Biodiversiteit en Landschap
College 2: biodiversiteit 31-8
Definitie van diversiteit volgens UNEP: de variabiliteit tussen soorten van alle leefgebieden, dit gaat
om diversiteit binnen een soort, tussen soorten en tussen verschillende ecosystemen.
Diversity = O origen + I imigration – E extinction (dS/dt=O(S)+I(S)-E(S))
Lokale diversiteit is afhankelijk van regionale diversiteit
Regionale diversiteit is afhankelijk van langdurige processen nml immigratie, speciatie en extinctie
Soorten die door een environmental filter (vb. de juiste korrelgrootte) en dispersal filter (er moet een
verbinding zijn vanuit de bron) komen kunnen voorkomen in de lokale diversiteit
lokale diversiteit is afhankelijk van kortdurige processen nml random extinctie, predatie en
intersoortelijke competitie.
Lokale biodiversiteit is een momentopname van een grote geschiedenis van het gebied. Je moet
altijd verder kijken dan alleen het plot waar je mee bezig bent.
Eerste wet van biodiversiteit: in een groter gebied of bij meer individuen neemt de hoeveelheid
soorten toe. Log(S)= Log(c) + z Log(A) (S=cA^z)
,Op eilanden is migratie moeilijker dan op de mainland dus is de relatie tussen de species log en de
opp log sterker. Hoe verder je bent van het mainland hoe minder soorten je hebt.
Intermediate disturbance hypothesis: bij een hoge frequentie aan storingen of zware storingen
neemt het aantal soorten af omdat niet veel soorten hiermee om kunnen gaan. Kleine storingen
kunnen meer soorten mee leven dus kunnen er meer soorten leven. Bij weinig storingen vind
successie plaats dus zijn er alleen een paar dominante soorten. Bossen kennen verstoringen bij kap
en wanneer bomen omvallen door vb. wind. Op de hei speelt begrazing een heel belangrijke rol als
IDH.
Wat is biodiversiteit? aantal soorten of meer dan dat meten, alle soorten even belangrijk,
indicatoren?
alfa diversiteit: diversiteit binnen een plot
beta diversiteit: diversiteit tussen plots
gamma diversiteit: alfa * beta
2de wet biodiversiteit: er zijn weinig algemene soorten en veel zeldzame soorten.
dit is ook waar op familiair of genus niveau. In een gebied is er een relatie tussen hoeveel soorten je
vind en hoe die soorten in aantallen verdeeld zijn. Aantal soorten hangt ook af van hoeveel
individuen je hebt (bevoordeeld doordat er meer nutriënten zijn)
Andere diversiteitsmaten:
Shannon index: som relatieve abundantie * log relatieve abundantie opgeteld voor alle soorten
(beter bij hoge soorten aantallen)
Simpson index: som van de relatieve abundantie in het kwadraat opgeteld voor alle soorten (beter bij
lage soorten aantallen)
, houden niet alleen rekening met de hoeveelheid
soorten maar ook met de verdeling van deze individuen. De indexen (1-simpson, shannon) nemen af
wanneer gemeenschappen ongelijk verdeeld zijn. Beide indexen gaan er wel van uit dat alle soorten
even belangrijk zijn. Shannonindex gaat van 1.5 tot 3.5 ong. bij 1.5 dus lage biodiversiteit. De 1-
simpson index geeft een getal tussen de 0 en 1 met 0 als weinig biodiversiteit.
Je zou een hogere diversiteit ook als hogere genetische diversiteit kunnen beschouwen.
Verschillende soorten kan je anders wegen. Ook kan je keystone (soorten die in lage aantallen
bepalen hoe een gebied eruit ziet), support/regulator (verspreider van zaden/onderdrukker van
prooidieren, zijn belangrijk voor het gebied) en endemische (soorten die alleen in een heel specifiek
gebied voorkomen) soorten als belangrijker zien. Indicatoren laten zien of het goed gaat met je
ecosysteem.
Beta diversiteit word gemeten met de volgende indexen: beta is 1-de index
s is de dissimilatiteit 1-s is similariteit
College 3: ecologie van Terschelling 31-8
11000-7500BP: smelten landijs -> snelle zeespiegelstijging. Rond 8500BP komt NL aan zee te liggen
en veen wordt gevormd. De veenmoerassen verplaatste zich in landwaartse richting. Va. 6000BP
langzame stijging -> werden zandbaken gevormd doordat de zee door een landwaartse beweging
zand transporteert richting het strand. Door plantengroei worden deze duinen hoger en word land
afgesloten van de zee. Vanaf 2500BP: zeespiegelstijging langzamer en veel stormen. Wisselende
periodes met duinvorming en zeespiegelstijging. Dit werd tijdens de middeleeuwen voortgezet.
Vorming van Nederland gebaseerd op aanvoer sediment en balans zeespiegelstijging en
duinvorming.
