Samenvatting literatuur DB2 – H3 Klassieke conditionering
3.1 Inleiding
Voor al het gedrag liggen dezelfde processen als basis, een diagnose biedt slechts een
beschrijving en niet een verklaring. Het is nodig om te weten waarom het een zinvolle reactie is
op een betekenisvolle situatie. Klassieke conditionering gaat om het leren van betekenissen,
want begrijpen van klachten in termen van betekenis zijn gelinkt aan het gedrag.
3.1.1: little albert en het leren van betekenissen
Je bent geboren met reflexen die al snel geconditioneerd raken met de omgeving. Bij little albert
werd in fase 1 een confrontatie met een ratje ingevoerd, die geen emotionele respons te weeg
brachten. In fase 2 werd het ratje aangeboden en daarna een knal, waardoor albert schrok en
moest huilen. In fase 3 werd alleen het ratje aangeboden, waardoor albert schrok en moest
huilen. In fase 4 had het ratje een generalisatie naar andere soortgelijke dieren die erop leken.
3.1.2: structuur van klassieke conditionering procedure
Een ongeconditioneerde prikkel (US) is iets wat er gewoon is waar geen betekenis aan is
gegeven. Een ongeconditioneerde respons (UR) is onvoorwaardelijk en wordt uitgelokt door de
US. Een geconditioneerde prikkel (CS) is oorspronkelijk een neutrale stimulus die van nature
geen reactie uitlokt, bijvoorbeeld een ratje, en die dit nu wel uitlokt. Een geconditioneerde
respons (CR) is een voorwaardelijke reactie die gemaakt is door CS en US aanbiedingen.
CS (ratje) gevolg door US (knal) lokt UR (huilen/schrikken). De betekenis is veranderd door
herhaalde aanbiedingen van de CS gevolgd door US. Dit zorgt voor verwachtingsleren, namelijk
dat de CS de verwachting van de US oproept.
In de klassieke conditionering richten we ons op de problematische betekenissen die een rol
spelen. De CS is niet langer neutraal, maar is gekoppeld aan problematische gedragingen die
een betekenis hebben verworven. Hierom ga je opzoek naar de bron die verteld hoe de
verbindingen hebben geleid tot de betekenissen. Bijvoorbeeld: vrouw met agorafobie heeft
paniekaanvallen (US) in openbare ruimtes (CS).
De US is een aversieve (onprettige) stimulus. Dit noemen we aversieve conditionering,
waaronder vreesconditionering waar de CS angst uitlokt op basis van eerdere ervaringen. De US
kan ook appetatieve (prettige) stimulus zijn.
3.2 Het verwerven van nieuwe betekenissen
3.2.1: basisbegrippen
Acquisitie: door CS te koppelen aan geluid (US). Het is de fase waarin de CS+, CS- en de US
aangeboden worden en een vrees voor een stimulus die eerst neutraal was wordt verworven.
Differentiatie: het eerst lokken van beide stimuli met vrees en naar mate van herhaling leert de
persoon dat 1 veilig is (CS-) en bij de ander neemt vrees toe (CS+). Het onderscheiden van veilig
en onveilig is de differentiatie. Als men dit niet goed kan, dan zullen veel stimuli angst oproepen
(die ook eerst veilig waren), zowel de CS+ als de CS- worden dreigende stimuli.
Mensen met een angststoornis zijn minder goed in differentiëren en hebben hogere vrees ten
aanzien van veilige stimuli. Is mogelijk een oorzaak van angststoornis en kan mogelijk door
beperkingen in inhibitorische reacties en het overmatig generaliseren van CS+ naar andere
stimuli.
, 2
Generalisatie: is belangrijk voor het dagelijks leven. Dezelfde situatie doet zich nooit 2x
hetzelfde voor. Het proces van prikkelgeneralisatie zorgt voor de neiging om hetzelfde te
reageren op een situatie die net iets anders is. Het generalisatie gradiënt is dat de CR afneemt,
naar mate de generalisatie stimulus minder lijkt op de oorspronkelijke CS+. Deze kan vlak zijn
(meer generalisatie) of scherp (minder generalisatie). Dit is belangrijk voor het in stand houden
en ontstaan van problematische angst en depressie.
3.2.2: contextconditionering
Is als bredere contexten een nieuwe betekenis krijgen. De CS heeft geen voorspellende waarde
en discrimineert niet tussen de komst van dreigende en belonende gebeurtenissen; maar een
deel van de dag of context doet dit wel.
