Concepten per hoorcollege npvp
Hoorcollege 1
Vergelijkende politiek: vergelijkt politieke systemen en instituties va landen
Polis: griekse politieke samenleving in klassiek griekenland
Plato: wat is ideale polis? Rechtvaardigheid verbonden met staat. Notie van algemeen
belang boven persoonlijke belang. Rol differentiatie: koning-filosoof als ideale leider.
Eerste poging tot classificatie
Aristoteles: mens is gemeenschapsdier, politieke gemeenschappen als voorwaarde
goed leven en zelfontplooiing (talenten uitvoeren), op zoek naar beste politieke
gemeenschap > onderzoek 150 polissen > reisverslagen als methode en empirisch
onderzoek
Classificatie Aristoteles
Door wie 1 persoon Klein aantal Groot aantal
Eigen belang tirannie oligarchie democratie
algemeen monarchie aristocratie polis
Neiging tot ontaarding systeem, begint goed maar veranderd met de tijd
Nicollo machiavelli: politiek is een smerig spelletje, wie meest succesvolle heerder?
Montesquieu: verlichtingsfilosoof > trias politica (uitvoerend, wetgevend en rechtelijk)
Alexis de tocqueville: la democratie en Amèrique: Amerikaanse burgers actief in
politiek > civil society > politieke cultuur. Belang politiek cultuur in middenveld
Sociale voorzieningen nog niet relevant: kiesrecht en staatstaak nam toe > politiek
ingewikkelder > bureaucratie, partijen en andere politieke bemoeienissen
Moderne politicologie
Partijen en elites
• Ijzeren wet van oligarchie (Robert Michels): stelt dat de organisatie van
politieke partijen – zelfs van partijen die formeel aan democratie zijn gebonden –
wordt gedomineerd door een heersende elite
• Bureaucratie en staat (max weber): wetgeving, hiërarchie en deskundigheid
Behavioral revolution: minder focus op instituties, meer op gedrag van burgers,
aandacht voor politieke cultuur: diepliggende opvattingen, waarden en tradities die
politiek gedrag sturen
Civic culture: burgers actief deelnemen aan politieke en vertrouwen politieke
instituties
s.m. Lipset – marxist:
• Moderniseringstheorie: economische ontwikkeling > sociale modernisering >
democratie
• Working class authoritarianism: lager opgeleide neiging sneller autoritaire
ideologie te steunen. Hoger opgeleide juist minder
• Critical juctures en cleavages: plotselinge gebeurtenissen en
maatschappelijke breuklijnen
- Window of opportunity: tijdelijke kans verandering of hervorming
Neo-institutionalisme mensen bewegen in stratenplan
• Eerst idee instituties doen ertoe > wisselwerking instituties en gedrag
, • Path dependency: gedrag wordt bepaald en ingeperkt door historisch pad.
Kosten/baten analyse steeds krommer. Pad veranderd als critical juncture
plaatsvindt.
Robert Putman: Boling alone: verschil zuid en noord Italië onderzocht
• Individualisme: individu centraal, maakt eigen keuzes en heeft eigen belangen
• Sterke sociale netwerken en vertrouwen in de samenleving essentieel zijn
voor democratie, afnemen hiervan leidt tot politieke apathie en zwakke
democratische instituties.
Rationele keuze, jaren 80
• Microfundamenten van actie: het politiek gedrag van samenleving verklaren
vanuit individuele niveau. Mensen egoïstisch
• Making votes count cox: hoe kiesstelsels bepalen of stemmen meetellen voor
politieke macht > via rationele keuze theorie
• Rationele keuze theorie: mensen maken rationele keuzes om eigen belang te
maximaliseren, gebaseerd op kosten en baten > actoren reageren rationeel
• Buitenparlementaire acties: politieke invloed uitoefenen buiten het parlement.
