Natrap arrest).
Betrekking opà onrechtmatige daad art. 6:162 lid 2 BW, ongeschreven zorgvuldigheidsnorm (gevaarzetting
spel-sport).
Casus: Dekker trapt tijdens een voetbalwedstrijd tegen de knie van Van der Heide aan, waardoor deze aan
zijn knie gewond raakt. Naderhand blijkt dat Van der Heide de bal had gespeeld, waardoor de trap van Dekker
derhalve als natrap valt te kwalificeren. Van der Heide spreekt Dekker aan tot vergoeding van de geleden
schade. Dekker stelt dat Van der Heide eigen schuld heeft omdat er bij voetbal nou eenmaal een risico is dat
je gewond raakt.
Rechtsvraag: dient dekker de geleden schade van Van der Heide te vergoeding of treft Van der heide eigen
schuld wegen risico-aanvaarding?
Rechtsregel: Om te spreken van onrechtmatig gedrag moet er naast de overtreding van de spelregels dus sprake
zijn van een abnormaal en onvoorzien gevaarlijke gedraging. In het natrap-arrest werd de tackle aangemerkt als
een abnormaal gevaarlijke gedraging, omdat de bal niet in de buurt was ten tijde van de overtreding. Om deze
reden werd aansprakelijkheid van de speler aangenomen.