1. Ons werkgeheugen heeft een beperkte capaciteit .............................................................................. 2
2. De expert denkt anders dan de beginner ............................................................................................ 4
3. Generieke vaardigheden aanleren: het doel is niet altijd het middel .................................................... 4
4. Leren is niet hetzelfde als presteren .................................................................................................. 5
5. Wat de eIectiefste leraren doen is gewoon goed lesgeven .................................................................. 5
H2. Ons brein en leren.................................................................................................................................. 6
1. Hoe werkt je leermotor ..................................................................................................................... 6
2. Relatie: breinkennis – onderwijs ........................................................................................................ 7
3. Breinnetwerken ................................................................................................................................ 9
4. Tips & tricks voor onderwijspraktijk...................................................................................................10
H3. Actieve voorkennis en instructie ............................................................................................................12
1. Bouwsteen 1: activeer relevante voorkennis .....................................................................................12
2. Bouwsteen 2: geef duidelijke gestructureerde en uitdagende instructie ..............................................12
H4. TOL en de bouwstenen ..........................................................................................................................15
1. TOL (taalontwikkelend lesgeven) of TVO (taalgericht vakonderwijs) ....................................................15
2. Taaldoelen ......................................................................................................................................15
3. Hoe past TOL binnen de 12 bouwstenen? .........................................................................................15
H5. Het belang van voorbeelden (concreetheid) en de combinatie van woord en beeld ..................................18
1. Bouwsteen 3: gebruik voorbeelden ...................................................................................................18
2. Bouwsteen 4: combineer woord en beeld .........................................................................................20
H6. Het belang van een actieve verwerking van leerstof en het achterhalen of iedereen het begrepen heeft.....23
1. Bouwsteen 5: laat de leerstof actief verwerken .................................................................................23
2. Bouwsteen 6: achterhaal of de hele klas het begrepen heeft ..............................................................25
H7. Motivatie en demotivatie .......................................................................................................................27
1. Competitie tussen verwachtingen van leraars en leerlingen: cognitieve ontwikkeling vs sociale,
aIectieve behoeften ...............................................................................................................................27
2. Het subjectieve belang van leermogelijkheden op school ..................................................................27
3. Motivatie als een dynamisch proces .................................................................................................27
4. Soorten motivatie ............................................................................................................................27
5. Demotivatieverschijnselen ..............................................................................................................27
6. Uiteenlopende verklaringen voor demotivatie ...................................................................................31
7. Lewins formule: B = F(P,E) ................................................................................................................31
H8. Willen, moeten en structuur in de klas: over het stimuleren van een optimaal leerproces .........................32
1. Het belang van motivatie .................................................................................................................32
2. De kwaliteit van motivatie ................................................................................................................32
3. De motivationele impact van de leerkrachtstijl ..................................................................................35
1
, H1. Wat leren onze inzichten uit de wetenschap omtrent ‘goed lesgeven’
1. Ons werkgeheugen heeft een beperkte capaciteit
Om goede lessen te maken, moet je eerst begrijpen hoe leerlingen leren. De cognitieve architectuur is de
werking van het geheugen, hoe ons denken gestructureerd is. Je leert door middel van het werkgeheugen. Je
onthoudt alles met het langetermijngeheugen.
1.1 Onderdelen van het geheugen (= hoe wij leren)
a. Het sensorisch/ zintuiglijk geheugen = informatie heel kort vasthouden
- Rol van aandacht en oriënteringsreactie
- We onthouden niet alles wat we zien of horen
- Er is sprake van een selectie = meest relevante informatie die we zullen verwerken in ons
werkgeheugen op dit moment, alleen de geselecteerde info gaat verder.
Bv. Soms merk je het tikken van een klok en soms niet, als je aandacht besteed aan die prikkel, dan gaat deze
prikkel verder naar het volgend geheugen nl. het werkgeheugen.
b. Het werkgeheugen = plek waar het denken en het bewustzijn plaatsvindt
- Het bewustzijn en de werkplaats, deze is beperkt maar wordt ondersteund door LG
- De plek waar je actief nadenkt, de info verblijft hier kort (30 seconden), tenzij je er iets mee doet
(herhalen)
- Het werkgeheugen ontvangt sensorische prikkels uit de omgeving en informatie uit het
langetermijngeheugen
- Hoe meer informatie in ons langetermijngeheugen, hoe gemakkelijk ons werkgeheugen nieuwe
informatie kan binnenlaten
- Als je lln iets wil aanleren, spreek je vaak hun werkgeheugen aan
Bv. Wanneer je bijvoorbeeld een telefoonnummer hoort, komt dit eerst binnen via het sensorisch geheugen.
Pas als je er aandacht aan besteedt, gaat de informatie door naar het werkgeheugen, waar je het even actief
kunt vasthouden door het bijvoorbeeld in jezelf te herhalen. Doe je er niets mee, dan verdwijnt de informatie na
ongeveer 30 seconden.
c. Langetermijngeheugen = opslagtank
- Hoeveelheid en organisatie van de kennis, deze is zeer krachtig
- Het langetermijngeheugen heeft een onbeperkte capaciteit en duur
- Het kennisschema 1is opgebouwd uit nieuwe informatie om die te koppelen aan bestaande
informatie (door te herhalen of verbanden te leggen), hierdoor kan je je het later herinneren.
Bv. Zaken die je nog na de les weet, heb je
opgeslagen in het langetermijngeheugen.