Hoorcollege 2
• Objectief natiebegrip: natie natuurgegeven, volksaard (bestaat niet), cultuur
voorop, excl., natuurlijke grenzen
• Subjectief begrip: natie constructie, nationale identiteit, politiek voorop, incl.,
geen natuurlijke grenzen
• Cultuur nationalisme: gebaseerd op objectieve natiebegrip: eigen cultuur en
identiteit (volksgeist), excl. Karakter
• Politieke nationalisme: gebaseerd op subjectief natiebegrip: natie als politiek
waardengemeenschap, incl. Karakter
Natievorming
Constructieve element: naties zijn dankzij nationalisme
• Nationalisme: het idee dat een volk met een gedeelde identiteit recht heeft op
een eigen staat en politieke zeggenschap.
• Imagined community: vermogen van mens om een voorstelling te maken van
een groter geheel, maar je zult elkaar nooit allemaal ontmoeten (bv fans)
• Socialisatie (onderdeel zijn van iets) en invented traditions (tradities recent
geconstrueerd op nationale identiteit, sociale cohesie of politieke legitimiteit te
versterken)
• Transhistorische verwantschap: idee van gezamenlijke geschiedenis
Pro-nationale gevoelens: collectieve taal, economische contacten, religie
Staatsvorming
Moderne staat: resultaat schaalvergroting (oorlogen/economische ontwikkelingen)
Staatsvorming max weber: monopolie geweld en belasting, uitschakelen
concurrentie, vaststellen grenzen en inwoners, depersonaliseren gezag (regels,
functies of instituties), homogenisering van macht en regels, opleggen burgerplichten
Monopolie: als enige de macht op geweld uit te voeren of belasting op te vragen
Staats en natievorming 3 modellen
• 1e model (frankrijk): centrum naar buiten nationaliseren, centralisatie,
onderdrukken regionalisme, nadruk politieke nationalisme
, • 2e model (duitsland): voorheen lappendeken, natie > staat, idee gedeelde
cultuur/taalgebied gaat vooraf aan staat, gevoel nationale identiteit
(Kulturnation in DU (1800)), eenwordingsstreven (samenvallen staat en natie),
speling nationalisme > racistisch > voedingsbodem fascisme, Duitsland nadruk
op ‘objectieve dimensie’ natie
• 3e model (SovjetUnie): natievorming binnen bestaand rijk, onafhankelijk door
afscheiding, onafhankelijk na desintegratie multinationaal rijk (val van bv SV)
Objectieve dimensie: vaste, meetbare kenmerken die een natie definiëren. (taal,
religie, afkomst, geschiedenis)
• Staten onder eenduidige natie: Oostenrijk: Duitser die niet bij Duitsland hoort
• Natie zonder staat: Lappen, Baken, Koerden
• Natiestaten met minderheden buiten grenzen: Hongarije: na WOI
Postkoloniale staat
• Lukraak getrokken grenzen (congres van Berlijn/scramble for africa)
• Onafhankelijkheid van oude administratieve koloniale eenheden
• Natievorming vanuit hoofdsteden
• Failed state: functies staat niet vervullen (soevereiniteit, monopolie,
bescherming)
Nederlandse natievorming
1500
• Hoogheemraadschappen: regionale waterschappen die verantwoordelijk zijn
voor waterbeheer, zoals dijken, waterpeil en waterkwaliteit.
