DEEL 1: OEFENVRAGEN
Hoofdstuk 1: Klinische Voeding & Ondervoeding
1. Wat is de definitie van ondervoeding volgens de bronnen? A) Alleen
een te laag lichaamsgewicht. B) Een disbalans van energie en eiwit met nadelige
effecten op de lichaamssamenstelling en het functioneren. C) Een BMI lager dan
18,5 ongeacht de leeftijd. D) Een gebrek aan vitaminen door een eenzijdig dieet.
2. Vanaf welk onbedoeld gewichtsverlies spreekt men van een
fenotypisch criterium voor ondervoeding? A) >2% in 1 maand. B) >5% in
de afgelopen 6 maanden. C) >10% in de afgelopen 6 maanden. D) >15% in een
jaar.
3. Wat is de BMI-grens voor ondervoeding bij een persoon van 75 jaar?
A) <18,5 kg/m². B) <20 kg/m². C) <22 kg/m². D) <25 kg/m².
4. Welke van de volgende is een "negatief" acuut-fase eiwit (daalt bij
ontsteking)? A) CRP. B) Fibrinogeen. C) Albumine. D) Serum amyloid A.
5. Wat is de normale referentiewaarde voor CRP? A) <10 mg/L. B) <50
mg/L. C) 35-55 g/L. D) 150-630 pmol/L.
6. Welke marker is een gevoelige indicator voor de verbetering van de
eiwitstatus bij hervoeden? A) Creatinine. B) Prealbumine. C) Hemoglobine. D)
Transferrine.
7. Wat gebeurt er met het basaal metabolisme bij vasten zonder ziekte
na 14-21 dagen? A) Het stijgt met 10%. B) Het blijft gelijk. C) Het daalt met 20
tot 25%. D) Het daalt met 50%.
8. Wat is een kenmerk van "Refractaire cachexie"? A) Het is nog
omkeerbaar met sondevoeding. B) Een levensverwachting van <3 maanden. C)
Een gewichtsverlies van maximaal 5%. D) Een hoge fysieke activiteit.
9. Hoeveel energie-toeslag wordt algemeen geadviseerd voor een
klinische patiënt? A) 10%. B) 30%. C) 50%. D) 100%.
10. Wat is de aanbevolen eiwitbehoefte voor een acuut zieke
volwassene? A) 0,8 g/kg lichaamsgewicht. B) 1,0 - 1,2 g/kg lichaamsgewicht. C)
1,2 - 1,5 g/kg lichaamsgewicht. D) 1,5 - 1,7 g/kg lichaamsgewicht.
11. Wanneer is drinkvoeding aangewezen volgens de beslisboom? A) Bij
een inname van 100% van de behoefte. B) Bij een inname tussen de 50 en 75%
van de behoefte. C) Alleen bij slikproblemen. D) Alleen na een operatie.
12. Welke vitamine raakt als eerste uitgeput bij chronisch braken? A)
Vitamine B12. B) Vitamine B1 (Thiamine). C) Vitamine C. D) Vitamine D.
13. Wat is een symptoom van het refeedingsyndroom? A) Hyperfosfatemie.
B) Hypofosfatemie. C) Verhoogd albumine. D) Tekort aan vitamine K.
14. In welke fase van wondgenezing wordt granulatieweefsel gevormd?
A) Fase 1: Bloedstolling. B) Fase 2: Ontsteking. C) Fase 3: Granulatieweefsel. D)
Fase 5: Remodellering.
, 15. Wat is de functie van de SNAQ-score? A) Het diagnosticeren van
diabetes. B) Screenen op het risico op ondervoeding. C) Het meten van de
spiermassa. D) Het bepalen van de nierfunctie.
Hoofdstuk 2: Hoofdhals
16. Waar bevindt een tumor in de orofarynx zich? A) In de neus-keelholte.
B) Bij de stembanden. C) Bij de tongbasis of keelamandelen. D) In de
mondbodem.
17. Wat is een veelvoorkomend symptoom van een tumor in de larynx?
A) Slijm in de keel en heesheid. B) Uitstralende pijn naar de tenen. C) Verhoogde
eetlust. D) Diarree.
18. Wat betekent de 'N' in de TNM-classificatie? A) Grootte van de tumor. B)
Aanwezigheid van regionale lymfekliermetastasen. C) Metastasen op afstand. D)
Necrose van het weefsel.
19. Welke classificatie wordt gebruikt voor het aanpassen van de
consistentie van voeding? A) GLIM. B) TNM. C) IDDSI. D) MUST.
20. Welk voedingsadvies is passend bij mucositis (ontstoken
slijmvliezen)? A) Extra zoute producten. B) Hete koffie. C) Zachte, smeuïge
voeding op kamertemperatuur. D) Zure dranken zoals sinaasappelsap.
21. Wie bepaalt de IDDSI-score voor een patiënt? A) De diëtist. B) De arts-
assistent. C) De logopedist. D) De verpleegkundige.
22. Wat is de voorkeursroute voor sondevoeding als de behandeling
langer dan 6 weken duurt? A) Neus-maagsonde. B) PEG-sonde. C) TPV. D)
Drinkvoeding.
23. Welk risico is zeer hoog bij patiënten met hoofd-halskanker door pijn
bij slikken? A) Overvoeding. B) Ondervoeding. C) Diabetes type 1. D)
Galstenen.
24. Wat is 'odynofagie'? A) Moeite met kauwen. B) Pijn bij slikken. C)
Smaakverlies. D) Een droge mond.
25. Wat is een 'curatieve' behandeling? A) Een behandeling gericht op
genezing. B) Een behandeling gericht op symptoombestrijding. C) Een
behandeling voor de operatie. D) Een behandeling na de dood.
Hoofdstuk 3: Enterale en Parenterale Voeding
26. Wanneer is TPV geïndiceerd? A) Als de patiënt 2 dagen niet kan eten. B)
Wanneer de darm langer dan 7 dagen niet gebruikt kan worden. C) Altijd na een
maagoperatie. D) Bij een BMI van 20.
27. Wat is een contra-indicatie voor TPV? A) Een ileus. B) Een
hemodynamisch instabiele patiënt. C) Een enterocutane fistel. D) Ernstige
pancreatitis.
28. Welk voordeel heeft enterale voeding boven parenterale voeding? A)
Het is makkelijker toe te dienen via een infuus. B) Het behoudt de darmintegriteit