Bij de afwezigheid van een voorspeller, lokt de context zelf angst uit, omdat het onvoorspelbaar
is. Bijvoorbeeld agorafobie: angst voor bredere contexten ontstaan secundair aan
onvoorspelbare paniekaanvallen. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen vrees en angst via de
predatory immence theory waar angst een toestand van verhoogde waakzaamheid is verbonden
aan piekeren en het voorzichtig handelen omdat je mogelijk in een bedreigende context bent;
relevant bij GAS, PTST en paniekstoornis.
Bij vrees is het de aandacht voor aanwezige bedreigende stimuli. Bij sociale angst is dit de
mogelijkheid op falen en bij dwang is iets een voorspeller van ziekte/dood. Ook wel cue-
conditioning: een concrete prikkel voorspelt potentieel gevaar.
3.2.3: appetitieve conditionering en andere appetitieve vormen van betekenisverwerving
Als de US een plezierige betekenis leert door toediening van de CS en dan direct de US waar de
UR automatisch opvolgt. Na herhaling kwam de UR (speeksel) ook voor na het horen van de
toon (CS).
Dit helpt om verslaving te begrijpen. Namelijk alcohol inname (US) heeft een ontspannende
werking (UR). De omgevingsstimuli die voor of tijdens de inname aanwezig zijn kunnen hiermee
verbonden raken (CS). Door herhaling kan het zien van de omgevingsstimuli (CS) al een
motivationele toestand uitlokken. Speelt ook een rol bij eetstoornissen, depressie en
schizofrenie.
Evaluatieve conditionering is dat de stimuli positiever of negatiever beoordeeld worden na het
aanbieden van een neutrale stimulus en hierop volgend een positieve of negatieve stimuli.
3.2.4: de vele routes van klassieke conditionering
Er hoeft geen directe ervaring te zijn die de CS en de US aan elkaar koppelt, dit is slechts 1 van
de drie manieren. Kan ook door observationeel leren en informatie transmissie; deze spelen een
belangrijke rol in het aanleren van angst bij kinderen. Je kan het ook koppelen aan elkaar. Als
een ratje een schok krijgt bij het horen van een toon; en deze toon ook afspeelt bij het branden
van een lampje, dan zal de rat ook bang worden voor het lampje. Bij semantische conditionering
krijgt de betekenis de plaats van het betekende; het woord bel zorgt voor dezelfde CR als het
zien van de bel.
3.2.5: de zes procedures voor klassieke conditionering
Klassieke conditionering is dat een stimuli met 1 van de 6 procedures in een contingente relatie
wordt gebracht, zodat ze een andere betekenis krijgen van aangenaam of onaangenaam.
, 3
Neutrale stimuli krijgen een aangename betekenis als ze verbonden worden met +USpos, -
USneg of °USneg. En een onaangename betekenis als ze verbonden worden met -USpos,
+USneg en °USpos.
Elk van deze gebeurtenissen lokt een reactie uit:
- Uitblijven van positieve US à teleurstelling/woede
- Toedienen van negatieve prikkel à vrees
- Afnemen van positieve prikkel à telleurstelling
- Uitblijven negatieve US à veiligheid
- Toedienen positieve prikkel à hoop en vreugde
- Afnemen negatieve prikkel à opluchting
Leesvragen check:
• Waarom klassieke conditionering gaat over het leren van betekenissen
Klassieke conditionering gaat over het leren van betekenissen omdat gedrag begrepen
wordt in termen van betekenisvolle reacties op betekenisvolle situaties. Door het
koppelen van een neutrale stimulus aan een andere stimulus krijgt die neutrale stimulus
een nieuwe betekenis, die direct gelinkt is aan het gedrag.
• Wat generalisatie is en hoe dat zichtbaar was bij Little Albert
Generalisatie is het proces waarbij een reactie die is aangeleerd op één stimulus ook
optreedt bij andere, vergelijkbare stimuli.
Bij Little Albert werd niet alleen het ratje angstwekkend, maar ook andere dieren die erop
leken. De angstreactie generaliseerde dus van het ratje naar soortgelijke stimuli.
• Hoe klassieke conditionering werkt
Een neutrale stimulus (CS) wordt herhaaldelijk aangeboden samen met een
ongeconditioneerde stimulus (US). Hierdoor verandert de betekenis van de CS,
waardoor deze de verwachting van de US oproept. Uiteindelijk lokt de CS zelfstandig een
reactie (CR) uit.
• Waarom differentiatie belangrijk is
Differentiatie is belangrijk omdat het leren onderscheiden van veilige (CS-) en onveilige
stimuli (CS+) voorkomt dat te veel stimuli angst oproepen. Wanneer differentiatie niet
goed lukt, worden ook veilige stimuli als bedreigend ervaren, wat bijdraagt aan
angststoornissen.