• Huwelijkspolitiek: huwelijk middel voor politieke of strategische doeleinden
1600:
• Calvinisme: past bij handel mentaliteit: sober, individualistisch bijbel lezen
• Stedelijke, burgerlijke pro kapitalistische mentaliteit: Max Weber: verband
calvinisme perfecte voedingsbodem voor kapitalistische geest)
• Centralisatiepolitiek: politiek gericht op macht bij centrale overheid, eenduidig
bestuur, uniforme wetten en minder autonomie lokale gebieden
• Beeldenstorm: gewelddadige protest tegen katholieke kerk en afgoderij
• Vrijheid van consciëntie/geweten: recht eigen overtuigingen en geloof te
kiezen zonder dwang, basis voor religieuze tolerantie en vrijheid godsdienst
Nederlandse opstand tachtigjarige oorlog
• Unie van Utrecht: bondgenootschap van noordelijke Nederlandse gewesten
tegen spanje. Gezamenlijk verdediging en behoud van protestantse vrijheid
• Akte van verlatinghe: plakkaat/document waarin de noordelijke gewesten
Philips II afzwoeren als koning
• Val van Antwerpen: Antwerpen wordt heroverd door Spanje, noordelijke
handelaren en prostestanten vluchten naar noorden
• Twaalfjarig bestand: 12-jarige wapenstilstand tussen republiek en Spanje
Republiek der zeven verenigde provinciën
• Republiek der zeven verenigde provinciën: confederatie van zeven autonome
gewesten, protestants, rijk en invloedrijk in de 17e eeuw, zonder koning.
• Confederatie: samenwerking militaire zaken maar geen centraal gezag
• Stadhouder: militaire leider tijdens een strijd
, • Generaliteitslanden: een gebied dat tijdens de Nederlandse republiek
rechtstreeks werd bestuurd door de Staten-Generaal
• Vrede van münster: republiek werd geaccepteerd
Gouden eeuw
• Calvinistische religie, Nederland een protestantse natie
• Hollands dominantie: poli, eco en cult overheersing Holland binnen Republiek
• Vrijheid van consciëntie: Relatieve tolerantie lutheranen, joden, remonstranten
en katholieken > wel tweederangsburger
• Tweederangsburger: burger met minder rechten en status dan anderen.
• ‘schikken en plooien’: veel praten, veel compromissen
Ontstaan moderne Nederland 1795-1830
• Patriotten: voorstanders burgerlijke invloed en democratische hervormingen,
tegen stadhouderlijk absolutisme.
• Code napoleon: uniforme wetten, rechtszekerheid, afschaffing feodale
privileges
• Grondwet: Hoofdwet van een staat waarin de fundamentele rechten, plichten
en organisatie van de staat zijn vastgelegd. (Bataafse regeling, grondwet
1814/1815)
• Belgische revolutie: Opstand in zuid NL tegen het koninkrijk der Nederlanden.
Redenen: cultuur, taal, religieuze verschillen en economische onvrede.
Nederlandse natievorming in 19 eeuw
• Cultureel archipel: veel verschillende culturele groepen in een land
• Religieuze pluriformiteit: meerdere geloofsgroepen naast elkaar
• Sociale tegenstellingen: ongelijkheid conflicten tussen sociale groepen
Natievorming in 19e eeuw
Schaalvergroting 19e eeuw: economische schaalvergroting door industriële revolutie,
massaproductie, urbanisatie, groei bevolking, infrastructurele werken via staat, grote
legers, dienstplicht, nieuwe communicatiemiddelen en transportmiddelen
Gevolgen: sociale mobilisatie, vernederlandsing, nationaal debat/publieke opinie,
angst voor ‘ontwortelde massa’s’ (steeds minder gefocust geloof) en desintegratie NL
ttv internationale spanningen
• Sociale mobilisatie: mensen in beweging brengen voor collectieve doelen en
kunnen bewegen van lagen (kerk – adel – boeren)
Nederlandse imagined community: parlement en grondwet, protestantisme of
Nederlandse hervormde kerk als staatskerk, oranjes behouden, vaderlandse Hollandse
geschiedenis centraal, Nederlandse cultuur
Succes Nederlandse natievorming: geen problemen nationale minderheden binnen
grenzen, geen frustratie over buitengrensde Nederlanders, verspreiding cultuur,
populariteit koningshuis, acceptatie gezag van eenheidsstaat
Falen: vlamingen aan lot overgelaten, achtergestelde landsdelen, dreigende
desintegratie natie in verschillende volksdelen, verzuiling
Hoorcollege 3
Waarom terug in geschiedenis
Hoorcollege 1
Vergelijkende politiek: vergelijkt politieke systemen en instituties va landen
Polis: griekse politieke samenleving in klassiek griekenland
Plato: wat is ideale polis? Rechtvaardigheid verbonden met staat. Notie van algemeen
belang boven persoonlijke belang. Rol differentiatie: koning-filosoof als ideale leider.
