H1 – BOUWSTENEN VAN EEN DISCIPLINE EN EEN PRAKTIJK
1. Het teken als basis voor betekenisvol communiceren
Kernvraag = Hoe ontstaat betekenis?
Het teken = kleinste component van elk communicatieproces
2.1 Semiotiek
BASISCONCEPTEN
Semiotiek = wetenschappelijke leer van tekens hoe verhouden tekens zich & hoe
ontstaat betekenis?
- Grondleggers = Ferdinand de Saussure (1) & Charles Sanders Peirce (2)
Verschil:
1 ‘semiologie’ + klemtoon op sociale functie & relevantie van een teken
2 ‘semiotiek’ + klemtoon op logische, formele of ‘technische’ functie van een teken
Vandaag: synoniemen van elkaar
3 centrale domeinen van semiotiek:
1. De tekens zelf + hun indeling in soorten
2. De codes/systemen waarbinnen de tekens georganiseerd zijn
3. De brede cultuur waarbinnen de tekens en codes opereren
4 subdomeinen van semiotiek (elk focus op ander aspect relatie teken-betekenis)
1. Fonologie = studie van klanken en kleinste eenheden (letters)
2. Syntaxis = studie van patronen van tekens die zo betekenis creëren hoe elementen
gestructureerd?
3. Semantiek (!) = studie van relatie tussen teken en betekenis die een teken krijgt (bv:
symbolen verwijzen naar iets, logo’s, …)
4. Pragmatiek = studie van relatie tussen betekenis & gebruiker van het teken =
contextuele & sociale factoren die een rol in betekeniscreatie (bv: is de verzameling van
tekens gebruiksvriendelijk?)
- Onderscheid tss. intensie en extensie van een woord
Intensie = geheel van criteria/kenmerken dat bepaalt of een term wel kan worden
toegepast
Extensie = de klasse van zaken waarop de term correct is toegepast
- Uitwerking term = horrorfilm
Intensie = spanning, personages zoals een moordenaar & hulpeloze slachtoffers,
griezelelementen
Extensie = Orphan, Friday the 13th, It, …
, COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN
! communicatieprobleem ! extensies van een woord kunnen verschillen tussen
personen DUS (rode draad) = betekenis/communicatie zal altijd anders zijn voor
iedereen.
2.2 Teken, tekensysteem en tekenindeling
Teken centraal in semiotiek = allerkleinste eenheid van communicatie
Daarbij onderscheid tussen 2 kernelementen door De Saussure:
- De betekenaar (signifiant, Sa) = materiële tekenvorm of (fysieke) verschijningsvorm
v/e teken
Bv: een beeld/klank (bv: foto/uitspraak), neergeschreven woord, …
Is dus ook de betekenisdrager
- Het betekende (signifié, Se) = mentale concept/begrip waar de materiële tekenvorm
naar verwijst
- bv. betekenaar = woord ‘hond’/foto van een hond
betekende = idee/concept van dier met 4 poten en staart dat de betekenaar oproept
MERK OP betekenaars kunnen naargelang persoon een ander betekende
oproepen
(bv: poedel vs. jachthond)
- Relatie tussen Sa en Se is arbitrair en puur gebaseerd op historische/etymologische
afspraak.
Er is bv. geen reden waarom we een dier met 4 poten hond noemen.
Enkel sociale behoefte om dat te doen zodat we betekenisvol kunnen
communiceren met elkaar
De Saussure relatie Sa & Se = puur toeval code nodig om tekens betekenis
te geven
- De referent = het eigenlijke fysieke object waar het teken naar verwijst
MAAR door functie betekende kan een teken al betekenisvol zijn en communicatie
mogelijk maken zonder dat de referent effectief aanwezig moet zijn
Er zijn ook tekens zoals ‘liefde’ of ‘engel’ die geen concrete referent hebben.