• Wat generalisatie is, en wat voor klinische problematiek dit kan verklaren
Generalisatie is de neiging om hetzelfde te reageren op stimuli die lijken op de
oorspronkelijke CS+. Een vlak generalisatiegradiënt (veel generalisatie) kan bijdragen
aan het ontstaan en in stand houden van problematische angst en depressie, omdat
steeds meer situaties angst oproepen.
• Wat contextconditionering is, en wat voor klinische problematiek dit kan verklaren
Contextconditionering is het proces waarbij bredere contexten een bedreigende
betekenis krijgen, vooral wanneer er geen duidelijke voorspeller is voor dreiging.
Dit kan onder andere agorafobie, GAS, PTSS en paniekstoornis verklaren, waarbij angst
ontstaat door onvoorspelbaarheid en verhoogde waakzaamheid.
• Wat aversieve en appetitieve conditionering zijn, en wat voor klinische problematiek dit
kan verklaren
, 4
Appetitieve conditionering: een CS wordt gekoppeld aan een positieve US, speelt een rol
bij verslaving, eetstoornissen, depressie en schizofrenie. Aversieve conditionering: een
CS wordt gekoppeld aan een negatieve US, wat leidt tot vrees (bijv. angststoornissen)
3.3 Wat wordt er geleerd tijdens klassieke conditionering
Een US-representatie ligt opgeslagen in het geheugen en heeft meerdere kenmerken: stimulus
kenmerken (geur, vorm, kleur) en respons aspecten (reactie die in het verleden optraden bij
confrontatie met de US). Het is de vraag welke voorwaarden de US-representatie activeert.
Soms komt de daadwerkelijke ervaring wel omhoog, en soms/meestal niet. De US-representatie
kan geactiveerd worden door de kenmerken.
3.4 Het wijzigen van verworven betekenissen
De toon heeft een sterke schok (A+), als de toon samen met licht voorkomt dan was de schok
kleiner (AB-). Het is een inhibitorische stimulus die aankondigt dat iets uitblijft. Ze signaleren
veiligheid en B krijgt een veiligheidsstatus. Dit kan uitdoving bemoeilijken en kan ook voorkomen
in de therapeutische setting.
3.4.2: extinctie als basis voor betekeniswijziging
In de eerste fase van acquisitie wordt de toon (CS) gevolgd door een schok (US). Na herhaling
van toegevoegde negatieve prikkel lokt de CS vrees uit. Als de toon vervolgens herhaaldelijk
wordt aangeboden zonder schok, dan is er uitdoving en neemt de vrees af. Wat de basis vormt
van exposure, maar het is niet het afleren van gedrag.
Het lijkt alsof de CS weer neutraal wordt, maar in wezen wordt hij ambigue. Want er is sprake
van rapid acquisitie, namelijk dat het nu minder kost om de maximale vrees weer te krijgen, ook
is er spontaan herstel waarbij de CS ineens weer vrees kan uitlokken na extinctie.
Het gaat om inhibitorisch leren. Renewal is ook de terugkeer van uitgedoofde responsen.
Namelijk ABA-renewal waarin als de CS-US aangeboden worden in situatie A, vervolgens in
situatie B uitgedooft worden en hierna weer in situatie A komt is de vrees in A weer terug.
Deze inhibitorische verbanden zijn erg context afhankelijkheid, veiligheidsleren is dus context
beperkt. In een ABC-renewal setting geldt dat in de nieuwe situatie C eerder de vrees komt,
omdat excitatorische verbanden meer generaliseerbaar zijn, dan inhibitorische verbanden. Dit
is de grootste beperking van exctinctie, omdat uitdoving in tegenstelling tot het verwerven van
betekenissen wel contextafhankelijk is. Denk aan de therapie setting als ABC.
3.4.3: contraconditionering
Technieken om aangeleerde angsten te reduceren. Kan door graduele blootstelling met een
beloning (oud). Nu meer systematische desensitisatie door ontspanning voor te stellen. Het
gaat erom dat een beangstigende stimulus verbonden wordt aan een positieve US. Het is niet
noodzakelijk voor een effectieve exposure.
Voor evaluatief geconditioneerde attitudes (verslaving en eetproblematiek) is dit effectiever dan
uitdoving. Het wordt ook gebruikt voor een negatief zelfbeeld als onderdeel van COMET.
3.4.4: US-representatie als basis
Niet toevoegen van inhibitorische associaties (uitdoving) of een tegengestelde affectieve
betekenis (contraconditionering). Maar wel het aanpassen van de representaties US zelf.
Bijvoorbeeld door imagenary rescripting in PTST. Waarin je de representatie wijzigt in de
betekenislaag. Het richt zich niet op het veranderen van het geconditioneerde verband zelf,
maar direct op het veranderen van de US-representatie.