Eerste poging tot classificatie
Aristoteles: mens is gemeenschapsdier, politieke gemeenschappen als voorwaarde
goed leven en zelfontplooiing (talenten uitvoeren), op zoek naar beste politieke
gemeenschap > onderzoek 150 polissen > reisverslagen als methode en empirisch
onderzoek
Classificatie Aristoteles
Door wie 1 persoon Klein aantal Groot aantal
Eigen belang tirannie oligarchie democratie
algemeen monarchie aristocratie polis
Neiging tot ontaarding systeem, begint goed maar veranderd met de tijd
Nicollo machiavelli: politiek is een smerig spelletje, wie meest succesvolle heerder?
Montesquieu: verlichtingsfilosoof > trias politica (uitvoerend, wetgevend en rechtelijk)
Alexis de tocqueville: la democratie en Amèrique: Amerikaanse burgers actief in
politiek > civil society > politieke cultuur. Belang politiek cultuur in middenveld
Sociale voorzieningen nog niet relevant: kiesrecht en staatstaak nam toe > politiek
ingewikkelder > bureaucratie, partijen en andere politieke bemoeienissen
Moderne politicologie
Partijen en elites
• Ijzeren wet van oligarchie (Robert Michels): stelt dat de organisatie van
politieke partijen – zelfs van partijen die formeel aan democratie zijn gebonden –
wordt gedomineerd door een heersende elite
• Bureaucratie en staat (max weber): wetgeving, hiërarchie en deskundigheid
Behavioral revolution: minder focus op instituties, meer op gedrag van burgers,
aandacht voor politieke cultuur: diepliggende opvattingen, waarden en tradities die
politiek gedrag sturen
Civic culture: burgers actief deelnemen aan politieke en vertrouwen politieke
instituties
s.m. Lipset – marxist:
• Moderniseringstheorie: economische ontwikkeling > sociale modernisering >
democratie
• Working class authoritarianism: lager opgeleide neiging sneller autoritaire
ideologie te steunen. Hoger opgeleide juist minder
• Critical juctures en cleavages: plotselinge gebeurtenissen en
maatschappelijke breuklijnen
- Window of opportunity: tijdelijke kans verandering of hervorming
Neo-institutionalisme mensen bewegen in stratenplan
• Eerst idee instituties doen ertoe > wisselwerking instituties en gedrag
, • Path dependency: gedrag wordt bepaald en ingeperkt door historisch pad.
Kosten/baten analyse steeds krommer. Pad veranderd als critical juncture
plaatsvindt.
Robert Putman: Boling alone: verschil zuid en noord Italië onderzocht
• Individualisme: individu centraal, maakt eigen keuzes en heeft eigen belangen
• Sterke sociale netwerken en vertrouwen in de samenleving essentieel zijn
voor democratie, afnemen hiervan leidt tot politieke apathie en zwakke
democratische instituties.
Rationele keuze, jaren 80
• Microfundamenten van actie: het politiek gedrag van samenleving verklaren
vanuit individuele niveau. Mensen egoïstisch
• Making votes count cox: hoe kiesstelsels bepalen of stemmen meetellen voor
politieke macht > via rationele keuze theorie
• Rationele keuze theorie: mensen maken rationele keuzes om eigen belang te
maximaliseren, gebaseerd op kosten en baten > actoren reageren rationeel
• Buitenparlementaire acties: politieke invloed uitoefenen buiten het parlement.
