Cursus Fitnesstrainer A
Samenvatting
Functionele anatomie
Het bewegingsapparaat: het skelet, de gewrichten en de spieren. Brengt ons in staat om te
bewegen.
- het skelet: botten gewrichten en banden
- het spierstelsel: spieren met hulpvoorzieningen
- het zenuwstelsel: hersenen en ruggenmerg
Het skelet (206 botten) heeft de volgende functies:
- geeft vorm
- geeft steun
- biedt aanhechting voor spieren, pezen en banden
- maakt beweging mogelijk
- bescherming van organen
Bot bestaat uit: kalk, fosforzouten, fluor (mineralen) en lijmstoffen.
Fluor = verharding
Lijmstof = stevigheid en soepelheid
Groei van botten vindt plaats onder invloed van groeihormonen:
- lengtegroei: vermeerdering van kraakbeencellen/verbening kraakbeen. Lengtegroei
gebeurt in epifysair/groeischijven. Deze verdwijnen na voltooiing van de groei.
- Breedtegroei: verbening van het beenvlies (periost)/wegvreten botweefsel aan de
binnenkant (wanden, mergholte).
Gewichtsdragende lichaamsactiviteiten zorgen voor druk op de botten wat zorgt voor
toename van de botdichtheid.
Lordose: holling in wervelkolom
Kyfose: bolling in wervelkolom
Scoliose (afwijking): zijwaartse bochten in wervelkolom
Soorten botverbindingen:
- botweefselverbinding (schedel)
- kraakbeenweefselverbinding (borstbeen/ribben)
- bindweefselverbinding (darmbeen/heiligbeen)
- gewricht (schouder/elleboog/knie)
Gewrichtsvormen:
- Scharniergewricht: 1 as
- Rolgewricht: 1 as
- Zadelgewricht: 2 assen
- Kogelgewricht: 3 assen
,Stabiliteit gewrichten:
- passief: kapsels en banden
- actief: werking van de spieren (kracht/coördinatie)
Anterior voorzijde
Posterior achterzijde
Inferior onderste
Superior bovenste
Lateralis zijkant
Ventraal voorzijde
Dorsaal achterzijde
Medius midden
Obliquus schuin
Os bot
Musculus spier
Externus buiten
Internus binnen
Abductie van het lichaam afbrengen
Adductie naar het lichaam toebrengen
Anteflexie in voorwaartse richting heffen
Retroflexie in achterwaartse richting heffen
Endorotatie naar binnen draaien
Exorotatie naar buiten draaien
Flexie buigen
Extensie strekken
Supinatie hand draait naar buiten
Pronatie hand draait naar binnen
Palmairflexie vingers naar de handpalm
Dorsaalflexie vingers naar de handrug
Ventraalflexie voorwaarts buigen van de wervelkolom
Dorsaalflexie achterwaarts buigen van de wervelkolom
Lateraalflexie zijwaarts buigen van de wervelkolom
Torsie draaien in de wervelkolom
Elevatie schouderblad omhoog trekken
Depressie schouderblad omlaag trekken
Retractie schouderbladen naar achteren
Protractie schouderbladen naar voren
Plantairflexie enkel strekken (tenen naar beneden)
Dorsaalflexie enkel buigen (tenen naar boven)
Vlakken:
- Sagittale vlak: vlak van lengtedoorsnede van voor naar achter
- Transversale vlak: vlak van horizontale doorsnijding
- Frontale vlak: vlak van lengtedoorsnede in de breedte
Assen:
- Sagittale as: as in het Sagittale vlak; loodrecht op frontale vlak
, - Transversale as: as in het transversale vlak; loodrecht op sagittale vlak
- Longitudinale as: as in het frontale vlak; loodrecht op transversale vlak
Buikspieren
Bewegingsanalyses geven inzicht in:
- de bijdrage van spieren in bepaalde bewegingen
- bewegingsfouten en hoe complexe bewegingen aan te leren
- de klant (om specifiek te belasten)
Bewegingsanalyse uitvoeren:
1. Welke gewrichten worden gebruikt?
2. Welke beweging wordt er gemaakt in het gewricht?
3. Welke spieren zijn verantwoordelijk voor de beweging (antagonist)?
4. Welke spieren leveren een bijdrage aan de beweging (synergyst)?
5. Wat zijn de belangrijkste aandachtspunten?
Concentrische contractie: afstand tussen originele en insertie wordt kleiner. Gewicht wordt
verplaatst tegen de zwaartekracht.
Excentrische contractie: afstand tussen originele en insertie wordt groter. Gewicht wordt
gecontroleerd met de zwaartekracht mee verplaatst.
Statische/isometrische contractie: afstand tussen originele en insertie is gelijk, er is geen
beweging.
Mono-articulair: spier loopt over 1 gewricht
Bi-articulair: spier loopt over 2 gewrichten
Poly-articulair: spier loopt over meerdere gewrichten
Agonist: spier(groep) die beweging inzet
Antagonist: spier(groep) die tegenoverliggende beweging maakt van agonist
Synergist: Ondersteunt agonist
Neutralisator: voorkomt ongewenste bewegingen
Stabilisator: fixeert een van de botstukken
Superset: combinatie oefeningen die zo min mogelijk invloed op elkaar hebben.
Warming up: kerntemperatuur verhogen waarbij synovia (gewrichtsvocht) wordt vrijgegeven.
Dit maakt gewrichten soepeler.
Specifieke deel: oefeningen die je doet op lichte intensiteit in 2 a 3 stappen.
Voorbeeld: legpress met 80 kg als oefening.
- warming up: ⅚ herhalingen 20 kg
⅚ herhalingen 40 kg
⅚ herhalingen 60 kg
Beweegpatronen:
, - kniebuiging
- heupbuiging
- duwen
- trekken
- uitstappas
- (anti) rotatie
- lopen
Spierfalen: vermoeidheid op specifieke spier. Dit wordt zichtbaar door een lager tempo en de
gezichtsuitdrukking.
Unilateraal: met 1 ledemaat. Voordeel: minder gewicht, logisch i.v.m. de natuurlijke
beweging van de mens en de optie om krachtverschillen weg te werken (hierbij starten met
de zwakste kant).
Nociceptoren: pijnvoelers
Weefselstress distributie: hoe wordt stress verdeeld over het lichaam/de spieren. Hoe meer
bewegingsvrijheid tijdens een oefening hoe beter.
De sporter dient uit te blazen bij het leveren van kracht tijdens een oefening.
Biomechanica
Biomechanica: De leer van krachten en het effect van krachten op het menselijk lichaam.
Of: de wetenschap die de beweging van gewrichten, spieren en ledematen van de mens en
het dier bestudeert.
De eenheid van kracht is de ‘Newton’. Dit is de kracht die aan de massa van 1 kg een
versnelling geeft van 1 m/s. Kracht wordt aangegeven met de letter F van force.
Wanneer kracht uitoefent op een voorwerp dan is het gevolg afhankelijk van:
- de grootte van de kracht
- de richting van de kracht
Verschillende krachten:
Fz = zwaartekracht
Fn = normaalkracht
Fi = traagheidskracht (I = inertie)
Fsp = spierkracht
Zwaartekracht: De kracht die ontstaat door de aantrekking van de aarde. Het
lichaamszwaartepunt is het middelpunt van alle zwaartekracht en is (bij rechtop staan) onder
de navel.
Normaalkracht: reactiekracht op zwaartekracht. Wanneer dit gelijk is, is er geen beweging.