11000BP: heel Nederland dekzand, zeespiegel veel lager (100m). hier en
daar wat rivierstromingen die dekzand doorsnijden
College 2: biodiversiteit 31-8
Definitie van diversiteit volgens UNEP: de variabiliteit tussen soorten van alle leefgebieden, dit gaat
om diversiteit binnen een soort, tussen soorten en tussen verschillende ecosystemen.
Diversity = O origen + I imigration – E extinction (dS/dt=O(S)+I(S)-E(S))
Lokale diversiteit is afhankelijk van regionale diversiteit
Regionale diversiteit is afhankelijk van langdurige processen nml immigratie, speciatie en extinctie
Soorten die door een environmental filter (vb. de juiste korrelgrootte) en dispersal filter (er moet een
verbinding zijn vanuit de bron) komen kunnen voorkomen in de lokale diversiteit
lokale diversiteit is afhankelijk van kortdurige processen nml random extinctie, predatie en
intersoortelijke competitie.
Lokale biodiversiteit is een momentopname van een grote geschiedenis van het gebied. Je moet
altijd verder kijken dan alleen het plot waar je mee bezig bent.
Eerste wet van biodiversiteit: in een groter gebied of bij meer individuen neemt de hoeveelheid
soorten toe. Log(S)= Log(c) + z Log(A) (S=cA^z)
,Op eilanden is migratie moeilijker dan op de mainland dus is de relatie tussen de species log en de
opp log sterker. Hoe verder je bent van het mainland hoe minder soorten je hebt.
Intermediate disturbance hypothesis: bij een hoge frequentie aan storingen of zware storingen
neemt het aantal soorten af omdat niet veel soorten hiermee om kunnen gaan. Kleine storingen
kunnen meer soorten mee leven dus kunnen er meer soorten leven. Bij weinig storingen vind
successie plaats dus zijn er alleen een paar dominante soorten. Bossen kennen verstoringen bij kap
en wanneer bomen omvallen door vb. wind. Op de hei speelt begrazing een heel belangrijke rol als
IDH.
Wat is biodiversiteit? aantal soorten of meer dan dat meten, alle soorten even belangrijk,
indicatoren?
alfa diversiteit: diversiteit binnen een plot
beta diversiteit: diversiteit tussen plots
gamma diversiteit: alfa * beta
2de wet biodiversiteit: er zijn weinig algemene soorten en veel zeldzame soorten.
dit is ook waar op familiair of genus niveau. In een gebied is er een relatie tussen hoeveel soorten je
vind en hoe die soorten in aantallen verdeeld zijn. Aantal soorten hangt ook af van hoeveel
individuen je hebt (bevoordeeld doordat er meer nutriënten zijn)
Andere diversiteitsmaten:
Shannon index: som relatieve abundantie * log relatieve abundantie opgeteld voor alle soorten
(beter bij hoge soorten aantallen)
Simpson index: som van de relatieve abundantie in het kwadraat opgeteld voor alle soorten (beter bij
lage soorten aantallen)
, houden niet alleen rekening met de hoeveelheid
soorten maar ook met de verdeling van deze individuen. De indexen (1-simpson, shannon) nemen af
wanneer gemeenschappen ongelijk verdeeld zijn. Beide indexen gaan er wel van uit dat alle soorten
even belangrijk zijn. Shannonindex gaat van 1.5 tot 3.5 ong. bij 1.5 dus lage biodiversiteit. De 1-
simpson index geeft een getal tussen de 0 en 1 met 0 als weinig biodiversiteit.
Je zou een hogere diversiteit ook als hogere genetische diversiteit kunnen beschouwen.
Verschillende soorten kan je anders wegen. Ook kan je keystone (soorten die in lage aantallen
bepalen hoe een gebied eruit ziet), support/regulator (verspreider van zaden/onderdrukker van
prooidieren, zijn belangrijk voor het gebied) en endemische (soorten die alleen in een heel specifiek
gebied voorkomen) soorten als belangrijker zien. Indicatoren laten zien of het goed gaat met je
ecosysteem.
Beta diversiteit word gemeten met de volgende indexen: beta is 1-de index
s is de dissimilatiteit 1-s is similariteit
College 3: ecologie van Terschelling 31-8
11000-7500BP: smelten landijs -> snelle zeespiegelstijging. Rond 8500BP komt NL aan zee te liggen
en veen wordt gevormd. De veenmoerassen verplaatste zich in landwaartse richting. Va. 6000BP
langzame stijging -> werden zandbaken gevormd doordat de zee door een landwaartse beweging
zand transporteert richting het strand. Door plantengroei worden deze duinen hoger en word land
afgesloten van de zee. Vanaf 2500BP: zeespiegelstijging langzamer en veel stormen. Wisselende
periodes met duinvorming en zeespiegelstijging. Dit werd tijdens de middeleeuwen voortgezet.
Vorming van Nederland gebaseerd op aanvoer sediment en balans zeespiegelstijging en
duinvorming.
11000BP: heel Nederland dekzand, zeespiegel veel lager (100m). hier en
daar wat rivierstromingen die dekzand doorsnijden