Hoorcollege 2
• Objectief natiebegrip: natie natuurgegeven, volksaard (bestaat niet), cultuur
voorop, excl., natuurlijke grenzen
• Subjectief begrip: natie constructie, nationale identiteit, politiek voorop, incl.,
geen natuurlijke grenzen
• Cultuur nationalisme: gebaseerd op objectieve natiebegrip: eigen cultuur en
identiteit (volksgeist), excl. Karakter
• Politieke nationalisme: gebaseerd op subjectief natiebegrip: natie als politiek
waardengemeenschap, incl. Karakter
Natievorming
Constructieve element: naties zijn dankzij nationalisme
• Nationalisme: het idee dat een volk met een gedeelde identiteit recht heeft op
een eigen staat en politieke zeggenschap.
• Imagined community: vermogen van mens om een voorstelling te maken van
een groter geheel, maar je zult elkaar nooit allemaal ontmoeten (bv fans)
• Socialisatie (onderdeel zijn van iets) en invented traditions (tradities recent
geconstrueerd op nationale identiteit, sociale cohesie of politieke legitimiteit te
versterken)
• Transhistorische verwantschap: idee van gezamenlijke geschiedenis
Pro-nationale gevoelens: collectieve taal, economische contacten, religie
Staatsvorming
Moderne staat: resultaat schaalvergroting (oorlogen/economische ontwikkelingen)
Staatsvorming max weber: monopolie geweld en belasting, uitschakelen
concurrentie, vaststellen grenzen en inwoners, depersonaliseren gezag (regels,
functies of instituties), homogenisering van macht en regels, opleggen burgerplichten
Monopolie: als enige de macht op geweld uit te voeren of belasting op te vragen
Staats en natievorming 3 modellen
• 1e model (frankrijk): centrum naar buiten nationaliseren, centralisatie,
onderdrukken regionalisme, nadruk politieke nationalisme
, • 2e model (duitsland): voorheen lappendeken, natie > staat, idee gedeelde
cultuur/taalgebied gaat vooraf aan staat, gevoel nationale identiteit
(Kulturnation in DU (1800)), eenwordingsstreven (samenvallen staat en natie),
speling nationalisme > racistisch > voedingsbodem fascisme, Duitsland nadruk
op ‘objectieve dimensie’ natie
• 3e model (SovjetUnie): natievorming binnen bestaand rijk, onafhankelijk door
afscheiding, onafhankelijk na desintegratie multinationaal rijk (val van bv SV)
Objectieve dimensie: vaste, meetbare kenmerken die een natie definiëren. (taal,
religie, afkomst, geschiedenis)
• Staten onder eenduidige natie: Oostenrijk: Duitser die niet bij Duitsland hoort
• Natie zonder staat: Lappen, Baken, Koerden
• Natiestaten met minderheden buiten grenzen: Hongarije: na WOI
Postkoloniale staat
• Lukraak getrokken grenzen (congres van Berlijn/scramble for africa)
• Onafhankelijkheid van oude administratieve koloniale eenheden
• Natievorming vanuit hoofdsteden
• Failed state: functies staat niet vervullen (soevereiniteit, monopolie,
bescherming)
Nederlandse natievorming
1500
• Hoogheemraadschappen: regionale waterschappen die verantwoordelijk zijn
voor waterbeheer, zoals dijken, waterpeil en waterkwaliteit.
