voorkomt. Als het gepaard gaat met een
recessief allel zal alsnog deze eigenschap te
zien zijn in het fenotype.
Recessieve allelen Dit is het allel voor de eigenschap die
minder vaak voorkomt. Alleen als het
gepaard wordt met een ander recessief allel
zal de eigenschap te zien zijn in het
fenotype.
Homozygoot Twee dominante of recessieve allelen.
Heterozygoot Eén dominant en één recessief allel.
Meiose (celdeling) Het produceren van geslachtscellen waar bij
de geslachtcellen maar 23 chromosomen
bevat i.p.v. 46 chromosomen. Wanneer een
spermacel en een eicel zich dan
samenvoegen zal het nieuw organisme 46
chromosomen hebben.
Mitose (celdeling) Het proces waarbij een cel met 46
chromosomen, de chromosomen halveert,
waardoor je dus 92 chromosomen hebt en
vervolgens zich deelt waardoor er twee
cellen bestaan met hetzelfde aantal
chromosomen.
Fenotype De observeerbare (fysieke) eigenschappen
van een organisme
Genotype Eigenschappen die een organisme door kan
geven aan het nageslacht d.m.v. genetisch
materiaal.
Autosomale chromosomen De typische chromosomen die in paren
komen (22)
Seks chromosomen Het paar van chromosomen dat het
geslacht bepaald. Je kan het
sekschromosoom xx hebben (vrouw) of het
sekschromosoom xy (man)
Polygenic inheritence Meerdere paren van genen bepalen
aspecten van erfelijkheid bijv. lengte en
persoonlijkheid.
Single gen inheritence Seks-linked inheritence + simpel dominant –
recessive inheritance
Periode van de zygote 10-14 dagen
Deze periode duurt van conceptie tot
implantatie, wanneer de zygote zich
vasthecht aan de baarmoederwand.
Binnenkant wordt de embryo en de
buitenkant een beschermlaag.
Bouwstenen van DNA 1. Adenine
2. Thymine