Referent kan ook verschillend zijn voor dezelfde teken (bv: bij “auto’)
Zie toepassing (oude examenvraag) p. 43
Om volledige betekenis (significatie) v/e teken te bepalen spreekt Barthes over denotatie &
connotatie:
, COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN
- Denotatie bevindt zich op primair betekenisniveau = letterlijke/objectieve betekenis
v/e teken
Deel v/d betekenis dat voor iedereen hetzelfde is & waar sociale consensus over is
Bv: denotatie van vuur = rood, heet natuurelement dat rook & hitte uitstoot
Komt overeen met Se
- Connotatie op secundair betekenisniveau = figuurlijke/subjectieve betekenis v/e
woord
= een bijbetekenis of associatie
Kan gestuurd worden door specifieke (fysieke) verschijningsvorm (Sa)
Bv: connotatie vuur = passie/energie/gevaar/warmte/gezelligheid
Kan gesplitst worden in 2 componenten:
- Evaluatieve lading connotatie kan verwijzen naar iets goed, slecht of neutraal
- Referentiële lading woorden kunnen ook een variabele betekenis of verwijzing
hebben
Betekenis kan wijzigen naargelang persoon, tijdstip, culturele context
Betekenis & interpretatie v/e woord kan dus verschillen per door
context/tekengebruiker
- Bv: Davidster tijdens WO II veel negatievere connotatie dan nu, maar connotatie
vandaag bv. ook afhankelijk van pro/anti Palestina standpunt.
Er is ook nog een 3e betekenisniveau = ideologie
Dieperliggend en vaak verscholen niveau
= de verschillende manieren waarop de samenleving de betekenis van
communicatieboodschappen en media stuurt en organiseert
Barthes linkt dit niveau aan het concept van mythe = “pre-existing and value-
laden sets of ideas derived drom the culture and transmitted by communication”
- Zie examenvraag + antwoord dia 17 ppt (les 1)
TEKENSYSTEMEN
Tekensystemen (focus op relatie tussen tekens, systematisch aspect) ≠ tekenindelingen
(bespreking verschillende soorten tekens) (NIET DOOR ELKAAR SLAAN!)
Zowel De Saussure als Peirce werkten een tekensysteem uit, maar ze vertrokken vanuit
ander perspectief op het teken.
Tekensysteem van Peirce (VS)
, COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN
- Niet geïnteresseerd in taalkundige aspect v/h teken, wel psychologisch en
filosofisch perspectief.
Teken = drager van betekenis
- Het tekensysteem van Peirce bestaat uit 3 componenten:
- Het representamen of de teken(vorm)
- Het object waar het teken naar verwijst
- De interpretant of (extra) betekenis die aan het teken wordt
gegeven (dus geen persoon), en opgewekt wordt bij de tekengebruiker
- Relatie representamen-object heeft betekeniseffect in geest van tekengebruiker het
mentale concept dat bij de gebruiker wordt opgeroepen door die relatie is de
interpretant
Daarom is relatie teken-materieel object meest determinerend voor ontstaan
betekenis (want zet mentaal proces in gang)
Wordt o.a. bepaald door persoonlijke ervaringen van gebruiker
Bv: iemand met goede herinneringen aan schoolperiode heeft positievere
interpretant bij het teken ‘school’ dan iemand dat gepest werd.
Interpretant kan dus variëren & is een vorm van additionele betekenisgeving.
- Peirce zag het teken en de onderliggende relaties als een dynamisch, open en tijdelijk
gegeven.
- Analyseer volgens het tekensysteem van Peirce:
- Moeilijkheid = er zijn 2 tekengebruikers (journalist nieuws en Lukaku)
- Representaam = journalist die het woord ‘vreemdelingen’ uitspreekt
- Object = mensen (vreemdelingen) in beeld
- Interpretant ≠ Lukaku (nooit persoon), MAAR het betekeniseffect (mentaal proces) dat
opgewekt wordt bij de tekengebruiker