• Huwelijkspolitiek: huwelijk middel voor politieke of strategische doeleinden
1600:
• Calvinisme: past bij handel mentaliteit: sober, individualistisch bijbel lezen
• Stedelijke, burgerlijke pro kapitalistische mentaliteit: Max Weber: verband
calvinisme perfecte voedingsbodem voor kapitalistische geest)
• Centralisatiepolitiek: politiek gericht op macht bij centrale overheid, eenduidig
bestuur, uniforme wetten en minder autonomie lokale gebieden
• Beeldenstorm: gewelddadige protest tegen katholieke kerk en afgoderij
• Vrijheid van consciëntie/geweten: recht eigen overtuigingen en geloof te
kiezen zonder dwang, basis voor religieuze tolerantie en vrijheid godsdienst
Nederlandse opstand tachtigjarige oorlog
• Unie van Utrecht: bondgenootschap van noordelijke Nederlandse gewesten
tegen spanje. Gezamenlijk verdediging en behoud van protestantse vrijheid
• Akte van verlatinghe: plakkaat/document waarin de noordelijke gewesten
Philips II afzwoeren als koning
• Val van Antwerpen: Antwerpen wordt heroverd door Spanje, noordelijke
handelaren en prostestanten vluchten naar noorden
• Twaalfjarig bestand: 12-jarige wapenstilstand tussen republiek en Spanje
Republiek der zeven verenigde provinciën
• Republiek der zeven verenigde provinciën: confederatie van zeven autonome
gewesten, protestants, rijk en invloedrijk in de 17e eeuw, zonder koning.
• Confederatie: samenwerking militaire zaken maar geen centraal gezag
• Stadhouder: militaire leider tijdens een strijd
, • Generaliteitslanden: een gebied dat tijdens de Nederlandse republiek
rechtstreeks werd bestuurd door de Staten-Generaal
• Vrede van münster: republiek werd geaccepteerd
Gouden eeuw
• Calvinistische religie, Nederland een protestantse natie
• Hollands dominantie: poli, eco en cult overheersing Holland binnen Republiek
• Vrijheid van consciëntie: Relatieve tolerantie lutheranen, joden, remonstranten
en katholieken > wel tweederangsburger
• Tweederangsburger: burger met minder rechten en status dan anderen.
• ‘schikken en plooien’: veel praten, veel compromissen
Ontstaan moderne Nederland 1795-1830
• Patriotten: voorstanders burgerlijke invloed en democratische hervormingen,
tegen stadhouderlijk absolutisme.
• Code napoleon: uniforme wetten, rechtszekerheid, afschaffing feodale
privileges
• Grondwet: Hoofdwet van een staat waarin de fundamentele rechten, plichten
en organisatie van de staat zijn vastgelegd. (Bataafse regeling, grondwet
1814/1815)
• Belgische revolutie: Opstand in zuid NL tegen het koninkrijk der Nederlanden.
Redenen: cultuur, taal, religieuze verschillen en economische onvrede.
Nederlandse natievorming in 19 eeuw
• Cultureel archipel: veel verschillende culturele groepen in een land
• Religieuze pluriformiteit: meerdere geloofsgroepen naast elkaar
• Sociale tegenstellingen: ongelijkheid conflicten tussen sociale groepen
Natievorming in 19e eeuw
Schaalvergroting 19e eeuw: economische schaalvergroting door industriële revolutie,
massaproductie, urbanisatie, groei bevolking, infrastructurele werken via staat, grote
legers, dienstplicht, nieuwe communicatiemiddelen en transportmiddelen
Gevolgen: sociale mobilisatie, vernederlandsing, nationaal debat/publieke opinie,
angst voor ‘ontwortelde massa’s’ (steeds minder gefocust geloof) en desintegratie NL
ttv internationale spanningen
• Sociale mobilisatie: mensen in beweging brengen voor collectieve doelen en
kunnen bewegen van lagen (kerk – adel – boeren)
Nederlandse imagined community: parlement en grondwet, protestantisme of
Nederlandse hervormde kerk als staatskerk, oranjes behouden, vaderlandse Hollandse
geschiedenis centraal, Nederlandse cultuur
Succes Nederlandse natievorming: geen problemen nationale minderheden binnen
grenzen, geen frustratie over buitengrensde Nederlanders, verspreiding cultuur,
populariteit koningshuis, acceptatie gezag van eenheidsstaat
Falen: vlamingen aan lot overgelaten, achtergestelde landsdelen, dreigende
desintegratie natie in verschillende volksdelen, verzuiling
Hoorcollege 3
Waarom terug in geschiedenis