Hoofdstuk 5 - Eigenschappen van stoffen
______________________________________________________
§5.1 Het deeltjesmodel
Vast, vloeibaar, gasvormig
De meeste stoffen kunnen voorkomen in drie toestanden of fasen: als een vloeistof,
een vaste stof of een gas. Bij een lage temperatuur is een stof vast. Bij het
smeltpunt, een temperatuur die per stof verschilt, gaat de vaste stof over in een
vloeistof. Bij het kookpunt vindt verdamping plaats. Hierdoor gaat de vloeistof over in
een gas.
Temperatuur
Temperatuur is de maat voor de gemiddelde bewegingsenergie van de moleculen.
Als het gaat over de temperatuur wordt altijd de absolute temperatuur in kelvin
bedoelt. Bij -273,15 ◦C, het absolute nulpunt, staat alles stil. De moleculen bewegen
dan niet meer.
Vanderwaalskrachten
Moleculen oefenen op korte afstand aantrekkende krachten op elkaar uit: de
vanderwaalskrachten. Bij een ideaal gas mag je deze krachten verwaarlozen. Een
ideaal gas wordt nooit een vloeistof als je het afkoelt of samenperst. Het is een gas
en het blijft een gas.
Druk
Een gas kan druk uitoefenen. Druk is de kracht per oppervlakte-eenheid. Dit is in
𝐹
formulevorm als volgt te omschrijven: 𝑝 = 𝐴
. De standaardeenheid van druk is
2 2
𝑁/𝑚 of pascal (Pa). 1 𝑁/𝑚 is dus gelijk aan 1 Pa. Het kan ook worden aangegeven
5
in bar → 1 bar = 1 · 10 Pa.
De wet van Boyle
Bij een opgesloten gas met een constante temperatuur is de druk van het gas
omgekeerd evenredig met het volume van het gas: p·V is constant. Dit verband heet
de wet van Boyle.
§5.2 Uitzetting
Uitzetting en het deeltjesmodel
Wanneer de temperatuur stijgt zetten de meeste stoffen uit. Het deeltjesmodel geeft
een goede verklaring hiervoor. Als de temperatuur van een vaste stof stijgt dan gaan
de moleculen heftiger trillen waardoor ze meer ruimte innemen; de vaste stof zet uit.