PSYCHOLOGIE
VRAGEN
1. Wat is volgens de sociale psychologie de definitie van sociale invloed?
A. De invloed van genetische factoren op ons dagelijks handelen.
B. Het effect dat woorden, acties of de aanwezigheid van anderen hebben op onze gedachten
en gedrag.
C. Het analyseren van groepen en instituties als geheel.
D. De studie naar unieke karaktertrekken van individuen.
2. Welk begrip beschrijft de neiging om gedrag van anderen toe te schrijven aan persoonlijkheid en
de rol van de situatie te onderschatten?
A. De self-fulfilling prophecy.
B. Naïef realisme.
C. De fundamentele attributiefout.
D. De representativiteitsheuristiek.
3. Wanneer treedt "informationele sociale invloed" doorgaans op?
A. Wanneer we uniek willen lijken in een groep.
B. In onduidelijke of ambigue situaties waarin we niet weten hoe we ons moeten gedragen.
C. Alleen wanneer er sprake is van een beloning.
D. Wanneer we bang zijn voor uitsluiting door de groep.
4. Wat was een belangrijk resultaat van het Milgram-experiment?
A. Bijna niemand ging door tot het maximale voltage.
B. 62,5% van de deelnemers diende de maximale schok van 450V toe.
C. De gehoorzaamheid nam toe als de proefpersoon dichtbij de "leerling" zat.
D. Mensen hielpen alleen als ze empathie voelden.
5. Hoe beïnvloeden schema's onze informatieverwerking?
A. Ze zorgen ervoor dat we alle details van een situatie objectief onthouden.
B. Ze helpen ons informatie te organiseren en gaten in onze kennis op te vullen.
C. Ze maken ons immuun voor priming.
D. Ze worden alleen gebruikt bij gecontroleerd denken.
6. Wat is "self-perception theory"?
A. Het idee dat we onze attitudes afleiden door ons eigen gedrag en de situatie te observeren.
B. De behoefte om ons zelfbeeld constant positief te houden.
C. Het proces waarbij we de bron van onze herinneringen vergeten.
D. De angst om een negatief stereotype over onszelf te bevestigen.
, 7. Welke techniek houdt in dat men eerst akkoord gaat met een klein verzoek, waardoor de kans
op een groter vervolgverzoek stijgt?
A. Door-in-the-Face techniek.
B. Lowballing.
C. Foot-in-the-Door techniek.
D. Hypocrisie-inductie.
8. Wat is het "over-rechtvaardigingseffect"?
A. De neiging om intrinsieke interesse te verliezen wanneer gedrag wordt beloond met externe
prikkels.
B. Het toevoegen van nieuwe cognities om dissonantie te verminderen.
C. De overtuiging dat de wereld een rechtvaardige plek is.
D. Het effect waarbij we meer gaan houden van iets waar we hard voor hebben gewerkt.
9. Wat wordt bedoeld met "social loafing"?
A. Beter presteren op simpele taken door de aanwezigheid van anderen.
B. Slechter presteren op simpele taken wanneer individuele prestaties niet geëvalueerd kunnen
worden.
C. Het verlies van normale remmingen in een menigte.
D. De neiging om beslissingen te nemen die extremer zijn dan de oorspronkelijke mening.
10. Wat is het belangrijkste kenmerk van "groepsdenken" (groupthink)?
A. Het uitwisselen van unieke informatie tussen groepsleden.
B. Het bereiken van een geïntegreerde oplossing.
C. Het behouden van groepscohesie is belangrijker dan een realistische analyse van de feiten.
D. Het gebruik van de "advocaat van de duivel" bij besluitvorming.
11. In de context van attractie verwijst het "propinquity effect" naar:
A. De neiging om op mensen te vallen met tegengestelde persoonlijkheidskenmerken.
B. Het feit dat nabijheid en herhaalde blootstelling leiden tot waardering.
C. De kracht van fysieke aantrekkelijkheid bij eerste ontmoetingen.
D. De invloed van symmetrie op schoonheidsoordelen.
12. Wat is het verschil tussen "vijandige" en "instrumentele" agressie?
A. Vijandige agressie is onbedoeld, instrumentele agressie is met opzet.
B. Vijandige agressie komt voort uit boosheid met als doel pijn; instrumentele agressie is een
middel om een ander doel te bereiken.
C. Alleen mannen vertonen instrumentele agressie.
D. Er is geen verschil in motivatie, enkel in de fysieke uitvoering.
13. De "empathy-altruism" hypothese stelt dat:
A. We alleen helpen als de beloningen groter zijn dan de kosten.
B. We anderen puur om altruïstische redenen helpen als we empathie voor hen voelen.
C. Empathie een aangeleerde reactie is via socialisatie.
D. We alleen familieleden helpen.
14. Wat houdt "cognitieve dissonantie" in?