1
Structuren die kleine kennisdeeltjes met elkaar verbinden en betekenis creëren
2
,1.2 Leren van een geitenpaadje naar een neurale snelweg
Het geitenpaadje is het werkgeheugen.
- In het begin is een nieuw idee of feit een smal paadje, het spoor is
klein en verdwijnt snel weer, dus de kans op vergeten is groot.
Leren = vormen van nieuwe, sterke en uitgebreide neurale wegen
- Door herhaling, oefenen en actief bezig zijn met de leerstof, worden er
sterkere en bredere verbindingen in je hersenen aangelegd.
Leren = asfalteren = langetermijngeheugen
- Als je vaak genoeg over dat ‘paadje’ gaat, wordt het een stevige weg,
en uiteindelijk zelf een snelweg. Dan ligt de kennis vast in je
langetermijngeheugen en kan je ze gemakkelijk oproepen.
Veel snelwegen en verbindingen
- Hoe meer kennis je hebt, hoe meer wegen er ontstaan, en hoe beter je nieuwe informatie kan
koppelen aan wat je al weet (opritten, afslagen, kruispunten)
è Leren begint als een wankel spoor (werkgeheugen), maar door herhalen en verbanden leggen bouw je
een stevige snelweg in je hersenen.
1.3 Cognitive load theory
Het werkgeheugen is een beperkte bandbreedte. Ons werkgeheugen kan maar een beperkte hoeveelheid
informatie tegelijk verwerken, een beetje zoals een internetverbinding die maar een bepaalde snelheid aankan.
a. Intrinsieke cognitieve belasting
= ingewikkeldheid van de leerstof zelf. Bv; een eenvoudige rekensom vraagt weinig ruimte, maar een complexe
vergelijking vraagt veel meer.
b. Extrinsieke cognitieve belasting
= extra last door de manier waarop de informatie wordt aangeboden. Bv. Een chaotische pwp met te veel tekst,
achtergrondmuziek of irrelevante plaats. Dit vult je bandbreedte onnodig op en maakt leren moeilijker
c. Optimaal gebruik van mentale bandbreedte
Als je de extrinsieke belasting zo klein mogelijk houdt (duidelijke uitleg, overzichtelijke dia’s, geen afleiding) en
de intrinsieke belasting goed doseert (stap voor stap uitleggen, voorkennis activeren), dan gebruik je de
beperkte capaciteit van het werkgeheugen optimaal. Zo vergroot je de kans dat de nieuwe kennis blijft hangen
in het langetermijngeheugen.
3
, 1.4 Cognitieve belasting
1) Lln kunnen complexe leerstof verwerken: intrinsieke belasting is hoog,
leerstof op goede manier aangeboden, dus extrinsieke belasting ligt binnen
bandbreedte. Leren kan
2) Lln kunnen eenvoudige leerstof verwerken: intrinsieke en extrinsieke
belasting is laag. Lln kunnen leren, maar veel brandbreedte over om
complexe leerstof aan te kunnen.
3) Lln kunnen complexe leerstof verwerken. Leerstof wordt op een slechte
manier aangeboden (bv zelfontdekkend leren). Cognitieve belasting is
overschreden. Leren wordt moeilijk voor lln
è Leerstof moet voortbouwen op reeds aanwezige voorkennis. Deze wordt
aangeboden in gestructureerde beheersbare delen. Deze worden
gecombineerd van woord en beeld. Er is veel ondersteuning.
2. De expert denkt anders dan de beginner
Er zijn twee soorten leren:
- Biologisch primair leren: dingen die je vanzelf leert, spelenderwijs, gewoon door te leven (bv praten,
lopen, emoties begrijpen)
- Biologisch secundair leren: dingen die je leert via onderwijs en cultuur, die je niet vanzelf oppikt (bv
lezen, wiskunde, geschiedenis)
Wij leerkrachten beschikken over grondige, gedetailleerde en complexere kennis in ons brein. Lln hebben die
kennis nog niet.
Bv. Schaakbord: wat je weet bepaalt wat je ziet. Geen expert ziet bepaalde openingen niet.
Een expert heeft een rijk en goed georganiseerd kennisschema in zijn hoofd. Daarom kan een expert de leerstof
vertalen naar begrijpelijke vormen voor beginners.
2.1 Verschil tussen informatie en kennis
Informatie = wat je overal kan vinden (boeken, internet, iemand die iets vertelt)
Kennis = informatie die je verwerkt en opgeslagen hebt in je hoofd
- Declaratieve kennis: weten dat iets zo is (bv Parijs is de hoofdstad van Frankrijk)
- Procedurele kennis: weten hoe je iets moet doen (bv een rekensom oplossen)
- Metacognitieve kennis: weten hoe je zelf leert en denkt (bv ik begrijp dit niet goed, ik moet herhalen)
2.2 Leerstof en rol van de leraar
Leerstof = eigenlijk de verborgen kennis van de expert, maar in een eenvoudige vorm gegoten zodat de leerling
het kan begrijpen.
De leraar-expert heeft drie soorten kennis:
- Vakkennis: inhoudelijke kennis van het vak zelf
- Pedagogisch-didactische kennis: hoe je lesgeeft, hoe leerlingen leren, welke methodes werken
- Vakdidactische kennis: hoe je jouw vak inhoud concreet uitlegt aan leerlingen
3. Generieke vaardigheden aanleren: het doel is niet altijd het middel
4